Einde inhoudsopgave
Voor risico van de ondernemer (O&R nr. 142) 2023/1.5.2
1.5.2 Wetenschappelijke relevantie
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden, datum 01-06-2023
- Datum
01-06-2023
- Auteur
mr. T.E. de Wijkerslooth-van der Linden
- JCDI
JCDI:ADS713104:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor verschillende verwijzingen: hoofdstuk 3.
Bijvoorbeeld: Van Creveld 1912; Beekhuis 1934; Asser/Kroeze 2-I 2021/80, met verwijzingen.
Bijvoorbeeld: Van Creveld 1912, p. 372; Van der Grinten, De NV 1955, p. 101-102; Asser/Van der Grinten 1. Personenrecht 1959, p. 150; Löwensteyn 1965, p. 8-9; Hoekzema 2000, p. 102-13; Asser/Van der Grinten & Kortmann 2-I 2004, nr. 148; De Valk 2009, p. 53-54. Zie ook: par. 3.3.
Bijvoorbeeld: Timmerman 2000, p. 120; Hoekzema 2000; Klaassen 2000; De Valk 2009; Asser/Kortmann 3-III 2017/147; Asser/Kroeze 2-I 2021/87; par. 3.5.
Tjittes 2001; Katan 2017.
Van Dam, Verkeersrecht 2001, p. 71-74; Van Boom, WPNR 2001/6441; Jansen 2006; Jansen, NTBR 2007/6, p. 222-228; Jansen 2012; Van Dam, MvV 2015, p. 229-234; De Jong 2016, p. 145 e.v.
Zie m.b.t. het dogmatisch onderscheid tussen onrechtmatigheid en toerekenbaarheid: par. 6.2.3.
Sieburgh 2000, p. 93.
De Jong 2016, p. 152-153. Zie ook: HR 4 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO4596, JAR 2004/387 (Broug/Gemex); Concl. A-G Spier, ECLI:NL:PHR:2013:BZ1721, nr. 6.38, bij HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1721, NJ 2014/99, m.nt. T. Hartlief (Lansink/Ritsma).
Par. 2.4.
Loth 2016, par. 2.
Par. 1.1.
Het onderzoek levert een bijdrage aan de stand van de wetenschap. Onderhavig thema is nog niet eerder uitvoerig en systematisch onderzocht. Dit betekent evenwel niet dat het onderzoek zich geheel bevindt op onontgonnen terrein.
Ten eerste beoogt dit proefschrift een nieuw licht te schijnen op het daderschap van de (bedrijfsmatige) rechtspersoon. Het daderschap van de rechtspersoon is al verscheidene keren onderwerp van studie geweest.1 Zo werd onder andere onderzocht wanneer een rechtspersoon aansprakelijk is uit onrechtmatige daad;2 of alleen de handelingen van organen of ook van andere functionarissen kunnen worden toegerekend aan de rechtspersoon;3 welke omstandigheden de rechter kan meewegen bij het oordeel of een gedraging van een functionaris in het maatschappelijk verkeer heeft te gelden als gedraging van de rechtspersoon;4 en wanneer kennis van een functionaris heeft te gelden als kennis van de rechtspersoon.5 Deze beschouwingen hebben grote praktische relevantie. Wat tot op heden echter ontbreekt, is een fundamentele beschouwing die het daderschap van de rechtspersoon in verband brengt met het daderschapscriterium uit het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht. Dit proefschrift heeft tot doel een nieuw licht te werpen op het daderschap van de rechtspersoon door vanuit het perspectief van de fundamentele beginselen van het aansprakelijkheidsrecht (schuld en risico) dit onderwerp te bestuderen.
Ten tweede bouwt dit proefschrift voort op de juridische literatuur waarin is onderzocht welke kenmerken van de laedens meegenomen worden bij de inkleuring van de zorgvuldigheidsnorm ex art. 6:162 lid 2 BW. Over het algemeen wordt aangenomen dat voor de vraag of sprake is van een schending van de zorgvuldigheidsnorm van belang is dat de laedens wist of behoorde te weten dat een risico dreigde.6 In de literatuur staat echter ter discussie de vraag of dit kennisniveau objectief of subjectief moet worden uitgelegd.7 Zo heeft Sieburgh in haar dissertatie gesteld dat de schending van een zorgvuldigheidsnorm aan de hand van objectieve maatstaven vastgesteld dient te worden. “Of de dader wist of behoorde te weten dat zijn gedraging bedreigend was voor maatschappelijke belangen en belangen van andere personen, heeft geen invloed op de onrechtmatigheid van zijn gedraging”, aldus Sieburgh. Volgens haar staat echter deze objectieve uitleg van onrechtmatigheid er niet aan in de weg “om aan bepaalde groepen burgers op grond van hun objectief vaststelbare maatschappelijke positie strenge gedragsnormen te stellen”, hetgeen zich bijvoorbeeld kan uiten in het formuleren van een bijzondere zorgvuldigheidsnorm.8 In hoeverre met ‘de maatschappelijke kring’ ook het bedrijfsleven wordt bedoeld, is evenwel onzeker. In het kader van de werkgeversaansprakelijkheid is eerder al geopperd dat de omvang en mate van specialisatie van een onderneming wel degelijk een rol kan spelen bij de vraag of de ondernemer in kwestie bekend had moeten zijn met een (onzeker) risico. Zo zou met name van grote of gespecialiseerde ondernemers eerder kunnen worden aangenomen dat zij bekend behoren te zijn met een bepaald risico.9 Een uitvoerig onderzoek naar de betekenis en de ratio van een dergelijke categorisering in het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht ontbreekt echter. Dit proefschrift beoogt deze leemte op te vullen.
Ten derde bouwt dit proefschrift voort op de literatuur over de grondslagen van het buitencontractuele aansprakelijkheidsrecht. In de literatuur is een omvangrijk deel gewijd aan het schuld- en risicobeginsel als fundament van het Nederlands aansprakelijkheidsrecht.10 Dit proefschrift beoogt omwille van twee redenen deze literatuur aan te vullen. Ten eerste is een groot deel van deze literatuur niet van recente datum. Sterker nog, in de literatuur is in 2016 nog gewaarschuwd door Loth voor een ‘beginselloze aansprakelijkheid’,11 die te veel grond zou bieden voor willekeur. Met dit proefschrift wordt een bijdrage geleverd in deze strijd tegen willekeur. Ten tweede ontbreekt in de literatuur een verhandeling over enterprise liability. Dit is opmerkelijk, aangezien de enterprise liability-gedachte als grondslag van het aansprakelijkheidsrecht voor ondernemers in de buitenlandse rechtsliteratuur op aandacht heeft mogen rekenen.12 Dit proefschrift streeft ernaar deze leemte op te vullen.