Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:171 BW:Aansprakelijkheid voor niet-ondergeschikten
Archief
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:171 BW
Aansprakelijkheid voor niet-ondergeschikten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Documentgegevens:
mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 06-01-2026
Actueel t/m
06-01-2026
Tijdvak
01-01-1992 tot: -
Auteur
mr. F.J.P. Lock
Vindplaats
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:171 BW
Uit de hoofdregel van art. 150 Rv vloeit voort dat op de benadeelde de stelplicht en de bewijslast rusten van feiten waaruit volgt dat aan alle voorwaarden die art. 6:171 BW voor aansprakelijkheid van de opdrachtgever stelt, is voldaan. Het is immers de benadeelde die zich beroept op de rechtsgevolgen daarvan, te weten dat behalve de opdrachtnemer, ook de opdrachtgever voor de fout aansprakelijk is en dus op hem een verplichting rust tot vergoeding van schade die door de fout van een ander is veroorzaakt. Over deze bewijslastverdeling als zodanig is geen rechtspraak van de Hoge Raad. Er bestaat ook geen verschil van mening over. De benadeelde zal dus, evenals bij art. 6:170 BW, in de eerste plaats moeten stellen en bewijzen dat jegens hem een onrechtmatige daad (fout) is gepleegd (door de niet-ondergeschikte zelf, dan wel door iemand voor wie hij op zijn beurt aansprakelijk is) ten gevolge waarvan hij schade heeft geleden. Voor de verdere inhoud van de stelplicht en bewijslastverdeling ten aanzien daarvan zie men het commentaar op art. 6:162 BW en, voor zover het tevens gaat om een kwalitatieve aansprakelijkheid van de niet-ondergeschikte daarvoor, het commentaar op het artikel waarin de desbetreffende aansprakelijkheid is geregeld. De benadeelde zal voorts feiten moeten stellen en zo nodig bewijzen waaruit volgt dat sprake is van
a.
een niet-ondergeschikte
b.
die in opdracht van de aangesprokene werkzaamheden verricht
c.
ter uitoefening van diens bedrijf en dat de fout
d.
bij die werkzaamheden is begaan.
Waarop het daarvoor precies aankomt, behoort tot het materiƫle recht, dat hier niet wordt behandeld.1
Complicaties zoals bij art. 6:170 BW doen zich in de bewijslastverdeling bij art. 6:171 BW niet voor. Omdat de aansprakelijkheid van art. 6:171 BW juist is gebaseerd op niet-ondergeschiktheid rijst de zeggenschapsvraag bij uitlening/inlening van personeel hier niet. De aansprakelijkheid op de voet van art. 6:171 BW is bovendien beperkt tot werkzaamheden ter uitoefening van een bedrijf en strekt zich niet, zoals in art. 6:170 lid 2 BW, uit tot werkzaamheden ter uitoefening van een beroep.
Regres
Voor het regres geeft art. 6:171 BW geen aparte regels. De aangesproken opdrachtgever kan op de voet van art. 6:102 BW jo. art. 6:101 BW regres nemen op de opdrachtnemer, in beginsel voor het volle bedrag. De toepassing van de billijkheidscorrectie kan tot een andere verdeling leiden.2 Zie voor de stelplicht en bewijslastverdeling Boonekamp/Lock, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:102 BW en commentaar op art. 6:101 BW.
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:171 BW
Aansprakelijkheid voor niet-ondergeschikten
mr. F.J.P. Lock, actueel t/m 06-01-2026
06-01-2026
01-01-1992 tot: -
mr. F.J.P. Lock
Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:171 BW
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Burgerlijk procesrecht / Bewijs
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Burgerlijk Wetboek Boek 6 artikel 171
Algemeen
Uit de hoofdregel van art. 150 Rv vloeit voort dat op de benadeelde de stelplicht en de bewijslast rusten van feiten waaruit volgt dat aan alle voorwaarden die art. 6:171 BW voor aansprakelijkheid van de opdrachtgever stelt, is voldaan. Het is immers de benadeelde die zich beroept op de rechtsgevolgen daarvan, te weten dat behalve de opdrachtnemer, ook de opdrachtgever voor de fout aansprakelijk is en dus op hem een verplichting rust tot vergoeding van schade die door de fout van een ander is veroorzaakt. Over deze bewijslastverdeling als zodanig is geen rechtspraak van de Hoge Raad. Er bestaat ook geen verschil van mening over. De benadeelde zal dus, evenals bij art. 6:170 BW, in de eerste plaats moeten stellen en bewijzen dat jegens hem een onrechtmatige daad (fout) is gepleegd (door de niet-ondergeschikte zelf, dan wel door iemand voor wie hij op zijn beurt aansprakelijk is) ten gevolge waarvan hij schade heeft geleden. Voor de verdere inhoud van de stelplicht en bewijslastverdeling ten aanzien daarvan zie men het commentaar op art. 6:162 BW en, voor zover het tevens gaat om een kwalitatieve aansprakelijkheid van de niet-ondergeschikte daarvoor, het commentaar op het artikel waarin de desbetreffende aansprakelijkheid is geregeld. De benadeelde zal voorts feiten moeten stellen en zo nodig bewijzen waaruit volgt dat sprake is van
een niet-ondergeschikte
die in opdracht van de aangesprokene werkzaamheden verricht
ter uitoefening van diens bedrijf en dat de fout
bij die werkzaamheden is begaan.
Waarop het daarvoor precies aankomt, behoort tot het materiƫle recht, dat hier niet wordt behandeld.1
Complicaties zoals bij art. 6:170 BW doen zich in de bewijslastverdeling bij art. 6:171 BW niet voor. Omdat de aansprakelijkheid van art. 6:171 BW juist is gebaseerd op niet-ondergeschiktheid rijst de zeggenschapsvraag bij uitlening/inlening van personeel hier niet. De aansprakelijkheid op de voet van art. 6:171 BW is bovendien beperkt tot werkzaamheden ter uitoefening van een bedrijf en strekt zich niet, zoals in art. 6:170 lid 2 BW, uit tot werkzaamheden ter uitoefening van een beroep.
Regres
Voor het regres geeft art. 6:171 BW geen aparte regels. De aangesproken opdrachtgever kan op de voet van art. 6:102 BW jo. art. 6:101 BW regres nemen op de opdrachtnemer, in beginsel voor het volle bedrag. De toepassing van de billijkheidscorrectie kan tot een andere verdeling leiden.2 Zie voor de stelplicht en bewijslastverdeling Boonekamp/Lock, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 6:102 BW en commentaar op art. 6:101 BW.
Voetnoten
1.
Zie daarvoor o.a. Asser/Sieburgh 6-IV 2023/198 e.v.
2.
Zie: Asser/Sieburgh 6-IV 2023/172 en 200.