Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/14.2
14.2 Ontstaansgeschiedenis en legitimatie kerkelijke autonomie
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS457622:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Santing-Wubs 2002, p. 17.
Parlementaire geschiedenis NBW boek 2 (1962), p. 84.
Blanco Fernandez, RMThemis 2005, p. 64.
Pel 2013, p. 160.
MvA II Invoeringswet, in: Parlementaire geschiedenis NBW aanpassing BW (1991), p. 120.
Schokking 1894, 155.
Bestuurslaag op centraal niveau die was te vergelijken met een ministerie.
Uiteindelijk hielden deze departementen pas in 1873 definitief op te bestaan. We kunnen stellen dat met de grondwet van 1848 de bestaansreden van deze departementen kwam te vervallen wat uiteindelijke leidde tot het opheffen ervan. Zie ook Steenvoorde& Hirsch Ballin 2013, p. 332-333.
Aalders 1998, p. 15.
Pel 2013, p. 23, 112.
Asser was ook van mening dat het kerkgenootschap net als andere rechtspersonen volledig beheerst moeten worden door het rechtspersonenrecht. Zie Van Lennep 1909, p. 114.
Zie ook Pel 2013, p. 144.
Aalders 1998.
Zie Van Deursen 1998.
Zie bijvoorbeeld: Nr. 32 van Praeclara gratulationis van Leo XIII (20 juni 1894): ‘De kerk immers is krachtens den uitdrukkelijken wil van God haar Stichter een in haar orde volmaakte maatschappij. (...) En wijl de Kerk, zooals wij zeiden een volmaakte maatschappij is, (...) om diezelfde reden bezit zij van nature de macht om wetten te geven, en in de uitoefening van die macht is zij rechtens van niemand afhankelijk. Eveneens moet zij vrij zijn in alle andere zaken, die onder haar rechtsbevoegdheid vallen.’ Zie ook: Duijnstee 1913, p. 28-30.
Parlementaire geschiedenis NBW boek 2 (1962), p. 77.
Zie ook Pel 2013, p. 160.
Zie ECRM 19 maart 1981, nr. 8118/77 D&R 25 (1981), p. 105 (Omkarananda and the Divine Light Zentrum v Switzerland). Het ging hier niet om een kerkgenootschap (‘church body’) maar om een ‘association with religious and philosophical objects’.
EHRM 26 oktober 2000, nr. 30985/96 (Hasan & Chaush v Bulgaria).
EHRM 26 oktober 2000, nr. 30985/96 (Hasan & Chaush v Bulgaria), par. 62.
EHRM 26 oktober 2000, nr. 30985/96 (Hasan & Chaush v Bulgaria), par. 62.
Zoals reeds aangestipt, wordt het kerkgenootschap in de literatuur getypeerd als een rechtspersoon sui generis. Het kerkgenootschap als rechtspersoon is ‘eigen in zijn soort’. Deze bijzondere status is het gevolg van een eeuwenlange ontwikkeling waarbij de invloed van de staat op de kerk steeds meer afnam en kerken als dragers van de godsdienstvrijheid werden gezien en hun omwille van deze godsdienstvrijheid steeds meer autonomie werd toegekend om godsdienstige kwesties ‘in eigen boezem’ te regelen. Deze ontwikkeling bracht de gedachte voort dat de autonomie van kerkgenootschappen gegarandeerd moest worden in de rechtsfiguur van de eigen rechtspersoon. Met de inwerkingtreding van boek 2 NBW in 1976 werd deze gedachte een feit. Het kerkgenootschap werd in artikel 2:2 BW lid 1 rechtspersoonlijkheid toegekend en in lid 2 werd de belangrijke bepaling opgenomen dat het kerkgenootschap wordt geregeerd door het eigen statuut (artikel 2:2 BW).1
De sui generis-status van het kerkgenootschap vindt zijn grondslag in de godsdienst. We kunnen dit duidelijk opmaken uit de ‘voorganger’ van artikel 2:2 BW: artikel 1 van de Wet op de kerkgenootschappen van 1853. Artikel 1 van deze wet luidde: ‘Aan alle kerkgenootschappen is en blijft de volkomen vrijheid verzekerd alles, wat hunne godsdienst en de uitoefening daarvan in hunnen eigen boezem betreft te regelen (…).’ De bewoordingen van deze wet laten goed zien dat de vrijheid van kerkgenootschappen primair betrekking heeft op de godsdienst en de uitoefening daarvan. Deze relatie komt minder sterk naar voren in het in 1976 ingevoerde artikel 2:2 lid 2 BW. Dat bepaalt: ‘Zij (kerkgenootschappen, JV) worden geregeerd door hun eigen statuut.’ Niettemin is de inrichtingsvrijheid die kerkgenootschappen hebben op grond van artikel 2:2 BW geënt op de vrijheid van kerkgenootschappen zoals die tot 1988 was opgenomen in de Wet op de kerkgenootschappen.2
Het statuut als autonome rechtsbron, in de vorm van kerkrecht of canoniek recht, is een rechtstreekse uitdrukking van de godsdienst van het genootschap. Doordat het statuut is gebaseerd op godsdienst en de uitoefening daarvan is het voor de staat moeilijk om de reikwijdte van het statuut te bepalen. De staat mag immers vanwege het beginsel van de scheiding tussen kerk en staat geen theologische bronnen interpreteren om zodoende de reikwijdte van het statuut en daarmee de omvang van de kerkelijke autonomie vast te stellen. Daarom is niet in de wet of in de wetsgeschiedenis terug te vinden wat het toepassingsbereik is van het statuut.3 De wetgever heeft geen eisen gesteld aan de structuur en inrichting van de kerkgenootschappen.4 In het kader van de Aanpassingswet (1992) werd in dit verband door de minister van Justitie opgemerkt:
‘(…) De achtergrond van artikel 2boek 2 is het in ons recht aanvaarde beginsel van de scheiding tussen Kerk en Staat. Dit brengt onder meer mee dat “het bestuur en de inrichting” van kerkgenootschappen niet door het publiek- of privaatrecht wordt beheerst, doch door het eigen kerkrecht.’5
De autonomie van kerkgenootschappen kan men ten dele met het liberale beginsel van scheiding tussen kerk en staat legitimeren. De Grondwet van 1848 drong de invloed van de staat op de kerk sterk terug.6 Dit leidde onder andere tot de sluiting van de departementen7 voor de erediensten van de verschillende kerkelijke gezindten en maakte een einde aan de reglementen van de koning die zagen op de inrichting en organisatie van de kerkgenootschappen.8 Het gevolg was dat niet alleen het protestantse maar ook het katholieke volksdeel zich zelfstandiger kon gaan organiseren.9 We kunnen stellen dat het liberale gedachtegoed aan de basis heeft gestaan van de zelforganisatie van de kerkgenootschappen. Het liberale gedachtegoed rechtvaardigt immers de opvatting dat recht en godsdienst twee afzonderlijke domeinen zijn en dat de staat zich niet moet mengen in godsdienstige aangelegenheden. Het liberale gedachtegoed rechtvaardigt echter niet dat een kerkgenootschap een geheel eigensoortig rechtspersoon is en in tegenstelling tot andere rechtspersonen tot op zekere hoogte zelfregulerend is. We kunnen in dit verband erop wijzen dat liberalen als Thorbecke juist vonden dat de organisatie en inrichting van kerkgenootschappen net als andere verenigingen door het verenigingsrecht zou moeten worden geregeld.10 Zo was Thorbecke er voorstander van dat de positie van kerkgenootschappen werd geregeld in de Wet vereniging en vergadering van 1855 en niet in de Wet op de kerkgenootschappen van 1853.11
Uit de wetsgeschiedenis en literatuur valt niet zonder meer af te leiden wat de legitimatie van de inrichtingsvrijheid van kerkgenootschappen is geweest.12 Er lijkt echter veel voor te zeggen dat deze vrijheid is ingestoken vanuit destijds invloedrijke christelijke opvattingen over de kerk als organisatie die enkel aan God verantwoording verschuldigd is en niet aan de staat. Zo had Groen van Prinsterer (1801-1876), die de fundamenten zou leggen voor de latere Anti Revolutionaire Partij, als Kamerlid bij de regering erop aangedrongen dat de woorden van artikel 1 van de Wet op de kerkgenootschappen zo werden gekozen dat hieruit duidelijk werd dat kerkgenootschappen het recht op vrijheid hebben en niet dat er sprake was van het verlenen van dit recht door de overheid. Volgens Groen van Prinsterer stond ‘(…) de volkomen vrijheid der kerkgenootschappen hoger dan de Grondwet en kon deze vrijheid van geen verandering der Grondwet afhankelijk worden gemaakt’.13 In deze opvatting schemert een theologische visie op de kerk door als een instituut dat voor zijn bevoegdheid niet afhankelijk is van de staat maar deze bevoegdheid direct geniet op grond van de waarheid van het christelijke geloof.14 Deze opvatting van Groen van Prinsterer zal ook de katholieke Kamerleden hebben aangesproken. Zij is immers in lijn met de destijds officiële katholieke leer van de ‘societas perfecta’: de kerk als soevereine publieke instelling binnen de samenleving met eigen rechtsmacht.15 We kunnen deze christelijke opvattingen over de vrijheid van de kerk plaatsen binnen een communautaristisch perspectief. Een perspectief dat ervan uitgaat dat een religieuze gemeenschap binnen de samenleving in belangrijke mate zelfregulerend moet kunnen optreden.
In de wetsgeschiedenis van artikel 2:2 BW wordt de autonomie van kerkgenootschappen eigenlijk niet ter discussie gesteld. Meerdere Kamerleden brengen naar voren dat kerkgenootschappen vanwege hun bijzondere doel, namelijk godsdienstoefening, niet met gewone verenigingen op één lijn kunnen worden gesteld en daarom recht hebben op een bepaalde mate van zelfregulering. Dit uitgangspunt blijft in het parlement onweersproken.16 Kennelijk was het in de jaren zestig van de vorige eeuw nog vanzelfsprekend dat het geloof in God voor een instelling als het kerkgenootschap een eigen vrijheid met zich bracht. Mogelijk komt dit doordat destijds de overgrote bevolking van Nederland christelijk was en het bijzondere karakter van godsdienst over het algemeen als vanzelfsprekendheid werd ervaren. Over deze legitimatie wordt in ieder geval niet gedebatteerd. Men aanvaardt dat de godsdienst en de uitoefening daarvan de zelfregulering van kerkgenootschappen rechtvaardigt.17
Het EHRM spreekt in het kader van artikel 9 EVRM over de inrichtings- en organisatievrijheid van kerkgenootschappen en religieuze gemeenschappen. Deze lijkt de nationale inrichtingsvrijheid van kerkgenootschappen op grond van artikel 2:2 BW te overvleugelen. In zijn algemeenheid heeft de inrichtingsvrijheid betrekking op alle georganiseerde verbanden van religieuze of levensbeschouwelijke collectieven, ook op die verbanden waarbij een kerkelijk statuut ontbreekt.18 De betekenis van de inrichtingsvrijheid van religieuze gemeenschappen is in belangrijke mate verwoord in het standaardarrest Hasan & Chaush. Daarin stond de vraag centraal of het door de staat (Bulgarije) afzetten en vervangen van een moslimleider binnen een moslimgemeenschap een inbreuk vormde op de inrichtings- en organisatie vrijheid.19
Volgens het EHRM genieten kerkgenootschappen en religieuze gemeenschappen inrichtingsvrijheid omdat hun organisatiestructuren gebonden zijn aan regels die volgens de aanhangers een religieuze oorsprong hebben:
‘The Court recalls that religious communities traditionally and universally exist in the form of organised structures. They abide by rules which are often seen by followers as being of a divine origin.’20
Vanwege deze (veronderstelde) goddelijke oorsprong moet volgens het EHRM artikel 9 EVRM gelezen worden in het licht van artikel 11 (vrijheid van vereniging) EVRM:
‘Where the organisation of the religious community is at issue, Article 9 of the Convention must be interpreted in the light of Article 11, which safeguards associative life against unjustified State interference. Seen in this perspective, the believers’ right to freedom of religion encompasses the expectation that the community will be allowed to function peacefully, free from arbitrary State intervention.’21
Gesteld kan worden dat het EHRM vindt dat beperkingen op de organisatie en inrichting van kerkgenootschappen en religieuze gemeenschappen slechts toelaatbaar zijn indien deze plaatsvinden conform artikel 9 lid 2 EVRM. Deze overweging impliceert dat uitingen en gedragingen die betrekking hebben op de organisatie en inrichting van kerkgenootschappen en religieuze gemeenschappen zelf begrepen moeten worden als religieuze uitingen of gedragingen of op zijn minst als uitingen of gedragingen die van godsdienst zijn afgeleid.