Einde inhoudsopgave
Rechtsbescherming tegen bestraffing strafrecht en bestuursrecht 2011/7.8
7.8 De procedure en uitspraak inzake ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
mr. drs. R. Stijnen, datum 03-10-2011
- Datum
03-10-2011
- Auteur
mr. drs. R. Stijnen
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 1 juni 2007, no. 30810/03 (Geerings). Zie in het verlengde hiervan HR 21 april 2009, NJ 2009/208.
EHRM 7 april 2009, NJ 2009/189.
HR 9 september 2008, NJ 2008/497.
HR 8 juli 2008, NJ 2008/495.
Zie over de concrete en de abstracte methode inzake de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel par. 28 van de conclusie van AG Jbrg bij HR 18 maart 2003, NJ 2003/528. Zie voorts Punt, Praktijkboek Ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel (2009), hoofdstuk 4.
Keyser-Ringnalda, Boef en buit. De ontneming van wederrechtelijk verkregen vermogen (1994), p. 42.
Zie de conclusie van A-G Schipper bij HR 21 oktober 2008, LJN BD7806.
Keyser-Ringnalda, Boef en buit. De ontneming van wederrechtelijk verkregen vermogen (1994),P.40.
HR 22 januari 2008, NJ 2008/406.
Indien de veroordeelde geen verklaring kan geven omtrent de herkomst van vermogensbestanddelen kan de rechter ook betekenis toekennen aan zijn zwijgen. Zie EHRM 5 juli 2001, EHRC 2001/56 (Phillips)
In art. 36e Sr is bepaald dat op vordering van het openbaar ministerie bij een afzonderlijke rechterlijke beslissing aan degene die is veroordeeld wegens een strafbaar feit de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (lid 1) en dat aan degene die is veroordeeld wegens een misdrijf, waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, en tegen wie als verdachte van dat misdrijf een strafrechtelijk financieel onderzoek is ingesteld, de verplichting kan worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, indien gelet op dat onderzoek aannemelijk is dat ook dat feit of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen (lid 3).
Het derde lid biedt ruimte voor ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter zake van een feit waarvoor de 'crimineel' niet is veroordeeld. De letter van de wet staat er zelfs niet aan in de weg dat iemand die is veroordeeld voor een feit dat hem geen wederrechtelijk voordeel heeft opgeleverd met voordeelontneming wordt geconfronteerd ter zake van een feit waarvan hij is vrijgesproken. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens stak daar echter een stokje voor. Een dergelijke toepassing kwam in strijd met de onschuld-presumptie.1 Deze terechte beperking leidde uiteraard tot vragen omtrent wat nog wel kan. Zo is geoordeeld dat een nietigverklaring van de dagvaarding niet is gelijk te stellen aan een vrijspraak.2 Een zogenoemde technische vrijspraak wel.3 Indien de betrokkene is veroordeeld voor deelneming aan een criminele organisatie kan de profijtontneming worden gebaseerd op die deelname, ook indien het voordeel voor die organisatie mede is verkregen uit concrete strafbare feiten waarvoor de betrokkene zelf juist is vrijgesproken, omdat voor deelneming aan een criminele organisatie niet is vereist dat de deelnemer strafbaar betrokken is geweest bij strafbare feiten waarop het oogmerk van de organisatie is gericht en waarmee die organisatie daadwerkelijk voordeel heeft behaald.4
De rechter stelt ingevolge art. 36e lid 4 Sv het bedrag vast waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat. Onder voordeel is de besparing van kosten begrepen. De waarde van voorwerpen die door de rechter tot het wederrechtelijk verkregen voordeel worden gerekend, kan worden geschat op de marktwaarde op het tijdstip van de beslissing of door verwijzing naar de bij openbare verkoop te behalen opbrengst, indien verhaal moet worden genomen.5 Ook `vervolgprofijt' kan bij de berekening van het wederrechtelijke verkregen vermogen worden betrokken, ook indien dit met legaal verworven vermogen is vermengd. Keyser-Ringnalda noemt het voorbeeld dat met drugsgeld onroerend goed wordt gekocht dat vervolgens wordt verhuurd. De huuropbrengst van de woning vormt dan een vermogensbestanddeel dat kan worden meegenomen.6 De rechter kan het te betalen bedrag lager vaststellen dan het geschatte voordeel. Op het gemotiveerde verzoek van de verdachte of veroordeelde kan de rechter, indien de huidige en de redelijkerwijs te verwachten toekomstige draagkracht van de verdachte of veroordeelde niet toereikend zullen zijn om het te betalen bedrag te voldoen, bij de vaststelling van het te betalen bedrag daarmee rekening houden. Op een dergelijk verweer dient hij een uitdrukkelijk gemotiveerd antwoord te geven (art. 359 lid 2 en lid 5 en 511e lid 1 Sv).7 Bij het ontbreken van zodanig verzoek kan de rechter ambtshalve of op vordering van de officier van justitie deze bevoegdheid toepassen.
De regeling van het in art. 36e Sr genoemde strafrechtelijk financieel onderzoek is neergelegd in de art. 126-126f Sv. De art. 511c-511i Sv handelen over strafvordering met betrekking tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De vordering, die wordt ingesteld binnen twee jaren na de uitspraak in eerste aanleg, behelst mede de oproeping om op het daarin vermelde tijdstip ter terechtzitting te verschijnen (art. 511b Sv). De officier van justitie kan, zolang het onderzoek op de terechtzitting niet is gesloten, met de verdachte of veroordeelde een schriftelijke schikking aangaan tot betaling van een geldbedrag aan de staat of tot overdracht van voorwerpen ter gehele of gedeeltelijke ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel (art. 511 Sv). De bepalingen inzake het onderzoek door de rechtbank ter terechtzitting zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat dit kan worden voorafgegaan door een schriftelijke voorbereiding. Voorts kan de zaak worden geschorst opdat een (nader) strafrechtelijk financieel onderzoek kan worden verricht (art. 511d Sv). Tevens wordt overeenkomstig de vierde titel van het Tweede Boek Sv beraadslaagd over de vraag of de in art. 36e Sr bedoelde maatregel moet worden opgelegd en zo ja, op welk bedrag de omvang van het wederrechtelijk verkregen voordeel is te schatten, waarbij geldt dat de rechtbank, in geval onder de beraadslaging blijkt dat het onderzoek ter terechtzitting niet volledig is geweest, een (nader) strafrechtelijk financieel onderzoek door de officier van justitie kan doen plaats vinden. In dat geval wordt gehandeld als ware het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst (art. 511e Sv).
De rechter kan de schatting van het op geld waardeerbare voordeel als bedoeld in art. 36e Sr slechts ontlenen aan de inhoud van wettige bewijsmiddelen, zo volgt uit art. 511f Sv. Dit werpt de vraag op of de gewone bewijsregels uit het strafrecht ten volle gelden ter zake van de voordeelontneming. Onderscheid moet worden gemaakt tussen de bewijsvoering, de bewijsmiddelen en de bewijskracht van de bewijsmiddelen.8 Inzake de bewijsvoering zijn dezelfde regels van toepassing als de regels die gelden op de terechtzitting van de strafzaak nu de eerste afdeling van titel VI van het Tweede Boek Sv van overeenkomstige toepassing is (art. 511d Sv). Hoewel de rechter ingevolge art. 511f Sv ook ter zake van de schatting van het op geld waardeerbare voordeel dient aan te knopen bij de wettige bewijsmiddelen, zijn de bijzondere bewijsregels ter zake van de bewijskracht niet van toepassing op de schatting.9 Zo kan de schatting bijvoorbeeld wel worden gebaseerd op de verklaring van de veroordeelde.10 Verder is aan de voordeelontneming inherent dat het een schatting betreft, zo volgt reeds uit de tekst van art. 36e Sr. Voorts bevat het derde lid het criterium dat 'aannemelijk' is dat het desbetreffende feit of andere strafbare feiten er op enigerlei wijze toe hebben geleid dat de veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.