Einde inhoudsopgave
De reikwijdte van medezeggenschap (MSR nr. 63) 2014/2.3.5
2.3.5 De or en art. 2:8 BW
Datum 01-01-2014
- Datum
01-01-2014
- JCDI
JCDI:ADS386092:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II, 17725, nr. 1-3, p. 56 en nr. 7, p. 15.
Huizink, GS rechtspersonen, art. 2:8 aantekening 6 en in zijn navolging. M.L. Lennarts, T&C Ondernemingsrecht Effectenrecht, art. 8 BW aant. 2, P. van Schilfgaarde, J.W. Winter, J.B. Wezeman, Van de BV en de NV, Deventer: Kluwer 2013, p. 271. M.G. Rood, ‘Artt. 12 en 35a lid 1 onder g WOR. Goede trouw tussen ondernemer en de OR’, TVVS 1988, p. 54, H.PJ. Ophof, ‘Reactie op ‘Artikel 2:8 BW binnen faillissement’, TVVS 1993-5, p. 138.
J.M. de Jongh, ‘Redelijkheid en billijkheid en het evenredigheidsbeginsel, in het bijzonder in de verhouding van aandeelhouders tot het bestuur’, Ondernemingsrecht 2011,124.
Rechtbank Rotterdam 4 november 2011, JAR 1994/248, Ondernemingskamer 26 november 1987, NJ 1989, 271, ROR 1987/32 (IKON) m.nt. Van der Heijden.
Zie zijn annotatie bij de hierboven aangehaalde IKON-beschikking, ROR 1987/32.
C. de Groot, ‘Enkele aspecten van het adviesrecht van een ondernemingsraad die is ingesteld door een (concernverbonden) rechtspersoon’, SMA 1991-12, p. 746.
Zie zijn annotatie bij ROR 1987/32.
Vgl: J.M.M. van Mierlo, Medezeggenschap en de spanning tussen WOR en ondernemingsrecht, Deventer: Kluwer 2013, p. 95-98. Overigens heeft de Ondernemingskamer ook buiten Boek 2 BW aangenomen dat het handelen van de or – in casu het weigeren om advies te geven – in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Ondernemingskamer 8 januari 2008, JAR 2008/51.
Ook zonder dat de or te beschouwen is als een orgaan van de rechtspersoon kan hij onder de werkingssfeer van art. 2:8 BW vallen. Dit artikel bepaalt dat de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken zich jegens elkaar moeten gedragen overeenkomstig de redelijkheid en billijkheid. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat hiermee voor een ruime kring van personen is gekozen.1 De heersende leer is dat de or een van deze betrokkenen is. Zo zijn Huizink, Lennarts, Rood, Van Schilfgaarde, Winter en Wezeman en Ophof van mening dat de or onder de reikwijdte van art. 2:8 BW valt.2. De Jongh heeft enige aarzeling om de or in zijn algemeenheid als institutioneel betrokkene aan te merken, maar zijns inziens volgt uit de vervlechting van vennootschaps- en ondernemingsrecht dat de institutioneel betrokkenen niet geheel voorbij kunnen gaan aan de belangen van werknemers.3
Ook uit jurisprudentie van de Rechtbank Rotterdam en de Ondernemingskamer volgt dat de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW de relatie tussen ondernemer (bestuur) en or beheerst.4 De Ondernemingskamer overwoog dat een beroep van de ondernemer op het verlopen van de opschortingstermijn in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Maeijer vindt dit een zwakke redenering. Ondernemer en or moeten zich naar zijn mening jegens elkaar gedragen overeenkomstig de redelijkheid en billijkheid, maar dit is niet uit het toenmalige art. 2:7 BW af te leiden.5 De Groot stelt dat een beroep op art. 2:7 BW (nu 2:8 BW) niet nodig is om te bereiken dat ondernemer en or zich overeenkomstig de redelijkheid en billijkheid jegens elkaar gedragen. Hij vraagt zich af of het wenselijk is de verhouding tussen or en ondernemer op art. 2:7 BW te baseren, omdat dan ook de regeling omtrent nietigheid en vernietigbaarheid van besluiten van toepassing is, terwijl dat niet het geval is voor ondernemingsraden die zijn ingesteld bij natuurlijke personen.6 Van der Heijden onderschrijft juist het standpunt van de Ondernemingskamer.7 Ik sluit mij daarbij aan. De WOR kent geen specifieke bepaling inzake de redelijkheid en billijkheid, en art. 2:8 BW spreekt uitdrukkelijk over bij de rechtspersoon betrokkenen. Gezien de eerder genoemde rol die de or toekomt op grond van Boek 2 BW kan mijns inziens niet worden volgehouden dat de or niet onder de reikwijdte van art. 2:8 BW valt. Wel moet mijns inziens terughoudend worden omgegaan met een toetsing aan de redelijkheid en billijkheid bij de uitoefening van WOR-bevoegdheden. Alleen indien de WOR iets niet regelt, is een beroep op het meer algemene art. 2:8 BW gerechtvaardigd. Het moet uiteraard wel altijd gaan om een aangelegenheid in het kader van de vennootschapsrechtelijke besluitvorming, bijvoorbeeld omdat het een besluit is dat wordt genomen door het bestuur van de vennootschap.8