De woon- en vestigingsplaats in de BTW
Einde inhoudsopgave
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/9.3.4:9.3.4 Het recht op aftrek van voorbelasting en art. 192bis btw-richtlijn
Archief
De woon- en vestigingsplaats in de BTW (FM nr. 137) 2011/9.3.4
9.3.4 Het recht op aftrek van voorbelasting en art. 192bis btw-richtlijn
Documentgegevens:
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx, datum 10-05-2011
- Datum
10-05-2011
- Auteur
Mr. dr. M.M.W.D. Merkx
- JCDI
JCDI:ADS392821:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting (V)
Omzetbelasting / Algemeen
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Internationaal belastingrecht / Voorkoming van dubbele belasting
Omzetbelasting / Plaats van levering en dienst
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In paragraaf 7.5 is ingegaan op de toepassing van art. 192bis btw-richtlijn (tekst vanaf 2010). Deze bepaling zorgt ervoor dat als een vaste inrichting betrokken is bij een dienst die is belast in het land waar deze vaste inrichting zich bevindt de verleggingsregeling niet van toepassing is ook al is het niet deze vaste inrichting die de dienst verricht. In paragraaf 7.5 heb ik geconcludeerd dat van een betrokkenheid in de zin van art. 192bis btw-richtlijn (tekst vanaf 2010) al snel sprake is. De bepaling dient mijns inziens het belang van de afnemer die niet altijd op de hoogte is van het antwoord op de vraag welke vestiging de dienst nu feitelijk aan hem verricht. Van betrokkenheid in de zin van art. 192bis btw-richtlijn (tekst vanaf 2010) is mijns inziens alleen sprake wanneer dit voor de afnemer kenbaar is. Wanneer art. 192bis btw-richtlijn (tekst vanaf 2010) in werking treedt zal een andere vestiging dan de vestiging die de dienst verricht, deze dienst moeten opnemen in zijn btw-aangifte (zie paragraaf 7.5). Deze vestiging zal de dienst in beginsel niet in zijn administratie hebben opgenomen. Op grond van art. 52 AWR is de vestiging indien de dienst belast is in Nederland wel verplicht om gegevens in haar administratie op te nemen die van belang zijn voor de heffing over deze dienst. Voor het recht op aftrek moet de vergoeding die wordt ontvangen voor deze dienst naar mijn mening als omzet worden gezien van de vestiging die de dienst heeft verricht. Het is immers deze vestiging die de dienst verricht en de daarbij door hem aangeschafte goederen en diensten gebruikt en niet de vestiging die op grond van art. 192 bis btw-richtlijn is betrokken. Hiertegen bestaat praktisch geen bezwaar, omdat de dienst zal zijn opgenomen in de boekhouding van de vestiging die de dienst verricht. Voor het aftrekrecht is op grond van art. 169, onderdeel a, btw-richtlijn bepalend of de prestaties in het land van de vestiging die de dienst verricht, belast of vrijgesteld zijn. Hoewel ook de ‘betrokken’ vaste inrichting kosten heeft gemaakt en deze kosten te relateren kunnen zijn aan zijn ‘betrokken’ activiteiten, zullen voor het aftrekrecht op deze kosten in principe alleen zijn eigen prestaties bepalend zijn. Berekent de vaste inrichting een vergoeding voor de ‘betrokkenheid’ aan de vaste inrichting die de dienst daadwerkelijk heeft verricht dan zijn de hiervoor in paragraaf 9.3.3 beschreven regels voor het aftrekrecht van toepassing op de door de ‘betrokken’ vaste inrichting gemaakte kosten.