Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/7.4.2
7.4.2 Vererving en posthume handhaving
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS468807:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook Darras 1887, p. 578. Ook de negentiende-eeuwse bilaterale auteursrechtverdragen lieten de vererving van het auteursrecht gewoonlijk ongemoeid. Een uitzondering is het Frans-Spaanse verdrag van 16 juni 1880 dat in art. 1 bepaalde: 'Ces droits seront garantis aux auteurs des deux pays pendant toute leur vie et, après leur décès, pendant cinquante ans, aux héritiers, donataires, légataires, cessionaires ou á tous ayants droit conformément á la législation du pays du défunt.', zie Recueil des conventions (propriété littéraire) 1904, p. 221.
Caveat: het volgrecht (art. 14ter) en de morele rechten (art. 6bis) vormen hierop een uitzondering: zij kunnen, maar hoeven niet, vatbaar voor vererving te zijn. Dit komt in de onderhavige paragraaf aan de orde.
Anders De Boer 1977, p. 692, die stelt dat de lex loci protectionis bepaalt of en in hoeverre het auteursrecht vatbaar is voor vererving.
Zie Actes BC 1885, p. 42 (Rapport de la Commission). Zie verder alinea 1050 hiervoor.
Zie ook Dambach 1883, p. 9; Röthlisberger 1906, p. 86. Sommigen leiden de vatbaarheid voor vererving af uit de beschermingsduur, die het leven van de auteur en vijftig jaren na zijn dood omvat. Daargelaten de vraag wat dan gold voordat de posthume bescherming in de conventie werd opgenomen (in 1908) en verplicht werd gesteld (in 1948), is de redenering m.i. onjuist. Zij luidt: omdat het auteursrecht na de dood van de auteur voort-bestaat, moet het vererfbaar zijn (in deze zin onder meer Fromm 1966, p. 1244; Van Eechoud 2003, p. 111). Non sequitur: posthume bescherming kan immers ook anders dan door vererving gestalte krijgen. Denkbaar is dat het auteursrecht niet veterft, maar na de dood van de auteur toekomt aan de staat of aan een instelling die waakt over het culturele erfgoed — een oplossing die de conventie zelf noemt in art. 6bis en art. 14ter. Dat de conventie het auteursrecht vetedbaar acht, laat zich daarentegen als voormeld wel afleiden uit art. 2 van de conventie van 1886. Dat neemt overigens niet weg dat de Unielanden in die tijd nog de vrijheid hadden om het auteursrecht te laten eindigen op het tijdstip van de dood van de auteur. V(4(Abaarheid was dan niet aan de orde. Toen posthume bescherming in Brusselse versie verplicht werd gesteld, kwam dat anders te liggen. Het recht moest nog vijftig jaar na de dood van de auteur voortbestaan en daarmee was de verplichte vererfbaarheid voor alle landen van de Unie een gegeven.
Over de (on)vervreemdbaarheid van morele rechten, zie ook noot 118 van dit hoofdstuk 7.
In de Nederlandse vertaling: 'De krachtens het eerste lid hierboven aan de auteur toegekende rechten worden na zijn dood gehandhaafd ten minste tot het vervallen van de vermogensrechten, en uitgeoefend door de daartoe door de nationale wetgeving van het land waar de bescherming wordt ingeroepen bevoegd verklaarde personen of instellingen?'
Zo stellen bijvoorbeeld Gerbrandy 1988, p. 306, en Van Isacker 1961, p. 181, dat morele rechten niet kunnen vererven.
Men zag hier van af 'étant donné la différence de vues encore existante (...) pour ce qui trait soit á la détermination de la personne ou de l'organe qui aurait le droit, ou l'obligation de füre valoir cette protection, soit aux moyens par lesquels ou aux conditions dans lesquelles cette protection doit être réalisée.', zie Actes BC 1928, p. 202 (Rapport général). De Romeinse conferentie liet het bij de wens tot regeling, zie Actes BC 1928, p. 349 (Vceu I).
Actes BC 1928, p. 179 (voorstel Italië); Actes BC 1948, p. 185 (voorstel België en Bureau). Opmerkelijk was de oplossing die de Italiaanse gastheren van de conferentie in dit verband voorstelden: zij kozen voor een lex originis-conflictregel ('Après la mort de l'auteur ces droits seront exercés par les personnes ou organes désignés par la législation du Pays d'origine de l'ceuvre.'), zie Actes BC 1928, p. 173 en p. 179 (voorstel Italië).
Actes BC 1948, p. 185 (voorstel België en Bureau).
Consequentie van de gekozen oplossing is dat de morele rechten in de verschillende Unielanden door verschillende personen en/of instellingen worden gehandhaafd — dat kan onhandig zijn, maar dat is nu eenmaal het gevolg van deze compromis-oplossing.
Tegelijk werd voor met name de common law-landen een ontsnappingsclausule opgenomen in de tweede volzin van art. 6bis lid 2, zie Desbois, Frangon & Kerever 1976, p. 209 e.v. Nederland valt niet onder deze uitzonderingsbepaling, omdat zijn wetgeving op het tijdstip van de bekrachtiging door Nederland van (het desbetreffende deel van) de Parijse Akte op 24 oktober 1985 (Trb. 1985, 151) in art. 25 Auteurswet bepalingen bevatte die na de dood van de auteur de bescherming verzekeren van alle krachtens art. 6bis lid 1 toegekende morele rechten. Dat de wet in dit verband enkele formaliteiten stelt, doet daaraan m.i. niet af.
Er is in Nederland weinig rechtspraak in dit verband. Een bekende uitspraak is Pres. Rb. Amsterdam 24 februari 1992, BIE 1994, nr. 83 CO Fortuna'), waarin art. 6bis lid 2 BC evenwel over het hoofd lijkt te zijn gezien. Het ging in deze zaak onder meer om de handhaving in Nederland van morele rechten van de Duitse componist Carl Orff. De vraag rees of zijn uitgever deze rechten kon inroepen. De president in kort geding stelde vast dat 'de' morele rechten van Orff naar Duits recht bij versterf aan zijn weduwe waren toegevallen en vervolgens naar Duits recht waren overgedragen aan de uitgever. Voor de vraag welke vormvereisten voor deze overdracht in acht moeten worden genomen, wendde de president zich vervolgens tot de lex loci actus. Dat was Duits recht, zodat — zo lijkt de gedachteganggang te zijn geweest — art. 25 Auteurswet niet aan de orde is. Naar Duits recht was de overdracht kennelijk formeel geldig, zodat de uitgever de morele rechten kon inroepen. Het moge duidelijk zijn dat hier de plank in verschillende opzichten is misgeslagen. Daargelaten dat morele rechten onder de vigeur van de conventie onvervreemdbaar zijn, schuilt de kernfout in de miskenning van art. 6bis lid 2 BC. Immers, volgens dit artikel bepaalt Nederlands recht wie in Nederland de morele rechten post mor-tem auctoris kan handhaven. Dat is degene die daartoe door de auteur is aangewezen (art. 25 lid 2 Auteurswet). De relevante vraag was dus of Orff zijn echtgenote of zijn uitgever had aangewezen voor de handhaving van zijn morele rechten in Nederland, bij gebreke waarvan deze rechten — voor wat betreft Nederland— bij zijn overlijden waren vervallen (behoudens interventie door het formaliteitenverbod, zie alinea 1064 hierna). Zie ook Visser 1993, p. 170-171. Ook in Hof Den Haag 11 september 2003, AMI 2004, nr. 6 m.nt. Van Eechoud (Raedecker/NCC) lijkt art. 6bis lid 2 over het hoofd te zijn gezien. Het hof kwam wel tot de — in de desbetreffende zaak — juiste slotsom dat het Nederlandse art. 25 lid 2 Auteurswet van toepassing is, maar schraagde dat oordeel ten onrechte op art. 6bis lid 4 (waarmee lid 3 bedoeld zal zijn) in plaats van op art. 6bis lid 2 (r.o. 10).
Zie par. 5.3.
Niettemin is denkbaar dat de lex loci protectionis in dit verband zelf nadere aanwijzingen geeft (vgl. het Franse art. L.121 Code de la propriété intellectuelle); die prevaleren dan. De posthume handhaving is immers primair in handen van de lex loci protectionis gelegd.
Zie ook Ulmer 1977, p. 500-501.
Gerbrandy 1988, p. 306; Spoor, Verkade & Visser 2005, p. 363 e.v.
Deze regeling is in 1973 in werking getreden ter implementatie van (de Brusselse versie van) art. 6bis lid 2 BC (Stb. 1972, 579 en 722). Hiermee gaf de wetgever invulling aan de vraag wie bevoegd zijn om de morele rechten na de dood van de auteur uit te oefenen (zie Kamerstukken II 1964/65, 7877, nr. 3, p. 9 e.v.). Terzijde: aanwijzing kan ook bij codicil geschieden, zie art. 4:97 onder c BW.
Het verval van de morele rechten in het geval dat er geen aanwijzing heeft plaatsgevonden, komt uit de koker van het parlement (amendement mejuffrouw Haars c.s., Kamerstukken II 1971/72, 7877, nr. 34). Volgens Cohen Jehoram 1998, p. 62-63 (die zich overigens een voorstander van de regeling betoont), was het gevoelen in de Tweede Kamer dat dergelijke aanwijzingen zelden zouden voorkomen, zodat aldus de posthume bescherming van morele rechten feitelijk illusoir kon worden gemaakt. Internationaal gezien neemt Nederland daarmee een uitzonderingspositie in.
Het gaat niet alleen om het vormvoorschrift dat de aanwijzing bij testament of codicil moet plaatsvinden — de verplichte aanwijzing is op zichzelf ook reeds een formaliteit.
Zie Visser 1993, p. 171. Zo ook Van Eechoud 2003, p. 115, noot 329; Van Engelen 2007, p. 114-115.
Het formaliteitenverbod komt in dit verband pas in beeld onder de vigeur van de Parijse versie van art. 6bis, die voor Nederland op 30 januari 1986 in werking trad (Db. 1985, 151). De Brusselse versie verplichtte immers niet tot posthume handhaving van de morele rechten.
Zie par. 3.3, alsmede alinea's 775 e.v. hiervoor. Zou de Nederlandse wetgever zich dit destijds hebben gerealiseerd?
Zie ook par. 6.3.4.
Het voorstel van België en het Bureau van de Berner Unie ging uit van gewone vererving van het volgrecht (Actes BC 1948, p. 362-364). Dat werd niet overgenomen, want de uiteindelijke bepaling sprak over 'de door de nationale wetgeving aangewezen personen of instellingen.' Een en ander wordt niet verklaard in de travaux préparatoires. Door de lex loci protectionis ook zeggenschap te geven over de post mortem auctoris-bescherming hoopten de verdragsopstellers ongetwijfeld eventuele bezwaren tegen de introductie van het volgrecht in de Unielanden vóór te zijn.
Zo ook Ulmer 1977, p. 500; De Boer 1977, p. 709; Katzenberger 1983, p. 160; Kreuzer 1998, p. 2291. De verwijzing naar de 'nationale wetgeving' heeft aanleiding gegeven tot meningsverschillen. Zo stellen enkele auteurs dat hier sprake is van een verwijzing naar de lex auctoris, de nationale wet van de overleden auteur (Troller 1952, p. 159; Drobnig 1976, p. 199). Deze stelling lijkt te berusten op een misverstand, dat is ontmaskerd door Ulmer 1977, p. 500 (zie ook De Boer 1977, p. 709, noot 85). Enkele andere auteurs stellen dat de bepaling louter de regelingsvrijheid van de nationale wetgever uitspreekt, en niet ook conflictenrechtelijke betekenis heeft (zo bijvoorbeeld Walter 1973, p. 116, noot 7; Locher 1993, p. 98, noot 9; Schneider-Brodtmann 1996, p. 125). Regelingsvrijheid houdt in dat de nationale wetgever het volgrecht, in tegenstelling tot de overige exploitatierechten, niet vererfbaar behoeft te stellen; hij mag bijvoorbeeld ook een (overheids)instelling aanwijzen. Een samengaan van deze regelingsvrijheid met conflictenrechtelijke vrijheid kan echter niet door de verdragsopstellers zijn beoogd. In de delicate kwestie van posthume bescherming was immers — net als bij de morele rechten — volstrekte autonomie binnen de eigen landsgrenzen de enige oplossing die voor allen aanvaardbaar was. Ieder land kiest zijn eigen oplossing, die binnen de landsgrenzen exclusief van toepassing is (materiële territorialiteit). Buitenlandse oplossingen blijven buiten de deur. En daarmee is conflictenrechtelijke vrijheid uitgesloten. Want stel dat een Unieland de regelingsvrijheid aangrijpt om een overheidsinstelling aan te wijzen en de conflictenrechtelijke vrijheid invult met een lex auctoris-verwijzing. Dan zal de nationale rechter oordelen dat de overheidsinstelling van dit land in alle Unielanden het volgrecht van overleden onderdanen geniet. Dat was stellig niet de bedoeling van de verdragsopstellers. Een samengaan van regelings- en conflictenrechtelijke vrijheid leidt er toe dat, afhankelijk van de aangezochte rechter, het volgrecht in één en hetzelfde land aan verschillende personen of instellingen toekomt — dat was een onaanvaardbaar resultaat. Gegeven de te overbruggen patstelling, volstond daarom alleen toepasselijkheid van de lex loci protectionis.
Zie alinea's 1061 e.v. hiervoor; zie ook Ulmer 1977, p. 500. Terzijde: de Unielanden zijn vrij om de mate van volgrecht-bescherming te bepalen (zie alinea 891 hiervoor); dat geldt ook voor de duur van het volgrecht. Denkbaar is dus bijvoorbeeld dat het volgrecht zo is vormgegeven dat het vervalt bij de dood van de auteur; vragen rond post mortem auctoris-handhaving spelen dan niet.
Bij de morele rechten komt dit het duidelijkst uit de verf van de travaux préparatoires. De onvervreemdbaarheid van de morele rechten en het volgrecht zal hebben bijgedragen aan de controverse. Omdat zij niet kunnen worden overgedragen, betekent posthume bescherming immers dat de exploitatie van het werk (de uitoefening van de exploitatierechten) door een exploitatierechten-rechthebbende ook na de dood van de auteur nog in de wielen kan worden gereden.
Zie ook par. 5.3.2 onder (b)(iv).
Zie alinea 1053 hiervoor.
1054. Vererving buiten beginsel van nationale behandeling. Net als de exploitatie valt ook de vererving van intellectuele-eigendomsrechten buiten de reikwijdte van het beginsel van nationale behandeling van de Berner Conventie en het Verdrag van Parijs. Ook de vererving betreft immers niet de bescherming van deze rechten. Dit betekent dat het non-discriminatiebeginsel van de verdragen hier niet van toepassing is, en dat het aan het conflictenrecht van de Unielanden is overgelaten om te bepalen welk recht van toepassing is op de verschillende vragen rond de vererving van een intellectuele-eigendomsrecht.1
1055. Het Verdrag van Parijs zwijgt in het geheel over vererving, de Berner Conventie echter niet.
1056. Berner Conventie: vererfbaarheid. In de eerste plaats laat zich uit de Berner Conventie afleiden dat onder haar vigeur het auteursrecht, althans de exploitatierechten, voor vererving vatbaar moet zijn.2Net als de vatbaarheid voor overdracht, laat ook de vatbaarheid voor vererving zich afleiden uit artikel 2 lid 6 van de huidige conventie alsmede uit artikel 2 van de Berner Conventie van 1886.3 Onder de in laatstgenoemde bepaling gebruikte term "ayants cause" moeten immers ook de rechtsopvolgers onder algemene titel worden begrepen, zo melden de travaux préparatoires uitdrukkelijk.4 Aldus verankerde de conventie de communis opinio van die tijd dat het auteursrecht vatbaar voor vererving is.5
1057. Berner Conventie: posthume bescherming onvervreemdbare rechten. In de tweede plaats regeert de Berner Conventie in twee gevallen over het graf van de auteur heen. Het gaat om de twee onvervreemdbare rechten in de conventie, te weten de morele rechten (artikel 6bis) en het volgrecht (artikel 14ter).6
1058. Morele rechten. Ten aanzien van de morele rechten bepaalt de conventie in artikel 6bis lid 2, eerste volzin, dat de nationale wetgeving van het land waar de bescherming wordt ingeroepen, bepaalt welke personen of instellingen bevoegd zijn deze rechten uit te oefenen na de dood van de auteur:
"Les droits reconnus à l'auteur en vertu de l'alinéa 1) ci-dessus sont, après sa mort, maintenus au moins jusqu'à l'extinction des droits patrimoniaux et exercés par les personnes ou institutions auxquelles la législation nationale du pays ou la protection est réclamée donne qualité. ..)."7
1059. Behoedzaam spreekt de bepaling niet over vererving van rechten, maar over de (bevoegdheid tot) uitoefening van rechten na de dood van de auteur. Zo vermijdt zij diplomatiek de dogmatische vraag of dergelijke persoonlijke rechten berhaupt kunnen worden vererfd, of dat alleen sprake kan zijn van handhaving in naam van de auteur.8
1060. De achtergrond van de bepaling is deze. De morele rechten verwierven zich een plaats in de conventie tijdens de Romeinse conferentie in 1928. Deze conferentie richtte zich op de bescherming van de morele rechten tijdens het leven van de auteur, en liet de vraag naar de handhaving van deze rechten na de dood van de auteur geheel onbeantwoord. De meningsverschillen bleken op dat punt namelijk onoverbrugbaar.9 Een van de strijdpunten betrof de vraag wie zich na de dood van de auteur op het recht kan beroepen. In sommige landen waren dat de erfgenamen, in andere landen waren dat instellingen zoals academies.10 Tijdens de Brusselse conferentie van 1948 kwam 'post mortem auctoris'-handhaving van morele rechten een stap dichterbij. De conferentie kwam weliswaar niet tot een verplichting, maar uit de Brusselse bepaling sprak duidelijk de wenselijkheid van handhaving van de morele rechten na de dood van de auteur tenminste tot het vervallen van de exploitatierechten. Daarmee drong zich wederom de omstreden vraag op wie zich na de dood van de auteur op het recht kan beroepen — "question fort discutée."11 De Brusselse verdragsopstellers overbrugden de patstelling door ieder zijn zin te geven: zij delegeerden deze vraag aan de wet van het land waar de bescherming wordt ingeroepen, en die oplossing is aan de huidige conventie doorgegeven.12 Daarbij is zij in de huidige conventie verder geëvolueerd; zo werd de posthume handhaving van morele rechten in beginsel verplicht.13
1061. Artikel 6bis lid 2 bevat dus een conflictregel die voorschrijft dat de nationale wetgeving van het land waar de bescherming wordt ingeroepen van toepassing is op vraag wie na de dood van de auteur de morele rechten uitoefent.14
1062. Met de referte aan "de nationale wetgeving van het land waar de bescherming wordt ingeroepen" hebben de Brusselse verdragsopstellers aansluiting gezocht bij de algemene conflictregel van de Berner Conventie, de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling. Waar wij deze algemene conflictregel hebben geconverteerd in een lex loci protectionis-verwijzing15, zal ook de referte in artikel 6bis lid 2 aan de "nationale wetgeving van het land waar de bescherming wordt ingeroepen", mogen worden geconverteerd en opgevat als een verwijzing naar de lex loci protectionis.
1063. Volgens de conflictregel in artikel 6bis lid 2 bepaalt de lex loci protectionis dus in de eerste plaats of de morele rechten voor vererving vatbaar zijn. Acht zij hen voor vererving vatbaar, dan kunnen vragen van erfrecht rijzen. Die vragen vallen in beginsel buiten het bereik van artikel 6bis lid 2, zodat hier de toepassing van het conflictenrecht van de geadieerde rechter in beeld komt.16 Zo zal de vraag wie als erfgenaam verkrijgt, worden beantwoord door het (door het conflictenrecht van de geadieerde rechter aan te wijzen) erfstatuut.17 Acht de lex loci protectionis de morele rechten echter niet voor vererving vatbaar, dan zal zij moeten bepalen wie bevoegd is deze rechten uit te oefenen na de dood van de auteur. Dat kan een instelling zijn, die waakt over het culturele erfgoed, maar dat kunnen ook de naaste verwanten of de erfgenamen zijn. Zij verkrijgen dan niet — zoals bij vererving—de rechten, maar alleen de bevoegdheid tot handhaving ervan. Ook hier zal vervolgens doorgaans het erfstatuut worden ingezet om te bepalen wie als erfgenaam moet worden aangemerkt.
1064. De Nederlandse wet kent geen vererving van morele rechten.18 In artikel 25 lid 2 en 4 Auteurswet wordt bepaald dat de morele rechten na het overlijden van de auteur toekomen aan de door de auteur bij uiterste wilsbeschikking aangewezene; heeft de auteur nagelaten een dergelijke hoeder van de morele rechten aan te wijzen, dan vervallen deze rechten bij zijn dood.19 In de praktijk wordt dit obscure aanwijzingsvereiste natuurlijk vrijwel altijd over het hoofd gezien — dat lijkt ook de bedoeling van de wetgever te zijn geweest.20 Hoe dan ook, de Nederlandse wet stelt aldus, op straffe van verval van het recht, een formaliteit aan (de voortduring van) de bescherming van de morele rechten na de dood van de auteur: de auteur moet immers iemand aanwijzen. Dat is een formaliteit.21 En die formaliteit is verboden op grond van artikel 5 lid 2.22 Wanneer dus posthume bescherming voor Nederland wordt ingeroepen moet, onder de vigeur van de Parijse Berner Conventie, dit aanwijzingsvereiste op grond van het formaliteiten-verbod van artikel 5 lid 2 buiten toepassing blijven ten aanzien van werken die buiten Nederland zijn ontsprongen.23 Ten aanzien van werken van Nederlandse bodem geldt het aanwijzingsvereiste wel (artikel 5 lid 3).24
1065. Volgrecht. Het tweede geval waarin de Berner Conventie over het graf van de auteur heen regeert, betreft het volgrecht in artikel 14ter lid 1.25 Na de dood van de auteur wordt het volgrecht genoten door "les personnes ou institutions auxquelles la législation nationale donne qualité", zo schrijft deze bepaling voor. Deze bepaling is tijdens dezelfde, Brusselse conferentie in 1948 ontworpen als het zojuist besproken artikel 6bis lid 2. Net als bij de morele rechten, zagen de Brusselse verdragsopstellers ook bij dit onvervreemdbare recht aanleiding om de posthume bescherming in handen van de lex loci protectionis te leggen. Gewone vererving lag ook hier kennelijk gevoelig.26 De verdragsopstellers hakten de knoop door met het bijltje, waarmee zij tijdens dezelfde conferentie ook hakten in de morele rechten: ieder kreeg zijn zin door invoering van een conflictregel die terzake de lex loci protectionis toepasselijk verklaart. Onder de "nationale wetgeving" moet dus de lex loci protectionis worden verstaan.27 De werking van de postmortale regeling in artikel 14ter lid 1 is gelijk aan die van artikel 6bis lid 2.28
1066. Synthese Berner Conventie. Tezamen genomen: wat betreft de vererving van het auteursrecht postuleert de Berner Conventie de vererfbaarheid van het auteursrecht, en laat zij de Unielanden in conflictenrechtelijk opzicht verder vrij. Bij de morele rechten en het volgrecht is het andersom: geen verplichte vererfbaarheid, maar wel conflictregels terzake van de vraag wie bevoegd is deze rechten na de dood van de auteur uit te oefenen. Waarom? De reden is dat niet alleen het principe van posthume bescherming van de morele rechten en het volgrecht omstreden was, maar ook de vormgeving ervan: vererfbaarheid was geen vanzelfsprekend gegeven.29 Wilden de verdragsopstellers de patstelling doorbreken en posthume bescherming van deze rechten in de conventie realiseren, dan moesten zij het vererfbaarheidpostulaat hier loslaten. Op dit punt kregen de Unielanden dus de vrijheid. Maar om te zorgen dat voor ieder land alleen de eigen oplossing geldt, moesten de verdragsopstellers de conflictenrechtelijke vrijheid tegelijk aan banden leggen. Dat verklaart waarom de conventie voor deze rechten wél een postmortale conflictregel heeft gecreëerd en waarom dat de lex loci protectionis-verwijzing is. Dit was de prijs die voor deze controversiële posthume bescherming moest worden betaald.
1067. Strikt genomen hebben deze conflictregels geen betrekking op de 'bescherming', zoals gedefinieerd in par. 7.1, van de morele rechten respectievelijk het volgrecht; zij hebben daarentegen betrekking op de vraag wie bevoegd is deze rechten uit te oefenen na de dood van de auteur. Aldus bezien zijn zij dus geen dépegerende uitzonderingen op de conflictregel in het beginsel van nationale behandeling, maar aanvullende conflictregels.30 Daar moet bij worden aangetekend dat zij natuurlijk wel zeer nauw samenhangen met de (posthume) bescherming van de desbetreffende rechten.
1068. Waar sprake is van aanvullende conflictregels, laat zich ten slotte nog de vreemdelingenrechtelijke vraag stellen die ook werd gesteld ten aanzien van de aanvullende conflictregel in artikel 14bis lid 2 onder c.31 Dus: worden de door deze aanvullende conflictregels bestreken vragen óók bestreken door het Berner non-discriminatiebeginsel, zodat vreemdelingenrechtelijke discriminatie bij de beantwoording van die vragen is verboden? Ook hier mag op grond van het feit dat de conventie regelend optreedt, worden aangenomen dat het Berner non-discriminatiebeginsel zich terzake laat gelden.