Einde inhoudsopgave
De huwelijksgemeenschap en verkrijgingen krachtens erfrechtelijke titel en gift (R&P nr. PFR10) 2024/10.3.3.4
3.3.4 Inning van een fideï-commissaire vordering en de omvang van de huwelijksgemeenschap van de bezwaarde en de verwachter
Mr. T.M. Subelack, datum 02-01-2024
- Datum
02-01-2024
- Auteur
Mr. T.M. Subelack
- JCDI
JCDI:ADS948013:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 2.4.2 van hoofdstuk 9.
Zie HR 23 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1454, NJ 1996/461 (Kas Associatie/Drying).
Vgl. R.E. Brinkman & J.H. Lieber, ‘Het fideicommis en de (vaststelling van de) omvang van het vermogen’, FTV 2019/41, onder 7, onder verwijzing naar Spath, Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010, paragraaf 6.5.2 en T.M. Subelack, ‘Vergoedingsrechten en bankrekening’, in: A. Heida e.a. (red.), EB Klassiek 2018, p. 71-89. Zie eerst nog anders Brinkman, Het fideicommis in de notariële praktijk 2014, p. 120. Zie eveneens anders, maar dan voor vruchtgebruik, S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/30 en 34, alsmede Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/298a.
Zie paragraaf 2.2.1 hiervóór.
Vgl. over deze ‘keten’ van zaaksvervanging bij vruchtgebruik S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/30; Spath, Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/15, 149 en 142-143, alsmede Van Gaalen, Vruchtgebruik (AN nr. 91) 2001/246. Zie tevens Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/298a, die ten onrechte stellen dat in geval van vruchtgebruik de vruchtgebruikgever op grond van HR 23 september 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1454, NJ 1996/461 (Kas Associatie/Drying) niet als rechthebbende van de koopsomvordering zou kunnen worden aangemerkt. Daarmee miskennen zij dat afwijzing van de directe verkrijgingsleer voor vorderingen op naam nog niet betekent dat vorderingen op naam ook niet als vervangende goederen voor de werking van zaaksvervanging zouden kunnen kwalificeren. Zie paragraaf 3.3.1 hiervóór, onder verwijzing naar Spath, Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/125-128, 208 en 209.
Vgl. (voor vruchtgebruik) S. Perrick, Zaaksvervanging 2016/30; Spath, Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/15 en 149, alsmede Van Gaalen, Vruchtgebruik (AN nr. 91) 2001/246. Zie voorts Asser/Bartels & Van Velten 5 2017/298a.
Zie daarover uitvoerig paragraaf 4 van hoofdstuk 9.
Vgl. paragraaf 4.3.2 van hoofdstuk 9.
Zie met name de paragrafen 4.3.2, 4.3.3.2 en 4.3.3.3 van hoofdstuk 8.
634. In het vorige hoofdstuk is reeds uitvoerig stilgestaan bij de regeling van zaaksvervanging in het fideï-commissaire vermogen, mede in verhouding tot de omvang van de huwelijksgemeenschap waarin de bezwaarde en de verwachter zijn gehuwd. Daarbij is evenwel geen bijzondere aandacht besteed aan de gevolgen van de girale betaling van een vordering tot voldoening van een geldsom die tot het fideï-commissaire vermogen behoort en de gevolgen daarvan voor de omvang van het fideï-commissaire vermogen en de huwelijksgemeenschap waarin de bezwaarde en verwachter zijn gehuwd. Dat komt in deze paragraaf aan de orde. Daarbij komen in ieder geval twee vragen op. De eerste vraag is of zaaksvervanging in het fideï-commissaire vermogen kan optreden als de bezwaarde de vordering via een girale betaling int en de betaling laat bijschrijven op een bankrekening die uitsluitend op zijn naam staat geregistreerd, en waar mogelijk ook andere (niet fideï-commissaire) gelden toe behoren. De tweede vraag is wat de gevolgen van deze wijze van betaling zijn voor de omvang van de gemeenschap van goederen waarin de bezwaarde en/of de verwachter zijn gehuwd. Om die tweede vraag te kunnen beantwoorden, moet eerst de eerste vraag beantwoord zijn. Luidt het antwoord op de eerste vraag ontkennend, dan wordt de verwachter immers niet van rechtswege (voorwaardelijk) rechthebbende op dat deel van het saldo van de bankrekening, en hoeft ook niet beoordeeld te worden of dat deel van het saldo wel of niet tot zijn huwelijksgemeenschap gaat behoren. Daarbij zij dan nog wel opgemerkt dat de eerste vraag alléén kan spelen wanneer het een fideï-commissaire erfstelling betreft, omdat de regeling van zaaksvervanging van artikel 3:213 lid 1 BW op grond van artikel 4:138 lid 2 BW niet geldt, althans niet met goederenrechtelijke werking, wanneer het om een tweetrapslegaat of tweetrapsschenking gaat.1 In dat geval zal dus hooguit een vergoedingsrecht van de verwachter op de bezwaarde kunnen ontstaan.
635. Net zoals bij de wettelijke gemeenschap van goederen het geval is, wordt het antwoord op de vraag of bij een girale betaling zaaksvervanging in het fideï-commissaire vermogen kan plaatsvinden niet reeds gegeven door artikel 3:276 BW, of door een verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad in zijn Kas Associatie/Drying-arrest2(zie paragraaf 3.3.1 hiervóór). In plaats daarvan geldt ook voor de fideï-commissaire erfstelling de hiervóór in paragraaf 3.3.1 reeds uitgewerkte algemene grens dat zaaksvervanging bij een girale betaling er nimmer toe kan leiden dat gelden op een bankrekening gaan toebehoren aan een rechtssubject op wiens naam die rekening niet is geregistreerd, dat rechtssubject (dus) ook niet over die gelden kan ‘beschikken’, terwijl dat deel van het saldo ook niet toebehoort aan degene op wiens naam de rekening wél is geregistreerd. Als dat wél mogelijk zou zijn, zouden de rechtszekerheid en het maatschappelijk belang op onaanvaardbare wijze in het gedrang komen. Als deze grens als uitgangspunt wordt genomen, staat er in beginsel niets aan in de weg dat wanneer de bezwaarde middels een girale betaling ten gunste van een bankrekening die louter op zijn eigen naam staat geregistreerd een vordering krijgt voldaan die tot het fideï-commissaire vermogen behoort, de vordering die alsdan door creditering jegens de bank ontstaat krachtens zaaksvervanging tot het tweetrapsvermogen gaat behoren.3 Dat dit deel van het saldo van de bankrekening daardoor (ook) voorwaardelijk aan de verwachter gaat toebehoren, doet er immers niet aan af dat dit deel óók aan de bezwaarde toebehoort, en dat die bezwaarde ten laste van dat deel van het saldo contanten opnamen kan doen en betalingsopdrachten kan verrichten. Daarmee is dus géén sprake van een situatie dat het saldo van de bankrekening toebehoort aan een ander (de verwachter) dan degene op wiens naam de bankrekening is gesteld (de bezwaarde), die ander (de verwachter) ook niet over die gelden kan ‘beschikken’ (omdat de bankrekening niet op zijn naam staat), terwijl dat deel van het saldo ook niet toebehoort aan degene op wiens naam de rekening wél is gesteld (de bezwaarde). Aldus komt het verloop van het betalingsverkeer niet op onaanvaardbare wijze in het gedrang. Dat geldt óók als het om een tweetrapserfstelling met bewaarplicht gaat. In dat geval kan de bezwaarde weliswaar alleen voorwaardelijk over het ‘fideï-commissaire deel’ van het saldo van de bankrekening beschikken, maar als hij ten laste van dat deel van het saldo een betalingsopdracht geeft, is het resultaat daarvan dat de bankrekening van de schuldeiser wordt gecrediteerd met een vordering die in de verhouding tussen die schuldeiser en zijn bank nieuw ontstaat.4 Omdat het een nieuwe vordering betreft, is deze niet onderworpen aan dezelfde voorwaarde als dat deel van het creditsaldo ten laste waarvan de bezwaarde de betaling heeft verricht. De schuldeiser krijgt dus ‘onvoorwaardelijk’ betaald. Aldus bestaat er ook vanuit dit gezichtspunt géén bezwaar tegen om zaaksvervanging bij de girale betaling van een fideï-commissaire vordering aan te nemen, óók niet wanneer die betaling plaatsvindt op een bankrekening die louter op naam van een met een bewaarplicht belaste bezwaarde staat en deze bankrekening ook andere (niet fideï-commissaire) gelden van die bezwaarde bevat.
636. Dit alles zou echter kunnen veranderen wanneer de voorwaarde intreedt die aan de erfstelling is verbonden. Het effect van dat intreden is immers dat de verwachter op dat moment onvoorwaardelijk eigenaar wordt van alle goederen die op dat moment tot het tweetrapsvermogen behoren. Bestaan er dan bankrekeningen waarvan het saldo geheel of gedeeltelijk tot het fideï-commissaire vermogen behoort, maar die enkel op naam van de bezwaarde staan, dan ontstaat er wél een situatie waarin het saldo van een bankrekening geheel of gedeeltelijk toebehoort aan een ander (de verwachter) dan degene op wiens naam die rekening is gesteld (de bezwaarde/zijn rechtsopvolgers onder algemene titel), die ander (de verwachter) ook niet over die gelden kan ‘beschikken’ (omdat de bankrekening niet op zijn naam staat), terwijl dat deel van het saldo ook niet (meer) aan degene toebehoort op wiens naam de rekening wél is gesteld (de bezwaarde/zijn rechtsopvolgers onder algemene titel). Alsdan wordt de grens van de werking van zaaksvervanging dus wél overtreden. Wat mij betreft is dat echter geen reden om zaaksvervanging bij girale betaling daarom in het geheel maar niet toe te staan. Zaaksvervanging kan gedurende het bestaan van de voorwaarde gewoon worden aangenomen, maar als de voorwaarde intreedt die aan de erfstelling is verbonden, zal een bankrekening die uitsluitend op naam van de bezwaarde staat geregistreerd en waarvan het saldo (mede) uit fideï-commissaire gelden bestaat, pas onvoorwaardelijk aan de verwachter gaan toebehoren als de tenaamstelling van die rekening is gewijzigd. Tot die tijd blijft (blijven) (de erven van) de bezwaarde rechthebbende onder ontbindende voorwaarde van het saldo op die bankrekening. Daarbij geldt dat de wijziging van de tenaamstelling slechts mogelijk zal zijn als de erven van bezwaarde daarmee instemmen. De rekening staat immers uitsluitend op naam van de bezwaarde, zodat voor wijziging van de tenaamstelling de medewerking van (de erven van) de bezwaarde is vereist. Behoren op het moment van intreden van de voorwaarde tot het creditsaldo ook nog vorderingen die niet tot het fideï-commissaire vermogen behoren, dan zijn de erven van bezwaarde gerechtigd om hun medewerking aan de wijziging van de tenaamstelling te weigeren. Het resultaat daarvan zal dan zijn dat het volledige saldo van de bankrekening onvoorwaardelijk tot de nalatenschap van bezwaarde zal gaan behoren, waarbij op de erven van de bezwaarde dan wel de verplichting komt te rusten om aan de verwachter een bedrag te voldoen gelijk aan dat deel van het saldo van de bankrekening dat tot het fideï-commissaire vermogen behoorde. Behoorden tot het saldo van de bankrekening op het moment van het intreden van de voorwaarde alleen (nog) maar fideï-commissaire gelden, dan kunnen de erven hun medewerking niet aan de wijziging van de tenaamstelling van de bankrekening onthouden, en zal het creditsaldo van de bankrekening na wijziging van de tenaamstelling onvoorwaardelijk aan de verwachter gaan toebehoren. Het voordeel van deze benadering is dat hangende de voorwaarde de keten van zaaksvervanging niet zomaar doorbroken kan worden.5 Als de bezwaarde hangende de voorwaarde bevoegdelijk een goed verkoopt dat tot het tweetrapsvermogen behoort, zal de koopsomvordering daarvoor in de plaats treden, welke koopsomvordering op grond van artikel 3:213 lid 1 BW tot het tweetrapsvermogen zal gaan behoren; die koopsomvordering kwalificeert immers als ‘hetgeen in de plaats treedt van een fideï-commissair goed waarover bevoegdelijk is beschikt’ in de zin van artikel 3:213 lid 1 BW.6 Als de bezwaarde deze vordering vervolgens middels een girale betaling int en voldoet op een bankrekening die uitsluitend op zijn naam staat geregistreerd, zal de vordering die alsdan op de bank ontstaat krachtens artikel 3:213 lid 1 BW eveneens tot het fideï-commissaire vermogen gaan behoren. En hetzelfde geldt vervolgens voor het goed waarvan de tegenprestatie daarna voor meer dan de helft ten laste van dat deel van het saldo van de bankrekening wordt gebracht. Ook dat vervangende goed zal op grond van zaaksvervanging tot het fideï-commissaire vermogen gaan behoren, en aldus (ook) door de verwachter voorwaardelijk worden verkregen.7 Bij die laatste ‘stap’ mag naar mijn mening ook hier ‘toerekening’ plaatsvinden, op dezelfde wijze zoals in de vorige paragraaf is beschreven voor de werking van zaaksvervanging bij de wettelijke gemeenschap van goederen. Gaat men van deze werking (keten) van zaaksvervanging uit, dan wordt de keten van zaaksvervanging in ieder geval niet reeds onderbroken door de enkele inning van de vordering tot betaling van de koopsom op een bankrekening die niet (mede) ten laste van de verwachter staat geregistreerd; de keten van zaaksvervanging blijft makkelijker in stand, dan wanneer men zou aannemen dat voor zaaksvervanging telkens is vereist dat de betaling op een afzonderlijke (‘kwaliteits’)bankrekening ten name van bezwaarde en verwachter moet geschieden. Aldus wordt de beschermingsgedachte achter de werking van zaaksvervanging geen onnodig geweld aangedaan.
637. Na beantwoording van deze eerste vraag kan vervolgens ook de tweede vraag worden beantwoord. Dat was de vraag wat de gevolgen zijn voor de huwelijksgemeenschap waarin de bezwaarde en de verwachter zijn gehuwd als een fideï-commissaire vordering via een girale betaling wordt geïnd. Ervan uitgaande dat zaaksvervanging óók optreedt wanneer de bezwaarde een fideï-commissaire vordering int/krijgt uitbetaald op een bankrekening die enkel op zijn naam staat geregistreerd, en die mogelijk ook andere gelden bevat, wordt ook de verwachter voorwaardelijk rechthebbende ten aanzien van dit deel van dat saldo. Daardoor dient bij zowel de bezwaarde als bij de verwachter beoordeeld te worden of dat deel van het saldo van de bankrekening wel of niet tot diens huwelijksgemeenschap gaat behoren. Voor de volledigheid zij daarbij vermeld dat dit niet geldt als de betreffende vordering direct door verrekening tenietgaat, omdat de bankrekening waar de betaling op is bijgeschreven een negatief saldo vertoonde. In dat geval zal wel een tweetrapsvergoedingsrecht van de verwachter op de bezwaarde kunnen ontstaan, afhankelijk van wat voor soort fideï-commissaire erfstelling het betreft (met of zonder verteringsbevoegdheid), en of het negatieve saldo wel of niet tot het fideï-commissaire vermogen behoorde. Deze scenario’s blijven hier verder buiten beschouwing. Hier gaat hel alleen om de gevolgen wanneer de vordering niet direct door verrekening tenietgaat. Gaat de vordering niet direct door verrekening teniet, dan zal het ‘fideï-commissaire deel’ van het saldo van de bankrekening in beginsel tot de huwelijksgemeenschap van de bezwaarde respectievelijk de verwachter gaan behoren, tenzij het fideï-commissaire vermogen buiten diens huwelijksgemeenschap viel. In dat laatste geval zal het fideï-commissaire deel van het saldo van de bankrekening op grond van artikel 1:94 lid 6 BW/artikel 1:94 lid 4 oud BW buiten de huwelijksgemeenschap van de bezwaarde en/of de verwachter vallen. Verwezen wordt naar al hetgeen daar in paragraaf 3.3.1 reeds over is opgemerkt. Aan dit alles doet aan de zijde van de verwachter dan niet af dat niet hijzelf, maar de bezwaarde tot inning van de vordering is overgegaan. Wie de vordering int, is op grond van artikel 1:94 lid 6 BW/artikel 1:94 lid 4 oud BW niet relevant. Het feit dat de verwachter de oorspronkelijke vordering verliest zónder dat hij zelf tot inning is overgegaan, draagt zelfs nog eens extra bij aan de ‘ongerechtvaardigdheid’ van de vermogensverschuiving die vervolgens dreigt op te treden. Aldus is er reden te meer om de enig eigendomspositie van de verwachter ten opzichte van zijn huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:94 lid 6 BW/artikel 1:94 lid 4 oud BW te beschermen.8 Is eenmaal vastgesteld dat het fideï-commissaire gedeelte van een bankrekening buiten de huwelijksgemeenschap van bezwaarde en/of verwachter is gevallen en wordt vervolgens een goed verworven waarvan de voldane tegenprestatie volledig of voor meer dan de helft aan dat deel van het saldo kan worden ‘toegerekend’, dan zal het vervangende goed op grond van artikel 3:213 lid 1 BW ook weer tot het fideï-commissaire vermogen gaan behoren (zie randnummer 636 hiervóór), en zal dat goed op grond van artikel 1:95 lid 1 BW ook buiten de huwelijksgemeenschap van bezwaarde en/of verwachter vallen (zie paragraaf 3.3.1 hiervóór). Voor een beschrijving van de verdere gevolgen daarvan, en alle andere mogelijke scenario’s, zij verwezen naar paragraaf 4.3 van hoofdstuk 8.9