Afscheiding van bestanddelen
Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.4.3.3:3.4.3.3 Schaap-Stafmateriaal-arrest
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/3.4.3.3
3.4.3.3 Schaap-Stafmateriaal-arrest
Documentgegevens:
mr. J.C.T.F. Lokin, datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS644877:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
HR 11 december 1953, ECLI:NL:NR:1953:185 (Schaap-Stafmateriaal).
HR in Schaap-Stafmateriaal-arrest: “(…) indien een roerende zaak met een onroerende wordt verenigd, zo dat zij tezamen tot één zaak zijn geworden, steeds de natrekking van art. 643 aanwezig is en alsdan de eigenaar van de onroerende zaak steeds eigenaar is geworden van het geheel.”
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In 1953 boog de Hoge Raad in het arrest Schaap-Stafmateriaal zich andermaal over de vraag wanneer er sprake was van bestanddeelvorming, als een roerende zaak verbonden werd met een onroerende zaak.1 Schaap had van Stafmateriaal de opdracht gekregen om een centrale verwarmingsinstallatie, een lichtinstallatie, elektrische geleidingen en (afvoerleidingen voor) closets in het fabrieksgebouw van laatstgenoemde aan te leggen. Schaap aanvaardde de opdracht en voerde deze uit. In de algemene leveringsvoorwaarden stond dat Schaap zich de eigendom van de zaken voorbehield, totdat het gehele bedrag door Stafmateriaal was voldaan. Het fabrieksgebouw werd vervolgens verhypothekeerd ten behoeve van de Herstelbank. Na het faillissement van Stafmateriaal rees de vraag of de door Schaap geïnstalleerde zaken bestanddelen waren van het gebouw en daarom ook onder het hypotheekrecht vielen. De Hoge Raad oordeelde nogmaals dat de verkeersopvatting bepalend was om vast te stellen of een onderdeel van een zaak een bestanddeel was. Het hof oordeelde dat volgens de verkeersopvatting een modern fabrieksgebouw niet af was zonder de installaties die waren aangebracht door Schaap. De toegevoegde zaken vormden tezamen dus een eenheid.
“(…) dat het Hof hieraan toevoegt, dat naar verkeersopvatting in het algemeen vaste wastafels niet worden beschouwd als een eenheid vormende met het perceel, doch dat het anders ligt in gevallen als hier, waar het een fonteinbak betreft in een W.C. (…) dat het wellicht logisch niet verantwoord is om een vaste wastafel niet als tot het onroerend goed behorende te beschouwen en de pot van een W.C. wel, aangezien immers de verbinding met het huis bij beide identiek is, maar de verkeersopvatting nu eenmaal niet altijd logisch is, doch niettemin het criterium blijft dat in rechte behoort te worden toegepast.”
Het hof gebruikte het volmaaktheidscriterium om de verkeersopvatting in te vullen, waarbij het aangaf dat de verkeersopvatting, ook al was die niet altijd logisch, bepalend was. De verkeersopvatting was dus een onvoorspelbaar criterium. Hoe het ook zij, de Hoge Raad volgde het oordeel van het hof. Daarbij viel op dat hij niet, anders dan in het hierboven aangehaalde sleepboot Egbertha-arrest, de verkeersopvatting zelf vaststelde. Sterker nog, de Hoge Raad toetste de door het hof vastgestelde verkeersopvatting niet:
“(…) dat echter het Hof, afgaande op de opvatting van het verkeer, zoals deze naar ‘s Hofs mening was [cursief JCTF], heeft beslist, dat de door Schaap teruggevorderde zaken, behoudens de hierboven vermelde uitzonderingen, wèl tot bestanddelen van het gebouw zijn geworden en niet blijkt, dat het Hof daarbij van een onjuiste opvatting der in het middel aangehaalde wetsartikelen zou zijn uitgegaan.”
Schaap stelde dat, als inderdaad de fabriek zonder de toegevoegde zaken niet af was, een nieuwe zaak was ontstaan. Schaap vond dat het hof niet duidelijk had aangegeven of er sprake was van natrekking, (oneigenlijke) vermenging of zaaksvorming. Als namelijk zaaksvorming of vermenging werd aangenomen, dan kon Schaap een beroep doen op art. 664 OBW. Dat artikel stelde dat iemand kon vorderen dat de vereniging van zaken ongedaan kon worden gemaakt, als de verenigde zaken gevoeglijk van elkaar konden worden gescheiden. De Hoge Raad wuifde dit argument weg, aangezien volgens hem van vermenging of zaaksvorming geen sprake kon zijn wanneer een roerende zaak met een onroerende werd verbonden.2