Zie over de referteverklaring de noot van de redactie bij Rb Gelderland 18 maart 2016, JGZ 2016/11: “bij meerdere rechtbanken [is] de mogelijkheid geopend dat betrokkene laat weten dat hij het eens is met de maatregel en hij niet behoeft te worden gehoord; men spreekt dan van een ‘referteverklaring’. Als een dergelijke verklaring op overtuigende wijze via de advocaat wordt uitgebracht, blijft een zitting doorgaans achterwege en wordt het verzoek terstond toegewezen. Deze faciliteit wordt veelal geboden bij een nieuwe voorwaardelijke machtiging; een enkele rechtbank hanteert het model ook bij een eerste voorwaardelijke machtiging.”Zie ook voetnoot 1 van het cassatieverzoekschrift.
HR, 28-06-2019, nr. 19/01453
ECLI:NL:HR:2019:1053
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
28-06-2019
- Zaaknummer
19/01453
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Burgerlijk procesrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2019:1053, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 28‑06‑2019; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2019:628, Gevolgd
ECLI:NL:PHR:2019:628, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 24‑05‑2019
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2019:1053, Gevolgd
- Vindplaatsen
JGz 2019/29 met annotatie van Redactie
Uitspraak 28‑06‑2019
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 19/01453
Datum 28 juni 2019
BESCHIKKING
In de zaak van
[betrokkene] ,wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. M.E. Bruning,
tegen
DE OFFICIER VAN JUSTITIE BIJ HET ARONDISSEMENTSPARKET ROTTERDAM,VERWEERDER in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/10/564740/FA RK 18-10121 van de rechtbank Rotterdam van 28 januari 2019.
Betrokkene heeft tegen die beschikking beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugverwijzing naar de rechtbank Rotterdam.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In dit geding heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht ten aanzien van betrokkene een voorwaardelijke machtiging te verlenen. Op 4 januari 2019 heeft de rechtbank aan de advocaat van betrokkene bericht dat betrokkene op 10 januari 2019 op het verzoek zal worden gehoord. Bij brief van 8 januari 2019 heeft de advocaat de rechtbank meegedeeld dat betrokkene verweer wenst te voeren tegen het verzoek, maar dat de moeder van betrokkene op sterven ligt. Zij heeft de rechtbank verzocht een nieuwe datum voor het verhoor te bepalen. Daarop heeft de rechtbank de behandeling van het verzoek aangehouden tot 8 februari 2019.
2.2
Bij de in cassatie bestreden beschikking van 28 januari 2019 heeft de rechtbank de verzochte voorwaardelijke machtiging verleend voor het tijdvak tot en met 28 juli 2019, met de voorwaarde dat betrokkene zich onder behandeling stelt van de behandelaar overeenkomstig het overgelegde behandelingsplan. In deze beschikking heeft de rechtbank onder 1.1 verwezen naar “de referteverklaring, ingekomen op 22 januari 2019”.
2.3
Op 8 februari 2019 heeft de rechtbank een zitting gehouden in aanwezigheid van betrokkene, zijn advocaat en de behandelaar. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal vermeldt:
“De rechter deelt mede dat de rechtbank een fout heeft gemaakt. Er zijn dossiers verwisseld en er is een referteverklaring in het dossier van betrokkene terecht gekomen die niet van hem afkomstig is. Dit is niet opgemerkt en op basis van deze verklaring is ten onrechte een beschikking afgegeven. De rechtbank heeft besloten de zitting door te laten gaan om hierover met elkaar van gedachten te wisselen. Voor het geval de rechtbank tot het oordeel komt dat een herstelbeschikking zal worden afgegeven wordt het verzoek inhoudelijk behandeld.”
De rechtbank heeft geen herstelbeschikking afgegeven.
3. Beoordeling van het middel
3.1.1
Onderdeel 1a van het middel klaagt dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door op grond van een referteverklaring die niet van betrokkene afkomstig was maar abusievelijk in zijn griffiedossier is opgenomen, de verzochte machtiging te verlenen zonder betrokkene te horen en hem gelegenheid tot verweer te bieden. Onderdeel 1b voegt daaraan toe dat de rechtbank haar beslissing in strijd met art. 24 Rv heeft gegrond op een stuk dat niet behoorde tot de gedingstukken.
3.1.2
De klachten slagen. Uit het proces-verbaal van de op 8 februari 2019 gehouden mondelinge behandeling blijkt dat de rechtbank de bestreden beschikking heeft gegeven in de veronderstelling dat betrokkene zich alsnog aan het verzoek van de officier van justitie had gerefereerd en dat deze veronderstelling onjuist is gebleken aangezien de desbetreffende referteverklaring niet van betrokkene afkomstig was. Als gevolg daarvan is betrokkene, in strijd met art. 14a lid 4 Wet Bopz in verbinding met art. 8 lid 1 Wet Bopz, niet op het verzoek gehoord voordat daarover werd beslist. De bestreden beschikking kan daarom niet in stand blijven. Betrokkene zal alsnog op het verzoek moeten worden gehoord.
3.2
De overige klachten van het middel behoeven geen behandeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- -
vernietigt de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 28 januari 2019;
- -
wijst het geding terug naar die rechtbank ter verdere behandeling.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, T.H. Tanja-van den Broek en C.E. du Perron, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 28 juni 2019.
Conclusie 24‑05‑2019
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 19/01453
Zitting 24 mei 2019
CONCLUSIE
F.F. Langemeijer
In de zaak
[betrokkene]
tegen
Officier van Justitie Rotterdam
In deze Bopz-zaak heeft de rechtbank als gevolg van een ‘apparaatsfout’ een voorwaardelijke machtiging verleend zonder te voldoen aan de hoorplicht.
1. Feiten en procesverloop
1.1
Bij verzoekschrift van 20 december 2018, op dezelfde datum ter griffie ingekomen, heeft de officier van justitie aan de rechtbank Rotterdam verzocht ten aanzien van verzoeker tot cassatie (geb. 1964, hierna betrokkene) een voorwaardelijke machtiging te verlenen. Bij het verzoek was een geneeskundige verklaring gevoegd van een niet bij de behandeling betrokken psychiater die betrokkene kort te voren met het oog hierop heeft onderzocht. Ook was bijgevoegd een behandelplan met een mede door betrokkene ondertekend voorwaardenplan d.d. 11 december 2018.
1.2
Naar aanleiding van dit verzoekschrift is bij brief van de griffier van 4 januari 2019 aan de advocaat van betrokkene medegedeeld dat op 10 januari 2019 een zitting zal worden gehouden. De advocaat heeft bij (fax)brief d.d. 8 januari 2019 aan de rechtbank verzocht een nieuwe zittingsdatum te bepalen. In een proces-verbaal van 10 januari 2019 is vastgelegd dat de rechtbank een nieuwe datum voor de zitting heeft bepaald op 8 februari 2019.
1.3
Bij beschikking van 28 januari 2019 heeft de rechtbank de verzochte voorwaardelijke machtiging voor het tijdvak tot en met 28 juli 2019, met de voorwaarde dat betrokkene zich onder behandeling stelt van de behandelaar overeenkomstig het overgelegde behandelingsplan. In deze beschikking heeft de rechtbank onder 1.1 verwezen naar “de referteverklaring, ingekomen op 22 januari 2019”1..
1.4
Op 8 februari 2019 heeft de rechtbank een zitting gehouden in aanwezigheid van betrokkene, zijn advocaat en de behandelaar. Het daarvan opgemaakte proces-verbaal vermeldt op blz. 1:
“De rechter deelt mede dat de rechtbank een fout heeft gemaakt. Er zijn dossiers verwisseld en er is een referteverklaring in het dossier van betrokkene terecht gekomen die niet van hem afkomstig is. Dit is niet opgemerkt en op basis van deze verklaring is ten onrechte een beschikking afgegeven. De rechtbank heeft besloten de zitting door te laten gaan om hierover met elkaar van gedachten te wisselen. Voor het geval de rechtbank tot het oordeel komt dat een herstelbeschikking zal worden afgegeven wordt het verzoek inhoudelijk behandeld.”
1.5
Na de zitting is de rechtbank niet overgegaan tot het geven van een herstelbeschikking.2.
1.6
Namens betrokkene is - tijdig - cassatieberoep ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.
2. Bespreking van het cassatiemiddel
2.1
Het middel klaagt onder 1.a dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden door op grond van een referteverklaring die niet van betrokkene afkomstig was maar abusievelijk in zijn griffiedossier is opgenomen, de verzochte machtiging te verlenen zonder eerst betrokkene te horen en hem gelegenheid tot verweer te bieden. Onder 1.b wordt toegevoegd dat de rechtbank in strijd met art. 24 Rv heeft geoordeeld op grond van een stuk dat niet behoorde tot de gedingstukken. Onder 2 bevat het middel nog een klacht over schending van art. 5 EVRM.
2.2
Op grond van art. 14a lid 4 en 14c lid 7 is de hoorplicht als bedoeld in art. 8 lid 1 Wet Bopz ook van toepassing op een verzoek tot verlening van een voorwaardelijke machtiging: de rechter dient degene die het betreft vooraf te horen. Wanneer de rechter constateert dat de betrokkene niet gehoord wenst te worden, kan de rechter beschikken op het verzoek zonder hem of haar te horen.3.
2.3
In dit geval moet op grond van de inhoud van het proces-verbaal van 8 februari 2019, hiervoor aangehaald, worden vastgesteld dat de hoorplicht door een vergissing aan de zijde van de rechtbank (een ‘apparaatsfout’ of ‘bedrijfsongeval’) niet is nageleefd. Het gevolg daarvan is dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven.4.Het middel slaagt. Hierbij verdient nog opmerking dat een ernstig processueel verzuim zoals het (abusievelijk) schenden van de hoorplicht niet een kennelijke fout is die zich leent voor eenvoudig herstel op de voet van art. 31 Rv, zoals de rechtbank blijkbaar onder ogen heeft gezien.5.Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt hier mee dat de beschikking slechts kan worden aangetast door de Hoge Raad op een daartoe strekkend cassatieberoep.6.
3. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugverwijzing naar de rechtbank Rotterdam.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
plv.
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 24‑05‑2019
Het verzoekschrift in cassatie vermeldt op blz. 3, bovenaan, dat de rechtbank de advocaat van betrokkene op 15 februari 2019 heeft laten weten dat zij afziet van een herstelbeschikking.
Zie ook de conclusie voor HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:560, JGZ 2017/1.
Vgl. HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:560, JGZ 2017/1, HR 30 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:188, JVGGZ 2015/10 m.nt. W.J.A.M. Dijkers
Vgl. HR 27 mei 2011 (rov. 3.4), ECLI:NL:HR:2011:BP8693, NJ 2012/625 m.nt. H.J. Snijders onder nr. 626.
Vgl. HR 4 december 2015 (rov. 3.4.2), ECLI:NL:HR:2015:3476.