RBP 2019/75
Hoor en wederhoor. Is het beginsel van hoor en wederhoor geschonden door op basis van een niet van betrokkene afkomstige referteverklaring en zonder betrokkene te horen de voorwaardelijke machtiging in de zin van art. 14a Wet Bopz te verlenen?
HR 28-06-2019, ECLI:NL:HR:2019:1053
- Instantie
Hoge Raad (Civiele kamer)
- Datum
28 juni 2019
- Magistraten
Mrs. A.M.J. van Buchem-Spapens, T.H. Tanja-van den Broek, C.E. du Perron
- Zaaknummer
19/01453
- Conclusie
plv. A-G mr. F.F. Langemeijer
- JCDI
JCDI:ADS91434:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Personen- en familierecht / Bescherming meerderjarige
Personen- en familierecht / Familieprocesrecht
Burgerlijk procesrecht / Eerste aanleg
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2019:1053, Uitspraak, Hoge Raad (Civiele kamer), 28‑06‑2019
ECLI:NL:PHR:2019:628, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 24‑05‑2019
- Wetingang
Essentie
Hoor en wederhoor.
Is het beginsel van hoor en wederhoor geschonden door op basis van een niet van betrokkene afkomstige referteverklaring en zonder betrokkene te horen de voorwaardelijke machtiging in de zin van art. 14a Wet Bopz te verlenen?
Samenvatting
De officier van justitie heeft een verzoek ingediend om ten aanzien van betrokkene een voorwaardelijke machtiging te verlenen (art. 14a Wet Bopz). Nadat de rechtbank een datum voor verhoor van betrokkene had bepaald, is dit verhoor op verzoek van de advocaat van betrokkene uitgesteld tot 8 februari 2019. Bij beschikking van 28 januari 2019 ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.