Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/8.4.4
8.4.4 De erkenning van de mogelijkheid om toekomstige vorderingen bij voorbaat te cederen mits ze voortvloeien uit een reeds bestaande rechtsverhouding
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS420770:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
HR 24 oktober 1980, NJ 1981/265.
Daardoor verving de Hoge Raad de gehanteerde ‘bestaans-eis’ voor de ‘bepaaldheid- eis’.
Zo ook Rongen 2012, nr. 788.
Asser/Beekhuis, Mijnssen & De Haan 1985, nr. 328.
HR 26 maart 1982, NJ 1982/615.
In zijn noot bij HR 26 maart 1982, NJ 1982/615.
HR 15 maart 1940, NJ 1940/848 (De Boer/Haskerveenpolder) m.nt. E.M. M.
HR 30 januari 1987, NJ 1987/530 530 (WUH/Emmerig q.q.) m.nt. W.C.L. van der Grinten. Zie voor een overzicht van de literatuur naar aanleiding van dit arrest: Verhagen & Rongen 2000, p. 45 e.v. en Rongen 2012, nr. 867 e.v. Op vergelijkbare wijze merkte de Hoge Raad vorderingen uit schadeverzekeringen voor nog ten tijde van de levering nog niet bestaande schade ook als toekomstige vorderingen aan. Zie: HR 8 december 1989, NJ 1990/747 (Banken tegen verzekeraars) m.nt. W.M. Kleijn.
De Hoge Raad liet in het Solleveld II-arrest uit 1980 het bestaanscriterium los en erkende de levering bij voorbaat van vorderingen. Volgens het college vloeide uit het bepaaldheidsvereiste voort dat een vervreemder slechts toekomstige vorderingen bij voorbaat kon leveren die hun onmiddellijke grondslag hadden in een rechtsverhouding die op het moment van de levering bij voorbaat reeds bestond.1 De Hoge Raad hield dus vast aan de beperking dat de toekomstige vorderingen moesten voortvloeien uit een reeds bestaande rechtsverhouding.2 Zoals ik in §8.3.7 heb geschreven, is deze beperking niet noodzakelijk voor de bepaaldheid van het voorwerp van de levering. Vorderingen die niet voortvloeien uit een bestaande rechtsverhouding kunnen bepaalbaar zijn.3 De Hoge Raad paste in dit arrest het bepaaldheidsvereiste verkeerd toe om de zekerheidscessie met een generaal karakter te verhinderen.
In de latere rechtspraak en literatuur kwam de nadruk te liggen op de beantwoording van de vraag welke vorderingen hun onmiddellijke grondslag hebben in een bepaalde rechtsverhouding (grondslagvereiste). In de literatuur is uit het arrest afgeleid dat een schuldenaar alle toekomstige huurvorderingen uit een bestaande huurovereenkomst kon cederen, maar niet vorderingen uit een huurovereenkomst die nog tot stand moest komen.4 In het arrest SOS/ABN oordeelde de Hoge Raad dat een cessionaris de cessie van een toekomstige vordering niet tegen de boedel kon inroepen indien de cedent voor het ontstaan van de vordering failliet ging.5 Een toekomstige vordering week volgens de Hoge Raad af van bestaande vorderingen ‘onder een opschortende tijdsbepaling of voorwaarde of tot periodieke betalingen.’ Het enkele feit dat zij haar onmiddellijke grondslag vond in een bestaande rechtsverhouding betekent niet dat zij vanaf dat moment ook bestond. Kleijn vroeg zich in zijn noot bij dit arrest af of een faillissement van de schuldenaar ertoe leidde dat toekomstige huurvorderingen niet meer toekwamen aan de schuldeiser.6 Vóór deze twee arresten, in de benadering van het Fijn van Draatarrest was de overdracht van de te verschijnen huurvorderingen voor het faillissement voltooid, omdat een bestaande vordering was gecedeerd.7 In het arrest WUH/Emmerig bevestigde de Hoge Raad het vermoeden van Kleijn door te oordelen dat te verschijnen huurvorderingen toekomstig waren en daardoor binnen het toepassingsbereik van het arrest SOS/ ABN vielen.8