NJB 2021/3033:Motivering beslissingen omtrent voorlopige hechtenis in de zin van art. 5 lid 1, onder c, EVRM (detentie bij verdenking): de Hoge Raad gaat in op rechtspraak van het EHRM over de situatie waarin de vrijheidsbeneming van de verdachte plaatsvindt terwijl er een redelijke verdenking bestaat dat hij een strafbaar feit heeft begaan. Deze rechtspraak houdt onder meer in dat ‘justification for any period of detention, no matter how short, must be convincingly demonstrated by the authorities’ en dat ‘the domestic courts’ arguments for and against release must not be ‘general and abstract’, but contain references to specific facts and the personal circumstances justifying an applicant’s detention’. Motivering beslissingen omtrent voorlopige hechtenis in de zin van art. 5 lid 1, onder a, EVRM (detentie na veroordeling): in casu heeft het hof aan de voortzetting van de gevangenhouding mede ten grondslag gelegd dat in eerste aanleg een vrijheidsbenemende straf is opgelegd van ten minste even lange duur als de door de verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd na verlenging met de door het hof bevolen termijn van gevangenhouding. Het hof heeft daarmee toepassing gegeven aan art. 75 lid1, derde volzin, Sv. Deze situatie valt niet onder sub c maar onder sub a van art. 5 lid 1EVRM. Mede gelet op art. 24 lid 1 Sv en art.78 lid 2 Sv moeten ook dergelijke beslissingen met betrekking tot de voorlopige hechtenis telkens een op de voorliggende zaak toegesneden motivering bevatten.