EHRM 9 februari 2021, appl. nr. 10982/15, ECLI:CE:ECHR:2021:0209JUD001098215 (Maassen t. Nederland); EHRM 29 februari 2021, appl. nr. 73329/16, ECLI:CE:ECHR:2021:0209JUD007332916 (Hasselbaink t. Nederland); EHRM 9 februari 2021, appl. nr. 69491/16, ECLI:CE:ECHR:2021:0209JUD006949116 (Zohlandt t. Nederland).
HR, 09-11-2021, nr. 20/02775
ECLI:NL:HR:2021:1662
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
09-11-2021
- Zaaknummer
20/02775
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2021:1662, Uitspraak, Hoge Raad (Strafkamer), 09‑11‑2021; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2020:2775
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2021:833
ECLI:NL:PHR:2021:833, Conclusie, Hoge Raad (Advocaat-Generaal), 21‑09‑2021
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2021:1662
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2020:2775
Beroepschrift, Hoge Raad, 14‑12‑2020
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2021-0344 met annotatie van J.H.J. Verbaan
JIN 2021/180 met annotatie van Oort, C. van
NJ 2022/221 met annotatie van J.M. Reijntjes
Uitspraak 09‑11‑2021
Inhoudsindicatie
Poging tot doodslag, art. 287 Sr. Motivering van beslissingen inzake voorlopige hechtenis. 1. Afwijzing verzoeken tot schorsing dan wel opheffing van voorlopige hechtenis voldoende gemotiveerd? 2. HR ziet aanleiding enkele opmerkingen te maken over motiveringsplicht bij beslissingen m.b.t. voorlopige hechtenis. Art. 5.1.a en 5.1.c EVRM. Ad 1. Verdachte mist vereist belang bij bespreking van klacht, omdat cassatieberoep wordt verworpen en o.g.v. art. 6:2:2.a Sv de door hof opgelegde gevangenisstraf zal ingaan op dag van uitspraak van HR, waarbij in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd in mindering zal worden gebracht (vgl. HR:2012:BW7369). Ad 2. Recente uitspraken van EHRM (Maassen t. Nederland, Hasselbaink t. Nederland en Zohlandt t. Nederland), waarin schending van art. 5 EVRM is geconstateerd, zien op situatie waarin vrijheidsbeneming van verdachte plaatsvindt terwijl redelijke verdenking bestaat dat hij een strafbaar feit heeft begaan. Het gaat dan om situatie a.b.i. art. 5.1.c EVRM. Hof heeft aan voortzetting gevangenhouding van verdachte mede ten grondslag gelegd dat in vonnis in e.a. aan verdachte vrijheidsbenemende straf is opgelegd van ten minste even lange duur als de door verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd na verlenging met door hof bevolen termijn van gevangenhouding. Hof heeft daarmee toepassing gegeven aan art. 75.1, 3e volzin, Sv. Daarmee is sprake van situatie die niet onder art. 5.1.c EVRM, maar onder art. 5.1.a EVRM valt. Laatstgenoemde bepaling heeft betrekking op detentie na veroordeling door daartoe bevoegde rechter. Dit volgt uit o.m. uitspraak EHRM in Saez t. Nederland. Dit betekent dat genoemde uitspraken van EHRM op andere situatie betrekking hebben dan in onderhavig geval aan de orde is. Vorenstaande laat onverlet dat beslissingen m.b.t. voorlopige hechtenis telkens op de voorliggende zaak toegesneden motivering moeten bevatten. Deze algemene motiveringsplicht komt, als beslissing over voorlopige hechtenis beschikking van raadkamer betreft, tot uitdrukking in art. 24.1 Sv en vloeit ook mede voort uit eisen die art. 78.2 Sv stelt aan bevelen tot voorlopige hechtenis en tot verlenging van geldigheidsduur daarvan. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 20/02775
Datum 9 november 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 9 september 2020, nummer 20-001284-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, S. van den Akker en P. van Dongen, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt allereerst dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden.
2.2
Deze klacht kan niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klacht is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.3
Het cassatiemiddel klaagt verder over de beslissingen die het hof in hoger beroep heeft genomen over de voorlopige hechtenis.
2.4
Voor de beoordeling van het cassatiemiddel zijn in het bijzonder de volgende bepalingen van belang.
- Artikel 5 lid 1, aanhef en onder a en c van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM):
“Een ieder heeft recht op vrijheid en veiligheid van zijn persoon. Niemand mag zijn vrijheid worden ontnomen, behalve in de navolgende gevallen en overeenkomstig een wettelijk voorgeschreven procedure:
a. indien hij op rechtmatige wijze is gedetineerd na veroordeling door een daartoe bevoegde rechter;
(...)
c. indien hij op rechtmatige wijze is gearresteerd of gedetineerd teneinde voor de bevoegde rechterlijke instantie te worden geleid, wanneer er een redelijke verdenking bestaat, dat hij een strafbaar feit heeft begaan of indien het redelijkerwijs noodzakelijk is hem te beletten een strafbaar feit te begaan of te ontvluchten nadat hij dit heeft begaan;”
- Artikel 24 lid 1, eerste volzin, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv):
“De beschikking van de raadkamer is met redenen omkleed.”
- Artikel 75 lid 1 Sv:
“Na de aantekening van beroep van de einduitspraak worden de bevelen tot gevangenneming, gevangenhouding dan wel verlenging daarvan gegeven door de rechter in hoogste feitelijke aanleg. De artikelen 65, tweede lid, 66, tweede lid, en 67 tot en met 69, zijn op deze bevelen van overeenkomstige toepassing. Een op artikel 67 gegrond bevel kan ook worden gegeven of verlengd op de grond dat in het bestreden vonnis een vrijheidsbenemende straf of maatregel is opgelegd van ten minste even lange duur als de door de verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd na verlenging.”
“1. Het bevel tot voorlopige hechtenis of tot verlenging van de geldigheidsduur daarvan is gedagtekend en ondertekend.
2. Het omschrijft zo nauwkeurig mogelijk het strafbare feit ten aanzien waarvan de verdenking is gerezen en de feiten of omstandigheden waarop de ernstige bezwaren tegen de verdachte zijn gegrond, alsmede de gedragingen, feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat de in artikel 67a gestelde voorwaarden zijn vervuld.”
- Artikel 6:2:2, aanhef en onder a, Sv:
“De gevangenisstraf en de hechtenis gaan in:
a. ten aanzien van veroordeelden die zich in voorlopige hechtenis bevinden ter zake van het feit waarvoor zij veroordeeld zijn, op de dag waarop de rechterlijke beslissing onherroepelijk is geworden.”
2.5
De verdachte mist om de navolgende reden het vereiste belang bij een bespreking van deze klacht. De hiervoor besproken klacht over de redelijke termijn in hoger beroep slaagt niet, terwijl namens de verdachte geen andere cassatiemiddelen zijn voorgesteld. Het cassatieberoep wordt daarom verworpen. Op grond van artikel 6:2:2, aanhef en onder a, Sv zal de door het hof opgelegde gevangenisstraf ingaan op de dag van de uitspraak van de Hoge Raad. Daarbij zal dan de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd in mindering worden gebracht. (Vgl. HR 5 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7369.)
2.6.1
De Hoge Raad ziet niettemin aanleiding nog het volgende op te merken.
2.6.2
De klachten die het cassatiemiddel aanvoert over de beslissingen die het hof in hoger beroep heeft genomen over de voorlopige hechtenis, zijn gebaseerd op een aantal recente uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) waarin een schending van artikel 5 EVRM is geconstateerd (EHRM 9 februari 2021, appl. nr. 10982/15 (Maassen t. Nederland); EHRM 9 februari 2021, appl. nr. 73329/16 (Hasselbaink t. Nederland) en EHRM 9 februari 2021, appl. nr. 69491/16 (Zohlandt t. Nederland)).
2.6.3
Deze uitspraken van het EHRM zien op de situatie waarin de vrijheidsbeneming van de verdachte plaatsvindt terwijl er een redelijke verdenking bestaat dat hij een strafbaar feit heeft begaan. Het gaat dan om een situatie als bedoeld in artikel 5 lid 1, onder c, EVRM. In deze rechtspraak wordt door het EHRM onder meer overwogen dat “justification for any period of detention, no matter how short, must be convincingly demonstrated by the authorities” en dat “the domestic courts’ arguments for and against release must not be “general and abstract”, but contain references to specific facts and the personal circumstances justifying an applicant’s detention” (zie onder meer EHRM 9 februari 2021, appl. nr. 73329/16 (Hasselbaink t. Nederland), § 69 en § 72).
2.6.4
In de onderhavige zaak heeft het hof – zoals blijkt uit het in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.4 weergegeven procesverloop – aan de voortzetting van de gevangenhouding van de verdachte mede ten grondslag gelegd dat in het vonnis in eerste aanleg aan de verdachte een vrijheidsbenemende straf is opgelegd van ten minste even lange duur als de door de verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd na verlenging met de door het hof bevolen termijn van gevangenhouding. Het hof heeft daarmee toepassing gegeven aan artikel 75 lid 1, derde volzin, Sv. Daarmee is sprake van een situatie die niet onder artikel 5 lid 1, onder c, EVRM, maar onder artikel 5 lid 1, onder a, EVRM valt. Die laatstgenoemde bepaling heeft betrekking op detentie na veroordeling door een daartoe bevoegde rechter. Dit volgt uit onder meer de uitspraak van het EHRM in de zaak Saez tegen Nederland (25 mei 2004, appl. nr. 51197/99), waarin het EHRM heeft geoordeeld:
“The Court recalls its constant case-law that, for the purposes of the Convention, detention while an appeal against a conviction by a first-instance court is pending is to be considered as detention “after conviction” within the meaning of Article 5 § 1 (a) of the Convention, even if the detention continues to be considered as detention on remand under domestic law (see, Wemhoff v. Germany, judgment of 27 June 1968, Series A no. 7, pp. 23-24, § 9; B. v. Austria, judgement of 28 March 1990, Series A no. 175, pp. 14-16, §§ 35-40; and Hristov v. Bulgaria (dec.), no. 35436/97, 19 September 2000).”
Dit betekent dat de door de stellers van het cassatiemiddel ingeroepen uitspraken van het EHRM op een andere situatie betrekking hebben dan in het onderhavige geval aan de orde is.
2.6.5
Het vorenstaande laat onverlet dat – ook als na de uitspraak in de strafzaak in eerste aanleg de toepassing van voorlopige hechtenis (mede) komt te berusten op de in artikel 75 lid 1, derde volzin, Sv genoemde grond – beslissingen met betrekking tot de voorlopige hechtenis telkens een op de voorliggende zaak toegesneden motivering moeten bevatten. Deze algemene motiveringsplicht komt, als de beslissing over de voorlopige hechtenis een beschikking van de raadkamer betreft, tot uitdrukking in artikel 24 lid 1 Sv en vloeit ook mede voort uit de eisen die artikel 78 lid 2 Sv stelt aan bevelen tot voorlopige hechtenis en tot verlenging van de geldigheidsduur daarvan.
3. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers, A.E.M. Röttgering, M. Kuijer en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 november 2021.
Conclusie 21‑09‑2021
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. 1. Afwijzing van verzoeken tot schorsing c.q. opheffing van de vh van verdachte in strijd met art. 5 EVRM? 2. Redelijke termijn in h.b. Ad 1. AG bespreekt dat een veroordeling in e.a. als grond voor voortzetting dan wel oplegging van de vh in h.b. (o.g.v. art. 75.1 Sv) geen strijd oplevert met art. 5 EVRM. De uitspraken van het EHRM van 09-02-2021 in de zaken van Maassen, Hasselbaink en Zohlandt tegen Nederland maken dat niet anders. Ad 2. Over de schending van de redelijke termijn in h.b. kan niet eerst in cassatie worden geklaagd. Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/02775
Zitting 21 september 2021 (bij vervroeging)
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte.
1. Het cassatieberoep
1.1.
Bij arrest van 9 september 2020 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch zich met aanvullingen, verbeteringen en schrappingen van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen en met aanvullingen van de bewijsoverwegingen naar aanleiding van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, verenigd met het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 11 april 2018 en met de gronden waarop het berust. Bij dat vonnis is de verdachte wegens “poging tot doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.J. Baumgardt, mr. P. van Dongen en mr. S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld. Het middel komt op tegen de summiere standaardoverwegingen waarmee het hof de meermaals gedane verzoeken tot schorsing dan wel opheffing van de voorlopige hechtenis heeft afgewezen. Voorts klaagt het middel dat het hof geen rekening heeft gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
2. Het middel
2.1.
Het middel valt uiteen in twee deelklachten. De eerste klacht houdt in dat het hof in strijd met het bepaalde in art. 5 EVRM de verzoeken tot schorsing dan wel opheffing van de voorlopige hechtenis onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen. Daarbij wordt onder andere een beroep gedaan op drie recente uitspraken van het EHRM van 9 februari 2021 in de zaken van Maassen, Hasselbaink en Zohlandt tegen Nederland.1.In deze zaken heeft het EHRM de Nederlandse praktijk van standaardmotiveringen bij het laten voortduren van de voorlopige hechtenis in strijd met art. 5 lid 3 EVRM bevonden. De tweede klacht houdt in dat het hof geen rekening heeft gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
2.2.
Voordat ik aan de inhoudelijke bespreking van het middel toekom, merk ik eerst nog het volgende op. In de regel staat geen cassatieberoep open tegen beslissingen aangaande de voorlopige hechtenis. Die regel lijdt echter uitzondering als die beslissing deel uitmaakt van de einduitspraak van het hof dan wel als die beslissing is genomen in de loop van het onderzoek naar aanleiding waarvan de einduitspraak is gegeven.2.Dat betekent dat over de beslissingen van het hof ten aanzien van de voorlopige hechtenis in de onderhavige zaak, anders dan de stellers van het middel kennelijk menen,3.in cassatie kan worden geklaagd.
2.3.
Daarnaast klaagt het middel niet slechts over de beslissing(en) van het hof ten aanzien van de voorlopige hechtenis, maar tevens over de schending van de redelijke termijn in hoger beroep. Als dat anders was geweest, dan zou de verdachte geen belang hebben bij zijn klacht over de voorlopige hechtenis, omdat de door het hof opgelegde gevangenisstraf op grond van het bepaalde in art. 6:2:2 Sv op de dag van de uitspraak van de Hoge Raad zou ingaan, waarbij de in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd op die straf in mindering kan worden gebracht.4.
2.4.
Uit de op de voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt, voor zover relevant voor de beoordeling van het middel, het volgende procesverloop:
(i) de verdachte is bij vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 11 april 2018 wegens “poging tot doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaar, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Bij dat vonnis heeft de rechtbank de sinds 29 november 2017 ingegane schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van de datum van het vonnis opgeheven. In dat verband bevat het vonnis onder het kopje ‘voorlopige hechtenis’ de volgende overweging:
“Nu de rechtbank het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen acht en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf van zeven jaar herleeft daarmee de zogenoemde 12-jaars grond en de geschokte rechtsorde. De rechtbank zal daarom de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van heden opheffen.”
(ii) namens de verdachte, die zich op dat moment in voorlopige hechtenis bevond, is op 16 april 2018 beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis;
(iii) ter terechtzitting in hoger beroep van 4 september 2018 is namens de verdachte verzocht de voorlopige hechtenis te schorsen. Het procesverbaal van de terechtzitting in hoger beroep bevat, voor zover relevant voor de beoordeling van de eerste deelklacht, het volgende:
“(…) De raadsman verklaart:
Ik zou toch graag een verzoek doen in het kader van de voorlopige hechtenis.
(…)
De raadsman vervolgt zijn betoog:
(…)
De persoonlijke belangen van cliënt bij een schorsing zijn dat hij is geopereerd aan zijn arm en hier steeds pijn aan heeft. Hij is grotendeels invalide. Hij wordt niet door de medische dienst van de PI onderzocht. Ik heb dit niet op schrift. Daarbij heeft zijn vriendin problemen en loopt zij bij een psycholoog. Ook hier heb ik nog geen bewijs van, maar ik kan daar wel aan komen. Kort samengevat: het vonnis rammelt en aangever twijfelt aan alles, ook aan de tijdstippen, Er zijn op de plaats delict geen sporen van cliënt aangetroffen en al het bewijs in deze zaak komt uit één bron. Ik verzoek het hof daarom om de voorlopige hechtenis van cliënt te schorsen tot aan de inhoudelijke behandeling, zodat hij het proces in vrijheid kan afwachten.
(…)
Na beraad deelt de voorzitter als de beslissing van het hof mede, dat het hof het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis afwijst, nu het hof van oordeel is dat bij afweging van het persoonlijk belang dat de verdachte heeft bij een schorsing van de voorlopige hechtenis, tegen het algemeen belang dat met de voortzetting van de voorlopige hechtenis is gemoeid, het laatste belang in casu het zwaarst dient te wegen.”
(iv) ter terechtzitting in hoger beroep van 15 januari 2019 is verzocht de voorlopige hechtenis van de verdachte op te heffen c.q. te schorsen. Het procesverbaal van de terechtzitting in hoger beroep beval, voor zover relevant, het volgende:
“De raadsman krijgt het woord ter toelichting op het verzoek tot opheffing c.q. schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte en verklaart daartoe als volgt.
Cliënt heeft geen noemenswaardig strafblad. Hij heeft geen relevante veroordelingen en er komen ook geen geweldsdelicten op het strafblad voor, maar nu ineens is daar deze zaak. Uit het psychiatrisch rapport omtrent cliënt blijkt dat men slechts een summiere indruk van hem heeft gekregen, maar dat bij hem geen ernstige psychopathologie of andere stoornis is geconstateerd.
De advocaat-generaal zal zeggen dat cliënt gevaarlijk is, maar zijn voorlopige hechtenis is geschorst geweest vanaf 28 november 2017 tot 11 april 2018. Dat is een behoorlijk lange tijd waarin hij heeft voldaan aan alle schorsingsvoorwaarden.
Cliënt stelt zich op het standpunt dat een ander het feit heeft begaan. Ik verwijs naar een uitspraak van het hof Amsterdam in een vergelijkbare zaak, gepubliceerd onder nr. ECLI:NL:GHAMS:2015:2848, waaruit ik citeer. Ook in die zaak was sprake van een veroordeling tot een langere gevangenisstraf. Daarin wordt onder meer overwogen dat niet gebleken is dat de verdachte zich niet aan de schorsingsvoorwaarden had gehouden en evenmin was aannemelijk dat verdachte zich na het vonnis niet aan dergelijke voorwaarden zou houden. De continuering van de voorlopige hechtenis dient geen redelijk doel en levert strijd op met het anticipatieverbod. Het is in deze zaak qua bewijs een situatie van “welles-nietes”; het technisch bewijs klopt niet. Het uitgangspunt van het EHRM is dat de verdachte zijn proces in vrijheid afwacht. Stel dat uw hof cliënt vrijspreekt: dan heeft de voorlopige hechtenis geen enkel redelijk doel gehad. De voorlopige hechtenis dient geen redelijk doel en moet daarom worden opgeheven.
M.b.t. het subsidiaire schorsingsverzoek voer ik aan dat cliënt door deze zaak alles kwijt is geraakt. Zijn bedrijf is gesloten en zijn relatie is zo goed als afgelopen. Hij moet zijn proces in vrijheid kunnen afwachten.
(…)
De voorzitter deelt het volgende mede.
(…)
M.b.t. de verzoeken aangaande de voorlopige hechtenis geldt het volgende.
Het gerechtshof is na onderzoek gebleken dat de verdenking, bezwaren en gronden die tot het laatstelijk verleende bevel tot gevangenhouding van verdachte hebben geleid, ook thans nog bestaan.
Voor zover namens de verdachte is verzocht om opheffing van de voorlopige hechtenis op grond van het bepaalde in artikel 67a, lid 3, van het Wetboek van Strafvordering, is het hof van oordeel dat die situatie zich niet voordoet.
Het verzoek om opheffing van de voorlopige hechtenis wordt daarom afgewezen.
Voorts is het hof van oordeel dat, bij afweging van het aan het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis ten grondslag gelegde persoonlijke belang van de verdachte tegen het algemeen belang bij de ongeschorste voortzetting van de voorlopige hechtenis, het laatste belang prevaleert.
Bijgevolg wordt ook het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis afgewezen.”
(v) ter terechtzitting in hoger beroep van 3 juli 2019 heeft de raadsman van de verdachte, in aanvulling op de pleitnotities, onder meer het volgende naar voren gebracht:
“Ik verzoek het hof, gelet op artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, de voorlopige hechtenis op te heffen. Mijn cliënt zit al geruime tijd gedetineerd en deze zaak dient heropend te worden, waardoor het proces nog langer gaat duren. Indien het hof de zaak niet zal heropenen, heeft mijn cliënt ook al te lang in voorlopige hechtenis gezeten. Primair verzoek ik het hof de voorlopige hechtenis op te heffen en subsidiair de voorlopige hechtenis te schorsen. Het bedrijf van mijn cliënt is failliet en de voorlopige hechtenis van mijn cliënt is eerder geschorst. Hierbij wil ik verwijzen naar een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam (ECLI 2015:635) waarbij is overwogen dat gesteld noch gebleken is dat de verdachte tijdens de schorsing zich niet heeft gehouden aan de gestelde schorsingsvoorwaarden. Het enkele feit dat er een veroordelend vonnis ligt, betekent niet dat dit in de weg staat aan de schorsing. De voorlopige hechtenis moet een redelijk doel dienen.
(…)
Met betrekking tot het verzoek tot heropening van de zaak en opheffing/schorsing van de voorlopige hechtenis, hoeft het hof niet nu te beslissen.”
(vi) bij tussenarrest van 17 juli 2019 heeft het hof het verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis afgewezen. Daartoe heeft het hof het volgende overwogen:
“Het hof wijst het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis af. Het hof is van oordeel dat de ernstige bezwaren en de gronden die tot het laatst verleende bevel tot verlenging van de gevangenhouding hebben geleid nog onverkort aanwezig zijn, waaronder de grond dat in het bestreden vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 11 april 2018 een vrijheidsbenemende straf is opgelegd voor de duur van 7 jaren. Voorts is het hof van oordeel dat de situatie van artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zich thans niet voordoet.
Het hof wijst ook het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis af. Het hof is van oordeel dat bij afweging van het persoonlijk belang dat de verdachte heeft bij een schorsing van de voorlopige hechtenis tegen het algemeen belang dat met de voortzetting van de voorlopige hechtenis is gemoeid, het laatste belang in casu het zwaarst dient te wegen.”
(vii) ter terechtzitting in hoger beroep van 25 september 2019 zijn namens de verdachte wederom verzoeken gedaan ten aanzien van de voorlopige hechtenis. Het procesverbaal bevat in dat verband het volgende:
“De raadsman deelt mede dat hij een verzoek heeft met betrekking tot de voorlopige hechtenis van de verdachte en voert het woord als volgt.
Mijn cliënt zit nu bijna 2 jaar vast. Het hof heeft blijkens het tussenarrest nader onderzoek naar de voetafdrukken noodzakelijk geacht, terwijl de verdediging dat onderzoek al in eerste aanleg bij de rechtbank heeft verzocht maar dat verzoek werd toen afgewezen. Nu wordt het onderzoek alsnog verricht.
Er is nog geen zicht op de inhoudelijke afdoening. Het gaat niet goed met de gezondheid van mijn cliënt en van zijn vriendin.
In raadkamer is het schorsingsverzoek afgewezen, maar we zijn nu weer een paar maanden verder en er is nog steeds geen duidelijkheid. De uitkomst van het bevolen onderzoek kan een heel ander licht doen schijnen over de onderhavige zaak. In eerste aanleg is mijn cliënt eerder geschorst geweest en toen heeft hij zich aan alle voorwaarden gehouden.
Ik doe een beroep op artikel 5 van het EVRM. De verdachte moet zijn proces in vrijheid kunnen afwachten. Een schorsing moet op dit moment mogelijk zijn. Het is nu het uitgelezen moment en een schorsing zal in de samenleving geen beroering teweeg brengen.
Het persoonlijk belang houdt verband met de gezondheid van mijn cliënt en dat van zijn partner en er is geen zicht op een inhoudelijke behandeling.
Ik verzoek het hof om de voorlopige hechtenis te schorsen tot de dag van de inhoudelijke behandeling, met daaraan verbonden de voorwaarden die eerder door de rechtbank zijn bepaald.
(…)
Na hervatting deelt de voorzitter als beslissing van het hof het volgende mede. Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis af, nu het hof van oordeel is dat bij afweging van het persoonlijk belang dat de verdachte heeft bij een schorsing van de voorlopige hechtenis, tegen het algemeen belang dat met de voortzetting van de voorlopige hechtenis is gemoeid, het laatste belang in casu het zwaarst dient te wegen. Een eerder verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis is recent nog afgewezen, en wel op 13 augustus 2019. De overwegingen die daarbij tot afwijzing van het verzoek hebben geleid, zijn ook thans nog van kracht. Er is sprake van een veroordelend vonnis en er zijn geen bijzondere zwaarwichtige de persoon van de verdachte betreffende omstandigheden gebleken. Sinds 13 augustus 2019 hebben zich geen wijzigingen voorgedaan.”
(viii) ter terechtzitting in hoger beroep van 28 december 2019 zijn namens de verdachte wederom verzoeken gedaan ten aanzien van de voorlopige hechtenis. Het proces verbaal bevat in dat verband het volgende:
“De raadsman deelt het volgende mede:
De verdediging verzoekt om schorsing van de voorlopige hechtenis. Het hof heeft blijkens het tussenarrest nader onderzoek naar de voetafdrukken noodzakelijk geacht, terwijl de verdediging dat onderzoek al in eerste aanleg bij de rechtbank heeft verzocht maar dat verzoek toen werd afgewezen. Nu wordt het onderzoek gelukkig alsnog verricht. Er is nog geen zicht op de inhoudelijke afdoening, ook omdat het NFI lange wachttijden kent. Het gaat niet goed met de gezondheid van mijn cliënt en van zijn vriendin. De uitkomst van het bevolen onderzoek kan een heel ander licht doen schijnen op de onderhavige zaak. In eerste aanleg is mijn cliënt eerder geschorst geweest en toen heeft hij zich aan alle voorwaarden gehouden. Ik doe een beroep op artikel 5 van het EVRM. Zoals ook het Hof Den Bosch onlangs heeft vooropgesteld (Hof Den Bosch 5 september 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3295) dient de verdachte zijn proces in vrijheid te kunnen afwachten. Het persoonlijk belang houdt verband met de gezondheid van mijn cliënt en dat van zijn partner en er is geen zicht op een inhoudelijke behandeling. Ik verzoek het hof om de voorlopige hechtenis te schorsen, met daaraan verbonden de voorwaarden die eerder door de rechtbank zijn bepaald.
(…)
Na hervatting deelt de voorzitter als beslissing van het hof het volgende mede:
Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis af, nu het hof van oordeel is dat bij afweging van het persoonlijk belang dat de verdachte heeft bij een schorsing van de voorlopige hechtenis, tegen het algemeen belang dat met de voortzetting van de voorlopige hechtenis is gemoeid, het laatste belang het zwaarst dient te wegen. Eerdere verzoeken tot schorsing van de voorlopige hechtenis zijn recent nog afgewezen. De overwegingen die daarbij tot afwijzing van het verzoek hebben geleid, zijn ook thans nog van kracht, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken die de afweging van belangen thans anders moet doen uitvallen. De voorzitter deelt mede dat het hof de behandeling van de zaak voor bepaalde tijd zal aanhouden, een en ander zoals hieronder vermeld.”
(ix) ter terechtzitting in hoger beroep van 26 februari 2020 zijn namens de verdachte wederom verzoeken gedaan ten aanzien van de voorlopige hechtenis. Het proces verbaal bevat in dat verband het volgende:
“De raadsman deelt het volgende mede:
De verdediging verzoekt om schorsing van de voorlopige hechtenis. Er zijn inmiddels 8 maanden verstreken sinds het hof bij tussenarrest van 17 juli 2019 nader onderzoek naar de voetafdrukken heeft bevolen. Inmiddels zijn we vier terechtzittingen verder zonder dat er voortgang is gemaakt. De uitkomst van het onderzoek door het NFI kan nieuw licht op de zaak werpen. De gezondheid van mijn cliënt en van zijn vriendin is nog steeds slecht. Het is maar de vraag of het NFI-rapport inderdaad vóór 22 maart aanstaande zal worden opgeleverd. De inhoudelijke behandeling moet dan nog gepland worden. In eerste aanleg is mijn cliënt eerder geschorst geweest en toen heeft hij zich aan alle voorwaarden gehouden. Ik doe een beroep op artikel 5 van het EVRM. Zoals ook het Hof Den Bosch onlangs heeft vooropgesteld (Hof Den Bosch 5 september 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3295) dient de verdachte zijn proces in vrijheid te kunnen afwachten. Het persoonlijk belang houdt verband met de gezondheid van mijn cliënt en dat van zijn partner en er is geen zicht op een inhoudelijke behandeling. Ik verzoek het hof om de voorlopige hechtenis te schorsen tot aan de datum van de inhoudelijke behandeling, met daaraan verbonden de voorwaarden die eerder door de rechtbank zijn bepaald.
(…)
Na hervatting deelt de voorzitter als beslissing van het hof het volgende mede: Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis af, nu het hof van oordeel is dat bij afweging van het persoonlijk belang dat de verdachte heeft bij een schorsing van de voorlopige hechtenis, tegen het algemeen belang dat met de voortzetting van de voorlopige hechtenis is gemoeid, het laatste belang het zwaarst dient te wegen. Eerdere verzoeken tot schorsing van de voorlopige hechtenis zijn recent nog afgewezen. De overwegingen die daarbij tot afwijzing van het verzoek hebben geleid, zijn ook thans nog van kracht, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken die de afweging van belangen thans anders moet doen uitvallen. Het hof constateert voorts dat de afronding van het nader onderzoek aanstaande is. De behandeling van de zaak zal voor bepaalde tijd worden aangehouden. Zodra het rapport van het NFI gereed is en door het hof is ontvangen zal contact met de raadsman worden opgenomen teneinde de inhoudelijke behandeling van de zaak te plannen.”
(x) ter terechtzitting in hoger beroep van 20 mei 2020 is namens de verdachte wederom een verzoek gedaan ten aanzien van de voorlopige hechtenis. Het proces verbaal bevat in dat verband het volgende:
“De raadsman deelt het volgende mede:
De zaak heeft lang geduurd. Op 3 juli 2019 is de zaak inhoudelijk behandeld. Het requisitoir en het pleidooi zijn toen al gevoerd. Op I 7 juli 2019 heeft het hof tussenarrest gewezen. Het hof heeft bij tussenarrest aan de advocaat-generaal verzocht om bij de politie na te gaan of een vergelijkend sporenonderzoek is verricht.
(…)
Het is niet voorshands ondenkbaar dat uw Gerechtshof straks tot eenzelfde conclusie als de verdediging komt. Het door cliënt ingestelde appel treft dan geen doel meer omdat de voorlopige hechtenis voor dit feit geheel zal zijn uitgezeten.
Cliënt doet een beroep op art. 67a lid 3 Sv.
Mijn cliënt zit al een lange tijd gedetineerd. De voorlopige hechtenis is eerder geschorst geweest. Toen was de verdenking nog poging tot moord. De rechtbank heeft hem veroordeeld ter zake poging tot doodslag.
Het enige dat overblijft is dat aangever [benadeelde] heeft verklaard dat cliënt met een plankje op het hoofd van de aangever heeft geslagen. Dat levert echter geen poging tot doodslag op. Gelet op vergelijkbare jurisprudentie kan het hof niet komen tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, ook gelet op de omstandigheid dat het slaan met het plankje niet levensbedreigend is geweest.
Ik verwijs verder naar ECLI:NL:GHAMS:2015:2848, waarin het gerechtshof Amsterdam het volgende heeft overwogen:
'Zoals het hof heeft overwogen in ECLI:NL:GHAMS:2015:635 (Klimop-zaak) volstaat, anders dan de rechtbank in de kern heeft overwogen, de enkele veroordeling van de verdachte niet voor het opheffen van de schorsing van de voorlopige hechtenis.
De vraag die voorligt is of sprake is van enig redelijk doel bij het opnieuw in voorlopige hechtenis nemen van de verdachte.
Gesteld noch gebleken is dat de verdachte in de periode dat haar voorlopige hechtenis geschorst was zich niet heeft gehouden aan de gestelde schorsingsvoorwaarden. Hieruit leidt het hof af dat het recidivegevaar kennelijk in de afgelopen periode voldoende kon worden ingeperkt door de aan haar gestelde schorsingsvoorwaarden. Het hof ziet niet in dat dit na het veroordelend vonnis anders zal zijn. Ook overigens is niet gebleken van (andere) omstandigheden op grond waarvan hernieuwde schorsing van de verdachte onwenselijk zou moeten worden geacht.’
Cliënt is first offender en heeft nog nooit zolang vastgezeten. Verder heeft cliënt het zwaar in detentie, nu bezoek vanwege de corona-maatregelen vrijwel onmogelijk is. Ik kan het dossier niet adequaat met cliënt bespreken en hij krijgt amper tot geen bezoek. Ik meen dat er thans geen redelijk doel is bij het voortduren van de voorlopige hechtenis. Ik verzoek de voorlopige hechtenis van cliënt derhalve te schorsen. De detentiefasering zou over enkele maanden al ingaan. Straks heeft cliënt zijn gehele straf feitelijk al uitgezeten. Dat is niet de bedoeling van een hoger beroep.
(…)
De voorzitter deelt als beslissing van het hof als volgt mede:
Het hof begrijpt het verzoek van de raadsman aldus dat is verzocht om opheffing c.q. schorsing van de voorlopige hechtenis. Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen, nu het hof van oordeel is dat de ernstige bezwaren en de gronden die tot het laatst verleende bevel tot verlenging van de gevangenhouding hebben geleid nog onverkort aanwezig zijn. Voorts ligt ten grondslag aan de voorlopige hechtenis het bestreden vonnis waarbij een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren aan verdachte is opgelegd. De situatie als bedoeld in art. 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering doet zich naar het oordeel van het hof thans niet voor.
Bij de beoordeling van een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis wordt als uitgangspunt genomen de ernst van het feit waar de verdenking betrekking op heeft, het gewicht van de tegen de verdachte gerezen bezwaren en de gronden die aan het bevel tot voorlopige hechtenis ten grondslag zijn gelegd. Daarbij moet het persoonlijk belang dat de verdachte heeft bij een schorsing worden afgewogen tegen het algemeen belang dat met de voortzetting van de voorlopige hechtenis is gemoeid.
Ten laste van verdachte is een veroordelend vonnis gewezen. Daardoor komt de vrijheidsbeneming van verdachte te rusten op artikel 5, eerste lid, sub a, van het EVRM. Dat betekent onder meer dat niet zonder meer het recht van verdachte van kracht is om zijn berechting in vrijheid afte wachten, nu die berechting door een daartoe bevoegde rechter heeft plaatsgevonden. Schorsing is alsdan slechts aan de orde indien er sprake is van zwaarwichtige de persoon van verdachte betreffende omstandigheden op grond waarvan het belang dat de samenleving thans heeft bij voortzetting van de voorlopige hechtenis dient te wijken voor het persoonlijk belang van verdachte.
In hetgeen aan het schorsingsverzoek ten grondslag is gelegd is het hof niet gebleken van zwaarwichtige persoonlijke omstandigheden die ertoe dienen te leiden dat de voorlopige hechtenis dient te worden geschorst. Bij de afweging van het persoonlijk belang dat verdachte heeft bij een schorsing van de voorlopige hechtenis tegen het algemeen belang dat met de voortzetting van de voorlopige hechtenis is gemoeid, dient naar het oordeel van het hof het laatste belang thans te prevaleren. De invloed van beperkende maatregelen als gevolg van de coronacrisis zijn bij deze afweging betrokken en maken het oordeel niet anders.
Het schorsingsverzoek wordt derhalve afgewezen.”
(xi) ter terechtzitting in hoger beroep van 26 augustus 2020 heeft de raadsman van de verdachte, in aanvulling op de pleitnotities, onder meer het volgende naar voren gebracht:
“(…)mijn cliënt heeft al veel te lang in voorlopige hechtenis gezeten. De verdediging heeft meermalen gevraagd om schorsing van de voorlopige hechtenis. Hij heeft geen strafblad, hij is first offender. Het bedrijf dat mijn cliënt had, is hij kwijt geraakt, hij heeft zijn dochter al tijden niet gezien en zijn relatie is naar de knoppen. Ik verzoek het hof de voorlopige hechtenis op te heffen, dan wel de voorlopige hechtenis te schorsen tot aan het onherroepelijk worden van het arrest. Het hof kan hier, voor wat de verdediging betreft, bij arrest een beslissing op nemen. Mijn cliënt zou vrij zijn als hij niet in hoger beroep was gegaan.”
(xii) het hof heeft de verdachte veroordeeld bij arrest van 9 september 2020.
3. Beoordeling van het middel
3.1.
De stellers van het middel wijzen er in verband met de eerste deelklacht op dat de verdachte in de periode tussen het instellen van het hoger beroep op 16 april 2018 en de uitspraak van het hof op 9 september 2020 in voorlopige hechtenis verbleef. De verzoeken tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis zijn volgens de stellers van het middel in strijd met art. 5 EVRM steeds afgewezen met slechts algemene standaardoverwegingen, zonder in te gaan op de specifieke merites van de zaak en hetgeen de verdediging heeft aangevoerd.
3.2.
Anders dan de stellers van het middel tot uitgangspunt nemen, heeft het hof bij het afwijzen van de verzoeken tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis niet in strijd met de eisen die voortvloeien uit art. 5 EVRM geoordeeld. In art. 5 lid 1 onder a van dat artikel is immers voorzien in een uitzonderingsmogelijkheid op het recht op vrijheid voor die gevallen waarin de betrokkene op rechtmatige wijze is gedetineerd na veroordeling door een daartoe bevoegde rechter. Daarvan is in het onderhavige geval sprake nu de verdachte in eerste aanleg is veroordeeld tot een gevangenisstraf. Die veroordeling hoeft niet onherroepelijk te zijn, zo heeft het EHRM al in 1968 in de zaak Wemhoff tegen Duitsland uitgemaakt:
“It remains to ascertain whether the end of the period of detention with which Article 5 (3) (art. 5-3) is concerned is the day on which a conviction becomes final or simply that on which the charge is determined, even if only by a court of first instance.
The Court finds for the latter interpretation. One consideration has appeared to it as decisive, namely that a person convicted at first instance, whether or not he has been detained up to this moment, is in the position provided for by Article 5 (1) (a) (art. 5-1-a) which authorises deprivation of liberty "after conviction". This last phrase cannot be interpreted as being restricted to the case of a final conviction, for this would exclude the arrest at the hearing of convicted persons who appeared for trial while still at liberty, whatever remedies are still open to them. Now, such a practice is frequently followed in many Contracting States and it cannot be believed that they intended to renounce it. It cannot be overlooked moreover that the guilt of a person who is detained during the appeal or review proceedings, has been established in the course of a trial conducted in accordance with the requirements of Article 6 (art. 6).”5.
3.3.
Op grond van art. 75, eerste lid, laatste volzin, kan een veroordeling in eerste aanleg waarbij een vrijheidsbenemende straf of maatregel is opgelegd een zelfstandige grond opleveren voor de voortzetting of oplegging van de voorlopige hechtenis.6.Nieuwe gronden zijn niet vereist. Bij het wijzen van het vonnis heeft de rechtbank de schorsing van de voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven vanwege het door het veroordelend vonnis doen herleven van de zogenoemde 12-jaarsgrond en de geschokte rechtsorde. Vervolgens zijn de verzoeken tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis steeds afgewezen onder verwijzing naar dat veroordelend vonnis en het ontbreken van bijzondere zwaarwichtige de persoon van de verdachte betreffende omstandigheden. Kennelijk heeft het hof daarmee bedoeld de in art. 75, eerste lid, laatste volzin, genoemde grond aan zijn oordelen ten grondslag te leggen. Dit leid ik ook af uit de omstandigheid dat het hof bij de afwijzing van het schorsingsverzoek gedaan op de zitting van 25 september 2019 met zoveel woorden heeft overwogen:
“ Er is sprake van een veroordelend vonnis en er zijn geen bijzondere zwaarwichtige de persoon van de verdachte betreffende omstandigheden gebleken. Sinds 13 augustus 2019 hebben zich geen wijzigingen voorgedaan.”
3.4.
De recente uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens van 9 februari 2021, waarnaar de stellers van het middel verwijzen (zie hiervoor onder 2.1.), doen aan het voorgaande niet af. Uit die zaken kan – kort gezegd – worden opgemaakt dat de standaardoverwegingen die in de Nederlandse rechtspraktijk regelmatig worden gehanteerd om te onderbouwen waarom de gronden voor de voorlopige hechtenis nog steeds bestaan, met name naarmate de voorlopige hechtenis langer voortduurt, op den duur niet meer volstaan.7.In die zaken gaat het – anders dan in het onderhavige geval – echter niet om gevallen waarin de verdachte reeds in eerste aanleg is veroordeeld tot een vrijheidsstraf.
3.5.
De eerste deelklacht faalt.
3.6.
De tweede deelklacht houdt in dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. De stellers van het middel wijzen er in dat verband op dat de verdachte zich gedurende de gehele periode van de behandeling van de zaak in hoger beroep, in voorlopige hechtenis bevond. Om die reden had uitgegaan moeten worden van een redelijke termijn van zestien maanden. Nu de verdachte op 16 april 2018 hoger beroep heeft ingesteld en het hof ruim na verloop van zestien maanden, namelijk op 9 september 2020, arrest heeft gewezen, is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM volgens de stellers van het middel overschreden.
3.7.
Vooropgesteld kan worden dat het oordeel van de feitenrechter aangaande de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal niet snel sprake zijn omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter.8.Als uitgangspunt heeft te gelden dat de feitenrechter ambtshalve dient te onderzoeken of inbreuk is gemaakt van art. 6, eerste lid, EVRM wegens schending van de redelijke termijn. Van dat onderzoek behoeft slechts te blijken in de uitspraak als ter terechtzitting door of namens de verdachte ter zake verweer is gevoerd of sprake is van een bij verstek berechte zaak waarin de dagvaarding niet aan de verdachte in persoon is betekend, het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de redelijke termijn niet is overschreden, zonder nadere motivering onbegrijpelijk zou zijn.9.
3.8.
Het hof heeft zich met aanvullingen, verbeteringen en schrappingen van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen en met aanvullingen van de bewijsoverwegingen naar aanleiding van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, verenigd met het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 11 april 2018. Aan de strafoplegging heeft het hof geen nadere overwegingen gewijd.
3.9.
De stellers van het middel nemen terecht tot uitgangspunt dat in het onderhavige geval de redelijke termijn voor de behandeling in hoger beroep zestien maanden is, omdat de verdachte zich ten tijde van hoger beroepsfase in voorlopige hechtenis bevond.10.In het onderhavige geval behoefde van het hof echter geen nadere motivering te worden verlangd ten aanzien van zijn kennelijke oordeel dat geen sprake was van overschrijding van de redelijke termijn. Namens de verdachte is in dat verband immers geen verweer gevoerd, terwijl evenmin sprake is van een bij verstek berechte zaak waarin de dagvaarding niet aan de verdachte in persoon is betekend.
3.10.
Het middel faalt in al zijn onderdelen.
4. Slotsom
5. Het middel faalt en kan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.
6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 21‑09‑2021
Zie art. 445 Sv. Zie ook A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2018, p. 23-24, onder verwijzing naar HR 2 februari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AN7088, NJ 2004/142, m.nt. J.M. Reijntjes en HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:257, NJ 2015/198 m.nt. Schalken.
Zie onder 1.19 van de cassatieschriftuur.
Vgl. HR 5 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7369. De Hoge Raad verwijst in dat arrest naar art. 26, aanhef en onder a (oud) Sr, thans art. 6:2:2 Sv.
EHRM 27 juni 1968, no 2122/64, Series A, (Wemhoff t. Duitsland) par. 9. Zie ook D. de Vocht in T&C Sv, commentaar op art. 5 EVRM, aant. 6 onder a (online bijgewerkt tot en met 1 juli 2021).
Zie Kamerstukken II, 2003/04, 29 253, nr. 3. Zie ook W. Morra in Tekst en Commentaar Wetboek van Strafvordering, commentaar op art. 75, aant. 2 onder a (online, bijgewerkt tot en met 1 juli 2021).
Zie daarover nader B.E.P. Myjer in zijn noot bij de zaak Hasselbaink t. Nederland in NJ 2021/94.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, rov. 3.7.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, rov. 3.8
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, rov. 3.13.2 en 3.15.
Beroepschrift 14‑12‑2020
Aan de Hoge Raad der Nederlanden
te Den Haag
Griffienummer: S 20/02775
Betekening aanzegging: 14 december 2020
Cassatieschriftuur
inzake:
[verdachte]
verblijvende te [verblijfplaats],
verdachte,
advocaten: R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker
dossiernummer: D20200284
Edelhoogachtbare Heren, Vrouwen:
Inleiding
Ondergetekenden, als daartoe door de verdachte bijzonder gevolmachtigd, R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, advocaten te Rotterdam, hebben hierbij de eer aan u Edelhoogachtbaar College te doen toekomen een schriftuur van cassatie ten vervolge op het door [verdachte], ingestelde beroep in cassatie tegen het arrest van het Gerechtshof te 's‑ Hertogenbosch d.d. 9 september 2020, en alle beslissingen die door het hof ter terechtzitting(en) zijn genomen.
In genoemd arrest heeft het hof het vonnis van de rechtbank deels aangevuld en deels bevestigd.
Middelen van cassatie
Als gronden van cassatie hebben ondergetekenden de eer voor te dragen:
Middel I
Schending van het recht en/of verzuim van vormen, waarvan de niet-naleving met nietigheid wordt bedreigd, althans zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vormen, in het bijzonder de art. 5, 6 en 13 EVRM, alsmede 423 Sv, en wel om het navolgende:
In eerst aanleg is verdachte in het vonnis van 4 april 2018 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar. In het vonnis heeft de rechtbank onder meer ten aanzien van de strafoplegging overwogen dat strafmatigende feiten of omstandigheden niet aannemelijk zijn geworden.
Uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat verdachte op 16 april 2018 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis en dat verdachte ten tijde van het instellen van hoger beroep in voorlopige hechtenis verbleef. Uit het verhandelde ter terechtzitting volgt voorts dat namens verdachte gedurende de procedure in hoger beroep meermalen tevergeefs is verzocht de voorlopige hechtenis te schorsen, waarbij onder meer gewezen is op de lange duur van de voorlopige hechtenis; zijn gezondheidssituatie en de gevolgen van de hechtenis voor zijn bedrijf. Daarnaast is gewezen op de problemen die Covid-19 hebben veroorzaak voor het verblijf in detentie. Door de verdediging is verder aangevoerd dat de voorlopige hechtenis en de lange duur van de berechting als gevolg heeft gehad dat verdachte later in vrijheid is gesteld dan wanneer hij in het vonnis zou hebben berust.
Het hof heeft telkens de verzoeken afgewezen en daartoe slechts geoordeeld dat hem na onderzoek gebleken dat de verdenking, bezwaren en gronden die tot het laatstelijk verleende bevel tot gevangenhouding van verdachte hebben geleid, ook thans nog bestaan en dat bij afweging van het aan het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis ten grondslag gelegde persoonlijke belang van de verdachte tegen het algemeen belang bij de ongeschorste voortzetting van de voorlopige hechtenis, het laatste belang prevaleert. Door aldus te beslissen is (reeds) gehandeld in strijd met art. 5 lid 3 EVRM.
Uit het verhandelde ter terechtzitting volgt voorts dat het hof pas uitspraak heeft gedaan op 9 september 2020, derhalve ruim nadat de redelijke termijn was verstreken, nu deze termijn immers 16 maanden bedraagt in zaken als de onderhavige.
Gelet op het bovenstaande heeft het hof art. 5 EVRM geschonden en/of, door ten aanzien van de strafoplegging slechts te volstaan met de bevestiging van de strafoplegging van de rechtbank, het arrest, althans de strafoplegging onvoldoende met redenen omkleed, en/of zal de Hoge Raad de zaak zelf moeten afdoen door de straf te verminderen.
Toelichting
1.1
In het vonnis van 11 april 2018 heeft de rechtbank Oost-Brabant verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar. In het vonnis heeft de rechtbank daartoe overwogen:
‘Algemeen.
Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijk strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.
De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot doodslag. Verdachte heeft het destijds 80-jarige slachtoffer op de zolderkamer van diens woning meerdere malen zowel met een stuk hout, in elk geval met een hard en/of een zwaar voorwerp, op het hoofd geslagen als in de rug gestoken.
De rechtbank heeft voor wat betreft de strafoplegging in de onderhavige zaak aansluiting gezocht bij de strafoplegging in vergelijkbare zaken waar het gaat om (poging) doodslag.
Voorts heeft de rechtbank meegewogen dat voor het (alleen) plegen van een voltooide doodslag, waarbij niet tevens de maatregel van terbeschikkingstelling wordt opgelegd, de laatste jaren gemiddeld een gevangenisstraf van tussen de tien en elf jaren pleegt te worden opgelegd, alsmede dat het strafmaximum voor een poging een derde lager is dan het strafmaximum voor een voltooid delict.
De rechtbank heeft er bij de beslissing over de strafoplegging tot slot acht op geslagen dat verdachte blijkens het hem betreffende uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister de laatste vijfjaren niet voor misdrijven is veroordeeld. Wel is verdachte in 1996 onherroepelijk veroordeeld ter zake van misdrijven in de geweldssfeer, te weten afpersingen.
In strafverzwarende zin weegt de rechtbank het volgende mee. Verdachte had bij het slachtoffer thuis afgesproken om het slachtoffer bij wijze van prikkeling met een houten voorwerp te slaan (‘spanking’). Het slachtoffer was daarbij geblinddoekt, zijn armen waren met polsbanden vastgebonden aan haken in het plafond, zijn enkels waren bij elkaar gebonden en hij stond met zijn rug richting verdachte. Het slachtoffer bevond zich dus in een kwetsbare en afhankelijke positie ten opzichte van verdachte. Verdachte heeft het slachtoffer tenminste 15 keer hard met een scherp voorwerp op het hoofd geslagen. De rechtbank weegt mee dat hierbij, voor zover het zou gaan om de beoogde spanking, sprake was van vrijwillige onderwerping aan de zijde van aangever, maar die vrijwilligheid bestond niet ten aanzien van het geweld dat op zijn hoofd is uitgeoefend en de toegebrachte steekletsels. Het slachtoffer kon zich op geen enkele manier verweren tegen het geweld dat door verdachte op hem werd uitgeoefend. Het feit getuigt daarmee van een bijzondere lafheid. Het slachtoffer heeft door de klappen voorts aanzienlijk letsel, te weten letsel aan zijn rib, een rugwervel, milt, wonden op het hoofd en diverse blauwe plekken en onderhuidse bloedingen opgelopen. De uitwendige letsels zullen herstellen, maar er zal sprake blijven van littekens. De letsels waren zodanig ernstig van aard dat zij bij niet behandeling potentieel dodelijk zouden zijn geweest. Uit de door het slachtoffer ter terechtzitting voorgedragen slachtofferverklaring is de rechtbank duidelijk geworden dat het door verdachte op hem uitgeoefende geweld diepe indruk heeft gemaakt en ernstige fysieke en psychische gevolgen voor hem gehad. Verdachte is nadat hij het slachtoffer meerdere op zijn hoofd heeft geslagen en had gestoken naar de badkamer gelopen.
Verdachte heeft het slachtoffer, dat op zolder aan zijn armen en enkels was vastgebonden, in hulpeloze toestand achtergelaten. Verdachte heeft nagelaten op enig moment hulp in te schakelen voor aangever. De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.
Strafmatigende feiten of omstandigheden zijn niet aannemelijk geworden.
De rechtbank is al met al van oordeel dat sprake is van een poging tot doodslag die tot de zwaardere binnen zijn soort moet worden gerekend.
De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.’
1.2
Tegen het vonnis heeft verdachte op 16 april 2018 hoger beroep ingesteld. In de ‘Akte beroep’ is vermeld dat verdachte ten tijde van het instellen van beroep in de ‘P.I. HvB Grave’ verbleef.
1.3
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 4 september 2018 is onder meer gerelateerd:
‘De raadsman vervolgt zijn betoog:
()
De persoonlijke belangen van cliënt bij een schorsing zijn dat hij is geopereerd aan zijn arm en hier steeds pijn aan heeft. Hij is grotendeels invalide. Hij wordt niet door de medische dienst van de PI onderzocht. Ik heb dit niet op schrift. Daarbij heeft zijn vriendin problemen en loopt zij bij een psycholoog. Ook hier heb ik nog geen bewijs van, maar ik kan daar wel aan komen.
Kort samengevat: het vonnis rammelt en aangever twijfelt aan alles, ook aan de tijdstippen, er zijn op de plaats delict geen sporen van cliënt aangetroffen en al het bewijs in deze zaak komt uit één bron. Ik verzoek het hof daarom om de voorlopige hechtenis van cliënt te schorsen tot aan de inhoudelijke behandeling, zodat hij het proces in vrijheid kan af wachten.
()
Na beraad deelt de voorzitter als de beslissing van het hof mede, dat het hof het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis afwijst, nu het hof van oordeel is dat bij afweging van het persoonlijk belang dat de verdachte heeft bij een schorsing van de voorlopige hechtenis, tegen het algemeen belang dat met de voortzetting van de voorlopige hechtenis is gemoeid, het laatste belang in casu het zwaarst dient te wegen.’
1.4
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 15 januari 2019 is onder meer gerelateerd:
‘De raadsman krijgt het woord ter toelichting op het verzoek tot opheffing c.q. schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte en verklaart daartoe als volgt.
Cliënt heeft geen noemenswaardig strafblad. Hij heeft geen relevante veroordelingen en er komen ook geen geweldsdelicten op het strafblad voor, maar nu ineens is daar deze zaak. Uit het psychiatrisch rapport omtrent cliënt blijkt dat men slechts een summiere indruk van hem heeft gekregen, maar dat bij hem geen ernstige psychopathologie of andere stoornis is geconstateerd. De advocaat-generaal zal zeggen dat cliënt gevaarlijk is, maar zijn voorlopige hechtenis is geschorst geweest vanaf 28 november 2017 tot 11 april 2018. Dat is een behoorlijk lange tijd waarin hij heeft voldaan aan alle schorsingsvoorwaarden.
()
M.b.t. het subsidiaire schorsingsverzoek voer ik aan dat cliënt door deze zaak alles kwijt is geraakt. Zijn bedrijf is gesloten en zijn relatie is zo goed als afgelopen. Hij moet zijn proces in vrijheid kunnen afwachten.
()
M.b.t. de verzoeken aangaande de voorlopige hechtenis geldt het volgende.
Het gerechtshof is na onderzoek gebleken dat de verdenking, bezwaren en gronden die tot het laatstelijk verleende bevel tot gevangenhouding van verdachte hebben geleid, ook thans nog bestaan.
Voor zover namens de verdachte is verzocht om opheffing van de voorlopige hechtenis op grond van het bepaalde in artikel 67a, lid 3, van het Wetboek van Strafvordering, is het hof van oordeel dat die situatie zich niet voordoet.
Het verzoek om opheffing van de voorlopige hechtenis wordt daarom afgewezen.
Voorts is het hof van oordeel dat, bij afweging van het aan het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis ten grondslag gelegde persoonlijke belang van de verdachte tegen het algemeen belang bij de ongeschorste voortzetting van de voorlopige hechtenis, het laatste belang prevaleert.
Bijgevolg wordt ook het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis afgewezen.’
1.5
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 20 mei 2019 is onder meer gerelateerd:
‘De raadsman deelt het volgende mede:
De zaak heeft lang geduurd. Op 3 juli 2019 is de zaak inhoudelijk behandeld. Het requisitoir en het pleidooi zijn toen al gevoerd. Op I 7 juli 2019 heeft het hof tussenarrest gewezen. Het hof heeft bij tussenarrest aan de advocaat-generaal verzocht om bij de politie na te gaan of een vergelijkend sporenonderzoek is verricht
()
Mijn cliënt zit al een lange tijd gedetineerd. De voorlopige hechtenis is eerder geschorst geweest. Toen was de verdenking nog poging tot moord. De rechtbank heeft hem veroordeeld ter zake poging tot doodslag.
()
Cliënt is first offender en heeft nog nooit zolang vastgezeten. Verder heeft cliënt het zwaar in detentie, nu bezoek vanwege de corona-maatregelen vrijwel onmogelijk is.
Ik kan het dossier niet adequaat met cliënt bespreken en hij krijgt amper tot geen bezoek. Ik meen dat er thans geen redelijk doel is bij het voortduren van de voorlopige hechtenis. Ik verzoek de voorlopige hechtenis van cliënt derhalve te schorsen. De detentiefasering zou over enkele maanden al ingaan. Straks heeft cliënt zijn gehele straf feitelijk al uitgezeten. Dat is niet de bedoeling van een hoger beroep.
()
De verdachte verklaart nog het volgende:
()
Ik zit al 3 jaren vast. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de maatschappelijke belangen dienen te prevaleren boven mijn belangen. Maar ik hoor ook tot de maatschappij. Ik krijg geen medische
verzorging in de gevangenis. Ik zit al tegen mijn fasering aan. Waarom moet ik nog steeds vastzitten?
()
In hetgeen aan het schorsingsverzoek ten grondslag is gelegd is het hof niet gebleken van zwaarwichtige persoonlijke omstandigheden die ertoe dienen te leiden dat de voorlopige hechtenis dient te worden geschorst. Bij de afweging van het persoonlijk belang dat verdachte heeft bij een schorsing van de voorlopige hechtenis tegen het algemeen belang dat met de voortzetting van de voorlopige hechtenis is gemoeid, dient naar het oordeel van het hof het laatste belang thans te prevaleren.
De invloed van beperkende maatregelen als gevolg van de coronacrisis zijn bij deze afweging betrokken en maken het oordeel niet anders.’
1.6
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 3 juli 2019 is onder meer gerelateerd:
‘De verdachte verklaart desgevraagd als volgt:
Inmiddels heb ik enorme schulden opgebouwd. Ik heb nog steeds een relatie met [betrokkene 1] en zij bezoekt mij iedere week wanneer zij kan. In de gevangenis zit ik op een E-afdeling, dit is een blauwe afdeling. Dit betreft een experimentele afdeling en hier kom je alleen terecht als je meewerkt, sociaal bent, werkt, anderen helpt etc. Ik werk hier ook. Verder zijn mijn persoonlijke omstandigheden ongewijzigd. Ik heb geen contact meer gehad met mijn dochter sinds 3 juni 2017. Dit contact wordt afgehouden door mijn ex-partner, vooral naar aanleiding van de persberichten.()
()
De raadsman pleit overeenkomstig de inhoud van de door hem aan het hof overgelegde pleitnotities, welke aan dit proces-verbaal zijn gehecht en als hier herhaald en ingelast worden beschouwd en deelt aanvullend mede:
()
Ik verzoek het hof, gelet op artikel 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, de voorlopige hechtenis op te heffen. Mijn cliënt zit al geruime tijd gedetineerd en deze zaak dient heropend te worden, waardoor het proces nog langer gaat duren. Indien het hof de zaak niet zal heropenen, heeft mijn cliënt ook al te lang in voorlopige hechtenis gezeten. Primair verzoek ik het hof de voorlopige hechtenis op te heffen en subsidiair de voorlopige hechtenis te schorsen. Het bedrijf van mijn cliënt is failliet en de voorlopige hechtenis van mijn cliënt is eerder geschorst. Hierbij wil ik verwijzen naar een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam (ECLI 2015:635) waarbij is overwogen dat gesteld noch gebleken is dat de verdachte tijdens de schorsing zich niet heeft gehouden aan de gestelde schorsingsvoorwaarden. Het enkele feit dat er een veroordelend vonnis ligt, betekent niet dat dit in de weg staat aan de schorsing. De voorlopige hechtenis moet een redelijk doel dienen.’
1.7
Het verzoek tot schorsing is vervolgens door het hof afgewezen. Nadien is het onderzoek hervat op de terechtzitting van 25 september 2019. In het proces-verbaal van die zitting is onder meer vermeld:
‘De raadsman deelt mede dat hij een verzoek heeft met betrekking tot de voorlopige hechtenis van de verdachte en voert het woord als volgt.
Mijn cliënt zit nu bijna 2 jaar vast. Het hof heeft blijkens het tussenarrest nader onderzoek naar de voetafdrukken noodzakelijk geacht, terwijl de verdediging dat onderzoek al in eerste aanleg bij de rechtbank heeft verzocht maar dat verzoek werd toen afgewezen. Nu wordt het onderzoek alsnog verricht.
Er is nog geen zicht op de inhoudelijke afdoening. Het gaat niet goed met de gezondheid van mijn cliënt en van zijn vriendin.
In raadkamer is het schorsingsverzoek afgewezen, maar we zijn nu weer een paar maanden verder en er is nog steeds geen duidelijkheid. De uitkomst van het bevolen onderzoek kan een heel ander licht doen schijnen over de onderhavige zaak. In eerste aanleg is mijn cliënt eerder geschorst geweest en toen heeft hij zich aan alle voorwaarden gehouden.
Ik doe een beroep op artikel 5 van het EVRM. De verdachte moet zijn proces in vrijheid kunnen afwachten. Een schorsing moet op dit moment mogelijk zijn. het is nu het uitgelezen moment en een schorsing zal in de samenleving geen beroering teweeg brengen.
Het persoonlijk belang houdt verband met de gezondheid van mijn cliënt en dat van zijn partner en er is geen zicht op een inhoudelijke behandeling.
Ik verzoek het hof om de voorlopige hechtenis te schorsen tot de dag van de inhoudelijke behandeling, met daaraan verbonden de voorwaarden die eerder door de rechtbank zijn bepaald.
()
De verdachte verklaart als volgt.
()
Op 2 juli 2017, een dag voor de terechtzitting in hoger beroep, komen wij er achter dat er filmbeelden zijn gemaakt van de schoenafdrukken. Het is dan heel wrang om te horen dat het openbaar ministerie niet instemt met een schorsing. Ik heb 7 jaar gevangenisstraf gekregen. Ik zit bijna tegen de faseringsperiode aan. Ik verzoek het hof mij niet meer schade toe te brengen.
Hierop onderbreekt de voorzitter het onderzoek ter terechtzitting voor beraad.
Na hervatting deelt de voorzitter als beslissing van het hof het volgende mede.
Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis af, nu het hof van oordeel is dat bij afweging van het persoonlijk belang dat de verdachte heeft bij een schorsing van de voorlopige hechtenis, tegen het algemeen belang dat met de voortzetting van de voorlopige hechtenis is gemoeid, het laatste belang in casu het zwaarst dient te wegen. Een eerder verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis is recent nog afgewezen, en wel op 13 augustus 2019. De overwegingen die daarbij tot afwijzing van het verzoek hebben geleid, zijn ook thans nog van kracht. Er is sprake van een veroordelend vonnis en er zijn geen bijzondere zwaarwichtige de persoon van de verdachte betreffende omstandigheden gebleken. Sinds 13 augustus 2019 hebben zich geen wijzigingen voorgedaan.’
1.8
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 18 december 2019 is onder meer gerelateerd:
‘De raadsman deelt het volgende mede:
De verdediging verzoekt om schorsing van de voorlopige hechtenis. Het hof heeft blijkens het tussenarrest nader onderzoek naar de voetafdrukken noodzakelijk geacht, terwijl de verdediging dat onderzoek al in eerste aanleg bij de rechtbank heeft verzocht maar dat verzoek toen werd afgewezen. Nu wordt het onderzoek gelukkig alsnog verricht. Er is nog geen zicht op de inhoudelijke afdoening, ook omdat het NFI lange wachttijden kent. Het gaat niet goed met de gezondheid van mijn cliënt en van zijn vriendin.
()
Na hervatting deelt de voorzitter als beslissing van het hof het volgende mede:
Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis af, nu het hof van oordeel is dat bij afweging van het persoonlijk belang dat de verdachte heeft bij een schorsing van de voorlopige hechtenis, tegen het algemeen belang dat met de voortzetting van de voorlopige hechtenis is gemoeid, het laatste belang het zwaarst dient te wegen. Eerdere verzoeken tot schorsing van de voorlopige hechtenis zijn recent nog afgewezen. De overwegingen die daarbij tot afwijzing van het verzoek hebben geleid, zijn ook thans nog van kracht, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken die de afweging van belangen thans anders moet doen uitvallen. De voorzitter deelt mede dat het hof de behandeling van de zaak voor bepaalde tijd zal aanhouden, een en ander zoals hieronder vermeld.’
1.9
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 26 februari 2020 is onder meer gerelateerd:
‘De raadsman deelt het volgende mede:
De verdediging verzoekt om schorsing van de voorlopige hechtenis. Er zijn inmiddels 8 maanden verstreken sinds het hof bij tussenarrest van 17 juli 2019 nader onderzoek naar de voetafdrukken heeft bevolen. Inmiddels zijn we vier terechtzittingen verder zonder dat er voortgang is gemaakt. De uitkomst van het onderzoek door het NFI kan nieuw licht op de zaak werpen. De gezondheid van mijn cliënt en van zijn vriendin is nog steeds slecht. Het is maar de vraag of het NFI-rapport inderdaad vóór 22 maart aanstaande zal worden opgeleverd. De inhoudelijke behandeling moet dan nog gepland worden. In eerste aanleg is mijn cliënt eerder geschorst geweest en toen heeft hij zich aan alle voorwaarden gehouden. Ik doe een beroep op artikel 5 van het EVRM. Zoals ook het Hof Den Bosch onlangs heeft vooropgesteld (Hof Den Bosch 5 september 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:3295) dient de verdachte zijn proces in vrijheid te kunnen afwachten. Het persoonlijk belang houdt verband met de gezondheid van mijn cliënt en dat van zijn partner en er is geen zicht op een inhoudelijke behandeling. Ik verzoek het hof om de voorlopige hechtenis te schorsen tot aan de datum van de inhoudelijke behandeling, met daaraan verbonden de voorwaarden die eerder door de rechtbank zijn bepaald.
()
Na hervatting deelt de voorzitter als beslissing van het hof het volgende mede:
Het hof wijst het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis af, nu het hof van oordeel is dat bij afweging van het persoonlijk belang dat de verdachte heeft bij een schorsing van de voorlopige hechtenis, tegen het algemeen belang dat met de voortzetting van de voorlopige hechtenis is gemoeid, het laatste belang het zwaarst dient te wegen. Eerdere verzoeken tot schorsing van de voorlopige hechtenis zijn recent nog afgewezen. De overwegingen die daarbij tot afwijzing van het verzoek hebben geleid, zijn ook thans nog van kracht, terwijl het hof geen bijzondere omstandigheden zijn gebleken die de afweging van belangen thans anders moet doen uitvallen.’
1.10
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 20 mei 2020 is onder meer gerelateerd:
‘De raadsman deelt het volgende mede:
De zaak heeft lang geduurd. Op 3 juli 2019 is de zaak inhoudelijk behandeld. Het requisitoir en het pleidooi zijn toen al gevoerd. Op 17 juli 2019 heeft het hof tussenarrest gewezen. Het hof heeft bij tussenarrest aan de advocaat-generaal verzocht om bij de politie na te gaan of een vergelijkend sporenonderzoek is verricht.
()
Mijn cliënt zit al een lange tijd gedetineerd. De voorlopige hechtenis is eerder geschorst geweest. Toen was de verdenking nog poging tot moord. De rechtbank heeft hem veroordeeld ter zake poging tot doodslag.
()
Cliënt is first offender en heeft nog nooit zolang vastgezeten. Verder heeft cliënt het zwaar in detentie, nu bezoek vanwege de corona-maatregelen vrijwel onmogelijk is.
Ik kan het dossier niet adequaat met cliënt bespreken en hij krijgt amper tot geen bezoek. Ik meen dat er thans geen redelijk doel is bij het voortduren van de voorlopige hechtenis. Ik verzoek de voorlopige hechtenis van cliënt derhalve te schorsen. De detentiefasering zou over enkele maanden al ingaan. Straks heeft cliënt zijn gehele straf feitelijk al uitgezeten. Dat is niet de bedoeling van een hoger beroep.
()
De verdachte verklaart nog het volgende:
()
Ik zit al 3 jaren vast. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat de maatschappelijke belangen dienen te prevaleren boven mijn belangen. Maar ik hoor ook tot de maatschappij. Ik krijg geen medische verzorging in de gevangenis. Ik zit al tegen mijn fasering aan. Waarom moet ik nog steeds vastzitten?
()
De voorzitter deelt als beslissing van het hof als volgt mede:
Het hof begrijpt het verzoek van de raadsman aldus dat is verzocht om opheffing c.q. schorsing van de voorlopige hechtenis.
Het verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt afgewezen, nu het hof van oordeel is dat de ernstige bezwaren en de gronden die tot het laatst verleende bevel tot verlenging van de gevangenhouding hebben geleid nog onverkort aanwezig zijn. Voorts ligt ten grondslag aan de voorlopige hechtenis het bestreden vonnis waarbij een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren aan verdachte is opgelegd. De situatie als bedoeld in art. 67a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering doet zich naar het oordeel van het hof thans niet voor.
Bij de beoordeling van een verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis wordt als uitgangspunt genomen de ernst van het feit waar de verdenking betrekking op heeft, het gewicht van de tegen de verdachte gerezen bezwaren en de gronden die aan het bevel tot voorlopige hechtenis ten grondslag zijn gelegd. Daarbij moet het persoonlijk belang dat de verdachte heeft bij een schorsing worden afgewogen tegen het algemeen belang dat met de voortzetting van de voorlopige hechtenis is gemoeid.
Ten laste van verdachte is een veroordelend vonnis gewezen. Daardoor komt de vrijheidsbeneming van verdachte te rusten op artikel 5, eerste lid, sub a, van het EVRM. Dat betekent onder meer dat niet zonder meer het recht van verdachte van kracht is om zijn berechting in vrijheid af te wachten, nu die berechting door een daartoe bevoegde rechter heeft plaatsgevonden. Schorsing is alsdan slechts aan de orde indien er sprake is van zwaarwichtige de persoon van verdachte betreffende omstandigheden op grond waarvan het belang dat de samenleving thans heeft bij voortzetting van de voorlopige hechtenis dient te wijken voor het persoonlijk belang van verdachte.
In hetgeen aan het schorsingsverzoek ten grondslag is gelegd is het hof niet gebleken van zwaarwichtige persoonlijke omstandigheden die ertoe dienen te leiden dat de voorlopige hechtenis dient te worden geschorst. Bij de afweging van het persoonlijk belang dat verdachte heeft bij een schorsing van de voorlopige hechtenis tegen het algemeen belang dat met de voortzetting van de voorlopige hechtenis is gemoeid, dient naar het oordeel van het hof het laatste belang thans te prevaleren.
De invloed van beperkende maatregelen als gevolg van de coronacrisis zijn bij deze afweging betrokken en maken het oordeel niet anders.
Het schorsingsverzoek wordt derhalve afgewezen.’
1.11
In het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep d.d. 26 augustus 2020 is onder meer gerelateerd:
‘De verdachte verklaart desgevraagd als volgt:
Ik heb niet veel aanvullingen op hetgeen ik ter terechtzitting van 3 juli 2019 naar voren heb gebracht. De schade door deze zaak wordt steeds zwaarder voor mij en mijn omgeving. In december 2019 ben ik overgeplaatst naar [verblijfplaats]. De reden hiervoor was gelegen in de behoefte van medische zorg. Met betrekking tot het bezoek is dit fijn. Tijdens de corona-periode heb ik geen medische zorg ontvangen. Mijn vriendin heeft het behoorlijk zwaar, zij moet alles opvangen.
()
De raadsman pleit overeenkomstig de inhoud van de door hem aan het hof overgelegde pleitnotities, welke aan dit proces-verbaal zijn gehecht en als hier herhaald en ingelast worden beschouwd en deelt aanvullend mede:
()
Einde: mijn cliënt heeft al veel te lang in voorlopige hechtenis gezeten. De verdediging heeft meermalen gevraagd om schorsing van de voorlopige hechtenis. Hij heeft geen strafblad, hij is first offender. Het bedrijf dat mijn cliënt had, is hij kwijt geraakt, hij heeft zijn dochter al tijden niet gezien en zijn relatie is naar de knoppen. Ik verzoek het hof de voorlopige hechtenis op te heffen, dan wel de voorlopige hechtenis te schorsen tot aan het onherroepelijk worden van het arrest.
Het hof kan hier, voor wat de verdediging betreft, bij arrest een beslissing op nemen. Mijn cliënt zou vrij zijn als hij niet in hoger beroep was gegaan.
De verdachte verklaart als volgt:
Ik zit inmiddels 1046 dagen in voorlopige hechtenis.’
1.12
In het arrest van 9 september 2020 heeft het hof onder meer overwogen en geoordeeld:
‘Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep en in eerste aanleg.
()
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het beroepen vonnis en met de gronden waarop het berust, met aanvullingen, verbeteringen en schrappingen van de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen en met aanvullingen van de bewijsoverwegingen naar aanleiding van het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep.
()
Voorlopige hechtenis
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging verzocht dat het hof de voorlopige hechtenis van de verdachte zal opheffen. Gelet op de duur van de gevangenisstraf die aan de verdachte zal worden opgelegd, is opheffing van de voorlopige hechtenis niet aan de orde.
Het hof zal daarom het verzoek van de verdediging dat strekt tot het opheffen van de voorlopige hechtenis van de verdachte afwijzen.
Het hof wijst ook het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis af. Het hof is van oordeel dat bij afweging van het persoonlijk belang dat de verdachte heeft bij een schorsing van de voorlopige hechtenis tot het onherroepelijk worden van het arrest tegen het algemeen belang dat met de voortzetting van de voorlopige hechtenis is gemoeid, het laatste belang in casu het zwaarst dient te wegen.
Beslissing
Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene’
1.13
Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep volgt dat verdachte op 16 april 2018 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis en dat verdachte ten tijde van het instellen van hoger beroep en nadien in voorlopige hechtenis verbleef. Uit het verhandelde ter terechtzitting volgt voorts dat namens verdachte gedurende de procedure in hoger beroep meermalen tevergeefs is verzocht de voorlopige hechtenis te schorsen, waarbij onder meer gewezen is op (verkort zakelijk weergegeven) de lange duur van de voorlopige hechtenis; zijn gezondheidssituatie en de gevolgen van de hechtenis voor zijn bedrijf. Daarnaast is gewezen op de omstandigheid dat de voorlopige hechtenis in eerste aanleg is geschorst en dat verdachte in die periode zich niet aan de verdere tenuitvoerlegging heeft onttrokken of een delict heeft gepleegd dan wel de invrijheidsstelling maatschappelijke onrust heeft veroorzaakt. Het hof heeft telkens de verzoeken afgewezen en daarbij slechts volstaan met een algemene standaard overwegingen zonder in te gaan op de specifieke merites van de zaak en hetgeen de verdediging heeft aangevoerd. Uiteindelijk heeft het hof pas uitspraak gedaan op 9 september 2020. Gedurende die periode heeft verdachte steeds in voorlopige hechtenis verbleven.
1.14
Art. 5 EVRM stelt onder meer dat:
- ‘3.
Everyone arrested or detained in accordance with the provisions of paragraph 1(c) of this Article … shall be entitled to trial within a reasonable time or to release pending trial. Release may be conditioned by guarantees to appear for trial.’
1.15
De op 31 december 2020 geactualiseerde ‘Guide on Article 5 of the European Convention on
Human Rights’ stelt onder meer (voor zover i.c. met name van belang):
- ‘198.
The question whether a period of time spent in pre-trial detention is reasonable cannot be assessed in the abstract. Whether it is reasonable for an accused to remain in detention must be assessed on the facts of each case and according to its specific features. Continued detention therefore can be justified in a given case only if there are specific indications of a genuine requirement of public interest which, notwithstanding the presumption of innocence, outweighs the rule of respect for individual liberty laid down in Article5 of the Convention.
- 199.
The responsibility falls in the first place to the national judicial authorities to ensure that, in a given case, the pre-trial detention of an accused person does not exceed a reasonable time. To this end they must, paying due regard to the principle of the presumption of innocence, examine all the facts arguing for or against the existence of the above-mentioned demand of public interest justifying a departure from the rule in Article5 and must set them out in their decisions on the applications for release. It is essentially on the basis of the reasons given in these decisions and of the established facts stated by the applicant in his appeals that the Court is called upon to decide whether or not there has been a violation of Article 5 §3(Buzadji v. the Republic of Moldova[GC], §§89–91; McKay v. the United Kingdom[GC], §§ 41–43).
- 200.
The persistence of a reasonable suspicion is a condition sine qua non for the validity of the continued detention. But when the national judicial authorities first examine, ‘promptly’ after the arrest, whether to place the arrestee in pre-trial detention, that suspicionno longer suffices, and the authorities must also give other relevant and sufficient grounds to justify the detention (Merabishvili v. Georgia[GC], § 222, and Buzadji v. the Republic of Moldova[GC], § 102). Where such the grounds continued to justify the deprivation of liberty, the Court must also be satisfied that the national authorities displayed ‘special diligence’ in the conduct of the proceedings (Buzadji v. the Republic of Moldova[GC], § 87; Idalov v. Russia [GC], § 140).
- 201.
The arguments for and against release must not be ‘general and abstract’ (Boicenco v. Moldova, §142; Khudoyorov v.Russia, §173), but contain references to the specific facts and the applicant's personal circumstances justifying his detention (Aleksanyan v. Russia, §179; Rubtsov and Balayan v. Russia, §§ 30–32).
- 202.
Quasi-automatic prolongation of detention contravenes the guarantees set forth in Article 5 §3 (Tase v.Romania, §40).
- 203.
It falls on the authorities to establish the persistence of reasons justifying continued pre-trial detention (Merabishvili v. Georgia[GC], § 234). The burden of proof in these matters should not be reversed by making it incumbent on the detained person to demonstrate the existence of reasons warranting his release (Bykov v.Russia[GC], §64).
()
4. Grounds for continued detention
- 206.
The Convention case-law has developed four basic acceptable reasons for refusing bail: (a)the risk that the accused will fail to appear for trial; (b)the risk that the accused, if released, would take action to prejudicethe administration of justice, or (c)commit further offences, or (d)cause public disorder (Buzadji v. the Republic of Moldova[GC], § 88; Tiron v.Romania, §37; Smirnova v. Russia, §59; Piruzyan v.Armenia, §94). Those risks must be duly substantiated, and the authorities' reasoning on those points cannot be abstract, general or stereotyped (Merabishvili v. Georgia[GC], §222). However, nothing precludes the national judicial authorities from endorsing or incorporating by reference the specific points cited by the authorities seeking the imposition of pre-trial detention (ibid.,§ 227).
()
6. Alternative measures
- 226.
When deciding whether a person should be released or detained, the authorities are obliged to consider alternative measures of ensuring his appearance at trial (Idalov v.Russia[GC], §140). That provision proclaims not only the right to ‘trial within a reasonable time or to release pending trial’ but also lays down that ‘release may be conditioned by guarantees to appear for trial’ (Khudoyorov v.Russia, §183; Lelièvre v. Belgium, §97; Shabani v.Switzerland, §62).’
1.16
Eerder zijn waarschuwingen geuit waarin gesteld is dat de wijze waarop in Nederland bevelen tot voorlopige hechtenis plegen te worden gemotiveerd, in strijd is met de eisen die uit art. 5 EVRM voortvloeien.1. Zeer recent, 9 februari 2021, heeft het EHRM zich gebogen over de in Nederland gangbare praktijk met betrekking tot de voorlopige hechteneis en —met name— de wijze waarop bevelen worden gemotiveerd.2. Het EHRM stelt onder meer3.:
- ‘53.
The applicable general principles concerning the length and the justification of pre-trial detention are set out in Buzadji (cited above, §§ 84–91).
- 54.
The Court reiterates in particular that, while paragraph 1 (c) of Article 5 sets out the grounds on which pre-trial detention may be permissible in the first place (see De Jong, Baljet and Van den Brink v. the Netherlands, 22 May 1984, § 44, Series A no. 77), paragraph 3, which forms a whole with the former provision, lays down certain procedural guarantees, including the rule that detention pending trial must not exceed a reasonable time, thus regulating its length (see Buzadji, cited above, § 86).
- 55.
According to the Court's established case-law under Article 5 § 3, the persistence of a reasonable suspicion is a condition sine qua non for the validity of the pre-trial detention but after a certain lapse of time- that is to say as from the first judicial decision ordering detention on remand (see Buzadji, cited above, § 102) — it no longer suffices. The Court must then establish (1) whether other grounds cited by the judicial authorities continue to justify the deprivation of liberty, and (2) where such grounds were ‘relevant’ and ‘sufficient’, whether the national authorities displayed ‘special diligence’ in the conduct of the proceedings. Justification for any period of detention, no matter how short, must be convincingly demonstrated by the authorities (see, among many other authorities, Idalov v. Russia [GC], no. 5826/03, § 140, 22 May 2012; and Buzadji, cited above, § 87). Justifications which have been deemed ‘relevant’ and ‘sufficient’ reasons — in addition to the existence of reasonable suspicion — in the Court's case-law, have included such grounds as the danger of absconding, the risk of pressure being brought to bear on witnesses or of evidence being tampered with, the risk of collusion, the risk of reoffending, the risk of causing public disorder and the need to protect the detainee (see Buzadji, cited above, § 88, with further references). Until conviction, an accused must be presumed innocent and the purpose of the provision under consideration is essentially to require his or her provisional release once his or her continuing detention ceases to be reasonable (see McKay v. the United Kingdom [GC], no. 543/03, § 41, ECHR 2006-X, and Buzadji, cited above, § 89).
- 56.
The question of whether a period of time spent in pre-trial detention is reasonable cannot be assessed in the abstract. Whether it is reasonable for an accused to remain in detention must be assessed on the facts of each case and according to its specific features. Continued detention can be justified in a given case only if there are specific indications of a genuine requirement of public interest which, notwithstanding the presumption of innocence, outweighs the rule of respect for individual liberty laid down in Article 5 of the Convention (see, for instance, Labita v. Italy [GC], no. 26772/95, § 152, ECHR 2000-IV, and Kudła v. Poland [GC], no. 30210/96, §§ 110 et seq., ECHR 2000-XI; see also Buzadji, cited above, § 90).
- 57.
It primarily falls to the national judicial authorities to ensure that, in a given case, the pre-trial detention of an accused person does not exceed a reasonable time. Accordingly, they must, with respect for the principle of the presumption of innocence, examine all the facts militating for or against the existence of the above mentioned requirement of public interest or justifying a departure from the rule in Article 5, and must set them out in their decisions on applications for release (see Buzadji, cited above, § 91). With particular regard to the risk of ‘public disorder’, consideration must be given to the question whether the offences concerned, by reason of their particular gravity and public reaction to them, may give rise to a social disturbance capable of justifying pre-trial detention. In exceptional circumstances this factor may therefore be taken into account for the purposes of the Convention, in any event in so far as domestic law recognises — as in Article 67a of the CCP — the notion of disturbance to public order caused by an offence (see Letellier, cited above, § 51, and J.M. v. Denmark, cited above, §62).
- 58.
In exercising its function on this point, the Court has to ensure that the domestic courts' arguments for and against release must not be ‘general and abstract’ (see, for example, Smirnova v. Russia, nos. 46133/99 and 48183/99, § 63, ECHR 2003-IX (extracts)), but contain references to specific facts and the personal circumstances justifying an applicant's detention (see, mutatis mutandis, Panchenko v. Russia, no. 45100/98, § 107, 8 February 2005). For example, the Court found no violation of Article 5 § 3 in a case concerning a pre-trial detention period of more than four years (see Lisovskij v. Lithuania, no. 36249/14, § 77, 2 May 2017, in which it considered that the Lithuanian courts thoroughly evaluated all the relevant factors and based their decisions on the particular circumstances of the case), in a case concerning a pre-trial detention period of more than three years and eight months (see Štvrtecký v. Slovakia, no. 55844/12, § 65, 5 June 2018, in which the Court observed that the judicial authorities referred to specific facts of the case and did not use a pre-existing template or formalistic and abstract language and noted that, with the passing of time, the court's reasoning evolved to reflect the state of the investigations) and in a case concerning a pre-trial detention period of one year, three months and twenty-three days (see Podeschi v. San Marino, no. 66357/14, § 153, 13 April 2017, in which the Court observed that while the various jurisdictions referred to the previous decisions refusing bail, they gave details of the grounds for the decisions in view of the developing situation and whether the original grounds remained valid despite the passage of time), whereas the Court did find a violation of this provision in a case in which the pre-trial detention lasted three months (Sinkova v. Ukraine, no. 39496/11, § 74, 27 February 2018, in which the Court observed that, in extending the applicant's detention and rejection her applications for release, the domestic courts mainly referred to the reasoning for her initial placement in detention, without any updated details); in a case concerning a period of pre-trial detention of forty-three days (Krivolapov v. Ukraine, no. 5406/07, §§ 105–108, 2 October 2018, for which the Court noted the absence from the relevant decision of any justification other than the fact that criminal proceedings were pending against the applicant); and in a case in which the pre-trial detention lasted slightly less than two months (Cîrstea v. Romania [Committee], no. 10626/11, §§ 54–59, 23 July 2019, in which the Court found that the domestic courts failed to adduce a proper substantiation for the alleged risks in case of a discontinuation of the applicant's pre-trial detention).
- 59.
Where circumstances that could have warranted a person's detention may have existed but were not mentioned in the domestic decisions it is not the Court's task to establish them and take the place of the national authorities which ruled on the applicant's detention (see Bykov v. Russia [GC], no. 4378/02, § 66, 10 March 2009, and Giorgi Nikolaishvili v. Georgia, no. 37048/04, § 77, 13 January 2009).
()
- 64.
However, the Court considers that the domestic judicial authorities in their subsequent decisions on the applicant's pre-trial detention — the Court of Appeal's decision of 14 January 2015 (see paragraph 11 above), the Regional Court's decision of 17 March 2015 (see paragraph 15 above), the Court of Appeal's decision of 22 April 2015 (see paragraph 17 above) and the Regional Court's decision of 9 June 2015 (see paragraph 20 above) — fell short of the above requirements. In particular, they did not show that public order would have been upset if the applicant had been released from pre-trial detention or if a preventive measure less compelling than detention had been imposed on him. Indeed, those subsequent decisions confirmed, in a relatively stereotyped way, without addressing the applicant's and the prosecutor's arguments and without any further explanation, the validity of the assessment previously made; they constituted little more than a chain of references leading back to the investigating judge's order of 5 December 2014 (see paragraph 6 above).
- 65.
In this context, it should be reiterated that it is essentially on the basis of the reasons given by the national judicial authorities in their decisions on applications for release and of the well-documented facts stated by the applicant in his appeals that the Court is called upon to decide whether or not there has been a violation of Article 5 § 3 (see Buzadji, cited above, § 91). The Court cannot therefore accept the Government's contention that the depth of the courtroom discussions, reflected into the official records of the hearings concerned, compensated for the lack of detail in the written decisions (see paragraph 44 above). Indeed, the discussion at the hearing reflects the arguments put forward by the parties, but does not indicate what were the grounds justifying the pre-trial detention in the eyes of the judicial authority competent to order or extend a deprivation of liberty. Only a reasoned decision by those authorities can effectively demonstrate to the parties that they have been heard, and make appeals and public scrutiny of the administration of justice possible (see Ignatenco v. Moldova, no. 36988/07, § 77, 8 February 2011). In this respect it is moreover noted that national-law provisions — Articles 24(1) and 78(2) of the CCP (see paragraphs 23 and 25 above) — stipulate that decisions on pre-trial detention should be duly reasoned.’
1.17
Uit deze uitspraken volgt dat de in Nederland gangbare wijze van motivering, waarbij volstaan wordt met het noemen van een geschokte rechtsorde zonder dat daarbij — zoals ook in de zaak van verdachte door het hof telkens is geschied — gemotiveerd wordt waarom die geschokte rechtsorde (nog) aan de orde is, in ruime mate tekort schiet. Zoals i.c. is geschied heeft het hof telkens volstaan met algemene —standaard— overwegingen, die als ‘general and abstract’ zijn aan te merken en geen ‘specific facts and the personal circumstances justifying an applicant's detention’ bevatten. De (enkele) verwijzing naar de 12-jaarsgrond, de geschokte rechtsorde, kan niet als een voldoende motivering worden beschouwd, ‘in particular, they did not show that public order would have been upset if the applicant had been released from pre-trial detention or if a preventive measure less compelling than detention had been imposed on him. Indeed, those subsequent decisions confirmed, in a relatively stereotyped way, without addressing the applicant's and the prosecutor's arguments and without any further explanation, the validity of the assessment previously made’.4. Dit klemt te meer nu de voorlopige hechtenis jaren heeft geduurd en door de verdediging uitdrukkelijk het (voldoende) bestaan van die grond is betwist.
1.18
Uit art. 5 EVRM volgt daarnaast dat voorlopige hechtenis kan worden toegepast, maar ook dat de voorlopig gehechte ‘shall be entitled to trial within a reasonable time or to release pending trial’. De in dat artikel genoemde ‘reasonable time’ zal, gelet op de aard van de vrijheidsbeneming niet langer mogen zijn dan de in art. 6 EVRM bedoelde ‘reasonable time’. Met betrekking tot de in art. 6 EVRM bedoelde ‘reasonable time’ heeft de Hoge Raad gesteld dat deze termijn in zaken als de onderhavige, te weten waarin een verdachte in voorlopige hechtenis verblijft, 16 maanden bedraagt.5. Dit betekent dat gedurende de procedure in hoger beroep de ‘reasonable time’ als bedoeld in art. 6 EVRM en (dus ook in) art. 5 EVRM is overschreden.
1.19
Tegen beslissingen die betrekking hebben op de voorlopige hechtenis staat geen cassatie open. Nu evenwel in de onderhavige zaak het hof art. 5 EVRM heeft geschonden kan over deze schending gelet op art. 13 EVRM in cassatie hierover worden geklaagd. Gelet op de schending van art. 5 EVRM dient dan ook het arrest van het hof te worden vernietigd, althans zal de Hoge Raad zelf alsnog strafvermindering dienen te bepalen zoals de Hoge Raad ook wel doet indien er sprake is van schending van art. 3 EVRM6. of 6 EVRM7..
1.20
Indien het arrest of de strafoplegging niet reeds vanwege het bovenstaande moet worden vernietigd, is het volgende van belang. De strafoplegging wordt bepaald door uiteenlopende factoren, waaronder de ernst van het feit en de persoon van de verdachte. De feitenrechter is — binnen de grenzen van het ter zake geldende strafmaximum — vrij in de keuze van de straf, waaronder ook is te verstaan de keuze van de strafsoort, en in de waardering van de factoren die hij daarbij van belang acht.8. De ‘feitenrechter’ heeft veel vrijheid in het bepalen van zijn straf en de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen. De Hoge Raad toetst die motiveringen — mits daarover wordt geklaagd — terughoudend, in die zin dat slechts op begrijpelijkheid wordt getoetst. Fokkens is — onder verwijzing naar de motiveringsplicht van de Engelse- en Duitse rechter — van mening dat de Hoge Raad te terughoudend is bij het toetsen van strafmotiveringen. Hij bepleit een uitgebreidere motivering en toetsing van de strafoplegging. Gelet op het belang van de rechtseenheid zou volgens Fokkens de Hoge Raad door het stellen van meer eisen aan de strafmotivering een dergelijke ontwikkeling kunnen stimuleren. Een onverklaarbare ongelijkheid in straftoemeting is niet minder onwenselijk dan bijvoorbeeld verschillen in de uitleg van roekeloosheid als vorm van schuld in het verkeer.9. Fokkens wordt in deze kritiek bijgevallen door Bleichrodt. De terugtrekkende beweging van de Hoge Raad bij de toetsing van de straftoemeting verdient -mede in het licht van de verdeling van verantwoordelijkheden tussen wetgever en strafrechter- naar zijn mening heroverweging of in ieder geval nuancering.10.
1.21
In het vonnis heeft de rechtbank verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van aanmerkelijke duur, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar. Ten aanzien van de strafoplegging heeft de rechtbank overwogen dat strafmatigende feiten of omstandigheden niet aannemelijk zijn geworden. Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep volgt dat verdachte op 16 april 2018 hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis en dat verdachte ten tijde van het instellen van hoger beroep en nadien in voorlopige hechtenis verbleef. Uit het verhandelde ter terechtzitting volgt voorts dat namens verdachte gedurende de procedure in hoger beroep meermalen tevergeefs is verzocht de voorlopige hechtenis te schorsen, waarbij onder meer gewezen is op de lange duur van de voorlopige hechtenis; zijn gezondheidssituatie en de gevolgen van de hechtenis voor zijn bedrijf. Voorts is gewezen op de problemen die Covid19 hebben veroorzaakt voor het verblijf in detentie. Door de verdediging is verder aangevoerd dat de voorlopige hechtenis en de lange duur van de berechting als gevolg heeft gehad dat verdachte later in vrijheid is gesteld dan wanneer hij in het vonnis zou hebben berust. Uit het verhandelde ter terechtzitting volgt daarnaast dat het hof pas uitspraak heeft gedaan op 9 september 2020, derhalve ruim nadat de redelijke termijn was verstreken, nu deze termijn immers 16 maanden bedraagt in zaken als de onderhavige.11. Gelet hierop heeft het hof, door ten aanzien van de strafoplegging slechts te volstaan met de bevestiging van de strafoplegging van de rechtbank, het arrest onvoldoende met redenen omkleed. De omstandigheid dat niet uitdrukkelijk is geklaagd over schending van art. 6 EVRM staat daaraan dus niet in de weg, nu de verdediging uitdrukkelijk heeft aangevoerd dat en waarom de vrijheidsbeneming verdachte bijzonder zwaar is gevallen en de bevestiging van het oordeel van de rechtbank dat ‘strafmatigende feiten of omstandigheden niet aannemelijk zijn geworden’ dan ook tekort schiet.
Dat
Op vorenstaande gronden het u Edelhoogachtbaar College moge behagen, gemelde uitspraak te vernietigen met een zodanige uitspraak als uw Edelhoogachtbaar College noodzakelijk voorkomt.
Rotterdam, 9 februari 2021
Advocaten
R.J. Baumgardt
P. van Dongen
S. van den Akker
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 14‑12‑2020
Zie o.m. T.M. Schalken, De rechtsorde moet geregeld, AB 2007, pag. 266; N. van der Laan, De voorlopige hechtenis lotto. Een pleidooi voor motiveren en publiceren, NJB 2009, 1853; S.L.J. Janssen en P.P.J. van der Meij, Tekenen bij het kruisje. De motivering van voorlopige hechtenis, NJB 2012, pag. 1785 e.v.; E. Krielen, De voorlopige hechtenis in het licht van de ‘presumptio innocentiae’, 2012, pag. 19; R. Robroek, De motivering van voorlopige hechtenis in Nederland en het EVRM, DD 2017, pag. 43 e.v.; Taru Spronken, Geen voorlopige hechtenis tenzij, Vooraf, NJB 2017/1073, afl. 20; Tekst en uitleg, Onderzoek naar de motivering van voorlopige hechtenis, publicatie van het College voor de Rechten van de Mens, 2017;
EHRM 9 februari 2021, apl. 10982/15 — Maassen-; appl. 73329/16 —Hasselbaink en appl. 69491/16 — Zohlandt—.
Zie de eerste in noot 1 genoemde uitspraak.
Zie in dit verband par. 64. van de hierboven aangehaalde Maassen uitspraak.
R.o.v. 3.14 en 3.15 HR 3 oktober 2000, NJ 2000/721, m.nt. BF Keulen, zie ook HR 29 september 2015, NJ 2016/70, m.nt. BF Keulen.
Zie HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1092.
Zie HR 2 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:163.
HR 15 januari 2019, NJ 2019/60.
J.W. Fokkens, ‘Oriëntatiepunten en verbetering van de straftoemeting’, Tijdschrift voor rechtspraak en straftoemeting 2018, afl. 2, p. 5–14.
F.W. Bleichrodt, Dynamiek tussen de wetgever en de strafrechter, NJB 2020, pag. 1727.
R.ov. 3.14 en 3.15 HR 3 oktober 2000, NJ 2000/721, m.nt. BF Keulen, zie ook HR 29 september 2015, NJ 2016/70, m.nt. BF Keulen.