Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/7.3.4
7.3.4 Kwalificatie van overige kleding en van omgangsvormen als uiting van godsdienst door de CGB
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS456414:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
CGB 7 augustus 1995, oordeel 95-31 (hoofddoek). Zie hierover: Sluis, Ondernemersbrief nr. 5, 1995, p. 1-3, Zie ook CGB 22 december 1999, AB 2000, 72, m.nt. BPV.
CGB 21 maart 1997, oordeel 1997-23 (Bidden).
CGB 26 maart 1997, oordeel 1997-24 (Tulband).
CGB 28 augustus 1998, oordeel 1998-94 (Handen schudden). Zie ook: CGB 7 november 2006, oordeel 2006-220-221, CGB 7 augustus 2014, oordeel 2014-93 en CGB 30 juni, oordeel 2015-76.
Zie bijv. CGB 5 maart 2002, oordeel 2002-22.
Dat deed het CRM niet in de pastafari-zaak. In zijn uitspraak stelt het CRM: ‘… het College [is] van oordeel dat het piratenkostuum niet in brede kring wordt gezien als een uiting daarvan [godsdienst]…’. Deze kwalificatie is objectiverend van aard omdat er gerefereerd wordt naar algemene opvattingen. Deze uitspraak wijkt af van de jurisprudentielijn van het CRM aangezien in andere (met name) islamitische uitspraken (zie hierna) juist het uitgangspunt was dat wanneer eenmaal vastgesteld was dat de justitiabele een geloof aanhangt het niet meer relevant is in hoeverre er binnen of buiten de eigen geloofskring tegen de betreffende uiting of gedraging wordt aangekeken. Zie CRM 11 december 2017, oordeel 2017-145.
Zie annotatie B.P. Vermeulen bij Rb. Amsterdam 21 mei 2001, AB 2001, 342.
CGB 20 maart 2003, oordeel 2003-40, AB 2003, 233, m.nt. B.P. Vermeulen (Nikaab). De laatste toevoeging van Vermeulen spreekt vanzelf. Indien een justitiabele puur willekeurig een geloofsmotief tevoorschijn ‘tovert’, dan kan dit motief niet als geloofwaardig worden gezien. Vraag blijft echter wel wanneer er sprake is van willekeur.
CGB 28 augustus 1998, oordeel 1998-94; CGB 5 maart 2002, oordeel 2002-22; Rb. Amsterdam 21 mei 2001, AB 2001, 342.
CGB 5 maart 2002, oordeel 2002-22, r.o. 5.15.
Zie o.a. CGB 28 augustus 1998, oordeel 1998-94; CGB 5 maart 2002, oordeel 2002-22, r.o. 5.15.
Men kan zich in dit verband ook afvragen in hoeverre onbekende sekten vallen binnen het godsdienstbegrip. Overigens hanteer ik in dit onderzoek geen aparte definitie voor sekten. Ik wil mij niet ‘branden’ aan een eventueel verschil tussen een sekte of een godsdienst.
Zie in dit verband: Van Praag 2008, p. 51. De auteur beschrijft hierin o.a. dat bevlogen figuren zoals Paulus, Luther, Calvijn, etc. moeilijk zijn te kwalificeren als pathologisch gezien hun unieke creativiteit, de diepgang van hun inzichten, hun literaire/ essayistische talenten en de duurzame invloed die zij hebben uitgeoefend op onze cultuur.
De standaardbenadering van de CGB, die de zelfdefinitie van de drager van de gelaatsbedekkende kleding als uitgangspunt neemt, werd door de CGB ook gebruikt in verschillende zaken over andere religieuze uitingen en gedragingen. Voor het eerst treffen we deze redenering aan ten aanzien van het dragen van een hoofddoek (1995),1 bidden (1997),2 het dragen van een tulband (1997)3 en het niet willen handen schudden met iemand van de andere sekse (1998).4 Markant is dat er geen CGB-oordelen zijn over het dragen van een keppel of kruisje. De meeste uitingen en gedragingen die een grond vormen voor onderscheid zijn van islamitische origine. Wel blijkt uit overwegingen van de CGB in het kader van andere religieuze uitingen en gedragingen dat zij het dragen van een keppel of kruisje eveneens kwalificeert als godsdienstige uiting of gedraging.5 In alle bovengenoemde zaken gaat de commissie uit van de interpretatie die de klagende partij van zijn of haar (door de klager of klaagster als religieus aangemerkt) handelen geeft.6 Dat sommige andere gelovigen binnen de betreffende religieuze geloofsgemeenschap hierover anders denken doet daaraan niet af.7 Annotator Vermeulen verwoordt deze redenering als volgt:
‘Als de betrokkene naar voren brengt dat zij op grond van haar islamitische geloofsachtergrond een dergelijk kledingstuk moet dragen, dan moet de juridische beslisser (commissie, bestuur, rechter) daar in principe van uitgaan, zolang er geen sprake is van willekeur waardoor het aangevoerde godsdienstige motief apert ongeloofwaardig wordt.’8
Geen kwalificatie op basis van een volstrekt subjectieve geloofsovertuiging?
Opmerkenswaardig is dat de CGB in met name de wat oudere oordelen deze subjectiverende kwalificatie enigszins ontkracht door te stellen dat zuiver individuele en subjectieve opvattingen en de uitingen en gedragingen die daaruit volgen niet worden beschermd. Dit voorbehoud brengt de CGB bijvoorbeeld naar voren in de wat oudere zaken met betrekking tot het dragen van een hoofddoek of het weigeren om handen te schudden van iemand van de andere sekse.9 Bijvoorbeeld in een zaak met betrekking tot een man die niet was aangenomen voor de functie van reproductiemedewerker op een school omdat hij had aangekondigd vrouwen op grond van zijn geloof geen hand te zullen geven. De CGB stelt dat, hoewel de justitiabele niet heeft verwezen naar
‘… traceerbare religieuze voorschriften en tradities waarmee kan worden aangetoond dat het niet geven van een hand aan een persoon van het andere geslacht een algemeen erkende uiting kan zijn van het moslimgeloof …’,
dit geen reden is om aan te nemen ‘… dat het niet geven van een hand, hoofdzakelijk of zelfs uitsluitend, stoelt op een individuele, subjectieve opvatting’. Dat het niet willen handen schudden geen volstrekt subjectieve opvatting is, blijkt volgens de CGB uit het feit dat de CGB met enige regelmaat klachten krijgt van moslims die beweren om deze gedraging te zijn gediscrimineerd. Daarom is het volgens de CGB aannemelijk dat het niet geven van een hand aan een persoon van het andere geslacht een gedraging is die uitdrukking kan geven aan een geloofsopvatting.10 De CGB refereert in deze zaak aan het leerstuk van de interpretatieve terughoudendheid en stelt dat het niet aan haar is om te treden in verschillen van meningen over theologische leerstellingen, die hun weerslag kunnen hebben op de wijze waarop personen uiting kunnen geven aan hun godsdienst. Tegelijkertijd impliceren bovenstaande overwegingen dat indien een uiting of gedraging voortvloeit uit een louter individuele, subjectieve opvatting er minder belang dient te worden gehecht aan het leerstuk van interpretatieve terughoudendheid. Voor dergelijke uitingen geldt kennelijk dat ze niet worden beschouwd als religieuze uiting in juridische zin.11
Bij deze consequentie zijn de nodige kanttekeningen te maken. Kennelijk is de CGB niet geheel overtuigd van de zelfdefinitie van het rechtssubject, maar vindt zij dat de uiteindelijke kwalificatie toch wel iets objectiefs in zich moet dragen, in de zin dat de opvatting niet geheel subjectief mag zijn maar op de een of andere manier moet aansluiten bij een bestaande religieuze stroming. Om die reden verwijst de CGB naar de regelmaat waarmee zij klachten krijgt over discriminatie vanwege het niet willen handen schudden door moslims. Eigenlijk past de CGB daarmee een objectiverende kwalificatie toe. Ze hanteert criteria met een algemeen karakter buiten het rechtssubject om. We hebben gezien dat ook het EHRM in het arrest S.A.S. v Frankrijk terughoudend is om een subjectiverende kwalificatie toe te passen. Uit dit arrest bleek dat ook het EHRM impliciet waarde eraan hecht dat een uiting of gedraging niet volledig subjectief is maar voldoende relatie heeft met een bekende godsdienst of levensovertuiging. Uitingen of gedraging met een volledig subjectieve basis worden niet beschermd. Waarom is dat? Waarom zou een individuele gelovige niet een geheel eigen interpretatie mogen hebben van bepaalde theologische uitgangspunten en daarin bescherming verdienen? Wat is het verschil tussen het individu en een kleine religieuze minderheid?12 De uiterste consequentie van de redenering dat een geloofsuiting of gedraging niet geheel individueel mag zijn, is dat belangrijke religieuze ‘hervormers’ (bijv. Jezus, Abraham, Paulus, Luther, Calvijn, Mohammed etc.) geen aanspraak zouden kunnen maken op de godsdienstvrijheid omdat hun opvatting te subjectief is. Toch zou men kunnen betogen dat de godsdienstvrijheid juist voor deze ‘dissenters’, en voor de samenleving, van grote betekenis is.13