Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/2.3.3.1
2.3.3.1 S-H-S-inkomensbegrip
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630608:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
Schanz. Haig en Simons.
In de literatuur wordt bijvoorbeeld door Holmes het S-H-S-inkomensbegrip genoemd als de beste grondslag voor een inkomstenbelasting. Holmes pagina 35.
Schanz, ‘Wir rechnen also zum Einkommen alle reinerträge und Nutzungen, geldwerte Leistungen Dritter, alle Geschenke, Erbschaften, Legate, Lotteriegewinne, Versicherungskapitalien, Versicherungsrenten, Konjunkturengewinne jeder Art, mit rechnen ab alle Schuldzinsen und Vermögensverluste. Was erüberigt, steht neu zur Disposition des Empfängers, gehört nicht zu dem bereits vorhandenen Stammvermögen, tritt erst zu dem bisheriger Vermögen - das natürlich auch fast Null sein kann - hinzu.’
Haig: ‘Income is the money value of the net accretion to economic power between two points of time.’
Simons: ‘Personal income may be defined as 'the algebraic sum of (1) the market value of rights exercised in consumption and (2) the change in the value of the store of property rights between the beginning and end of the period in question.’
Voor een uitgebreide analyse verwijs ik naar Van den Dool 2009, hoofdstuk 3.
Van den Dool 2009, pagina 295.
Zie in dit kader ook Belastingplan 2016 waarin het lock-in effect wordt behandeld in het kader van de inkomstenbelasting: ‘Een vermogensaanwasbelasting is vooralsnog niet uitvoerbaar. Zo zou het betekenen dat elke belastingplichtige gedurende het jaar een boekhouding moet bijhouden van alle stortingen en onttrekkingen om de te belasten vermogensaanwas te kunnen bepalen. (..) Ook moeten niet gerealiseerde waardedalingen in aanmerking worden genomen. Omdat niet gerealiseerde waardestijgingen worden belast, zou dit in theorie betekenen dat de belasting moet worden uitbetaald door de Belastingdienst als het saldo (eindwaarde minus beginwaarde van alle bezittingen vermeerderd met onttrekkingen en verminderd met stortingen) in een jaar negatief is. Deze route zou gestructureerde gegevensverstrekking door banken, vermogensbeheerders en tussenpersonen vereisen, die op dit moment nog een systeemtechnische brug te ver is.’
Zelf in geval van een daadwerkelijke realisatie acht de wetgever het onder omstandigheden vanuit de continuïteitsgedachte onwenselijk dat er directe heffing plaatsvindt getuige de herinvesteringsreserve.
Zie ook Hoogeveen: ‘(…) Het realisatiebeginsel van goed koopmansgebruik is daar een uitwerking van. In beginsel bepaalt dus het moment van feitelijke realisatie het moment waarop de vermeerdering van de draagkracht wordt belast. Het realisatiebeginsel zegt echter niets over de vraag of een vermogensvermeerdering tot iemands draagkracht behoort. Hiermee is het reële stelsel slechts een uitwerking van de draagkrachtgedachte’. Hoogeveen pagina 345-345.
Het onderzoek is neergelegd in twee boeken: The Mirrlees Review, Dimensions of Tax Design, Oxford University Press 2010, en The Mirrlees Review, Tax by Design, Oxford University Press 2011, beide te raadplegen op de website van het ‘Institute for Fiscal Studies’ (www.ifs.org.uk/publications/mirrleesreview).
Verslag van de algemene ledenvergadering van de Vereniging voor Belastingwetenschap over het thema ‘De toekomst van box 3’, gehouden op 25 januari 2018 te Den Haag, pagina 5.
Het S-H-S-inkomensbegrip is een belangrijke theorie voor de bepaling van inkomen. Het S-H-S inkomensbegrip ziet vennootschappen niet als voor de belastingheffing relevante entiteiten. Volgens deze theorie zouden zij moeten zijn vrijgesteld van belastingheffing. De resultaten dienen namelijk aan de achterliggende participanten te worden toegerekend. Het gaat om de vermogenstoename bij de participanten. Volgens deze theorie is het S-H-S-inkomensbegrip dus ook niet toepasbaar op vennootschappen. Ik heb toch gekozen voor een vergelijking met het S-H-S-inkomensbegrip, omdat de theoretische discussie over de vraag wat inkomen is belangrijke inzichten kan opleveren voor de beantwoording van de onderhavige onderzoeksvraag.
De naam van het S-H-S-inkomensbegrip is ontleend aan de bedenkers van dit model, Schanz, Haig en Simons.12 Schanz heeft betoogd dat het inkomensbegrip dient aan te sluiten bij ‘de economische kracht van een subject in een bepaalde periode’. Hij definieert inkomen als zuivere vermogenstoename binnen een bepaalde tijdsperiode inclusief consumptie en financiële prestaties richting derden.3 Haig is van mening dat inkomen de toename of aanwas van iemands vermogen is om binnen een bepaalde periode zijn behoefte te kunnen bevredigen, voor zover dit vermogen bestaat uit geldelijke middelen of middelen welke geldelijke waarde vertonen.4 Simons omschrijft het inkomensbegrip als ‘de algebraïsche som van 1) de marktwaarde van uitgeoefende consumptie en 2) de mutatie van de waarde van het vermogen tussen het begin en einde van de periode in kwestie’.5 Het S-H-S-inkomensbegrip wordt beschouwd als het concept van de vermogensvergelijkingstheorie.6 Op basis van deze theorie worden alle vermogensmutaties tussen twee bepaalde tijdstippen tot het inkomen gerekend en zijn vermogensmutaties op vermogensbestanddelen inkomen, ook als ze nog niet zijn gerealiseerd. Bij toepassing van het S-H-S-inkomensbegrip wordt uitgegaan van een vermogensaanwasbelasting. Niet alleen feitelijk gerealiseerde vermogensmutaties worden tot het inkomen gerekend, maar ook vermogensmutaties die nog niet zijn gerealiseerd.
Als voordeel van een vermogensaanwasbelasting wordt genoemd dat sprake is van een breed inkomensbegrip en dat een dergelijke brede grondslag bij een gegeven wenselijk geachte budgettaire opbrengst tot lagere nominale tarieven leidt dan wanneer sprake is van een smalle grondslag. Ook bestaat bij een dergelijke brede grondslag geen verschil in de wijze waarop verschillende soorten economisch inkomen in de belastingheffing worden betrokken.78 Een nadeel van de vermogensaanwas-theorie is dat hierdoor liquiditeitsnadelen ontstaan. Over niet gerealiseerde voordelen is dan immers al wel belasting verschuldigd, waardoor de continuïteit van de onderneming in gevaar kan komen en wordt afgeweken van het realisatiebeginsel.910 Daarnaast is er nog geen daadwerkelijke draagkrachtaanwas, omdat er nog onzekerheid is over de vraag of het voordeel wel daadwerkelijk wordt genoten.
Een vermogensaanwasbelasting werd door economen lange tijd gezien als het meest wenselijk. Rijkers betoogt echter dat economen tegenwoordig (uitlating uit 2018) geen bezwaar hebben tegen (en zelfs een voorkeur hebben voor) een vermogenswinstbelasting. Hij baseert zich hierbij op twee in het Verenigd Koninkrijk gepubliceerde rapporten waarin onderzoek is gedaan naar de hervorming van het belastingstelsel in de 21e eeuw.11 De onderzoekers staan een neutraal belastingsysteem voor, aldus Rijkers. Daarvan is sprake indien geen onderscheid wordt gemaakt tussen verschillende typen inkomen, waaronder dividenden en vermogenswinsten. Rijkers citeerde: “A tax system that treats similar economic activities in similar ways for tax purposes will tend to be simpler, avoid unjustifiable discrimination between people and economic activities, and help to minimize economic distortions”.12
2.3.3.1.1 Toepassing van het S-H-S inkomensbegrip bij de bepaling van de fiscale winst?