25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid
Einde inhoudsopgave
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/59.3.2:59.3.2 Een nieuw instrument: ‘voeging ad informandum’
25 jaar Awb in eenheid en verscheidenheid 2019/59.3.2
59.3.2 Een nieuw instrument: ‘voeging ad informandum’
Documentgegevens:
prof. mr. J.C.A. de Poorter, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
prof. mr. J.C.A. de Poorter
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
ABRvS 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131 en CRvB 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872.
HR 3 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:434 en ABRvS 4 maart 2015, ECLI:NL:RVS: 2015:622.
Op het moment van afronding van deze bijdrage had de ABRvS nog geen uitspraak gedaan. De conclusie van staatsraad advocaat-generaal Widdershoven dateert van 22 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3557.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De mogelijkheid om te verwijzen bestaat niet wanneer er op hetzelfde moment vergelijkbare rechtsvragen bij verschillende hoogste rechters voorliggen of wanneer een rechtsvraag is voorgelegd aan een hoogste rechter en er tegelijkertijd veel soortgelijke zaken bij rechtbanken (of bestuursorganen) liggen. Wat we wél zien is dat in die gevallen zaken worden aangehouden in afwachting van een richtinggevende uitspraak van de (andere) hoogste bestuursrechter en/of dat hoogste rechters proberen kort na elkaar gecoördineerd en onder verwijzing naar elkaars rechtspraak uitspraak te doen. Denk bij dat laatste aan de zaken waarin door met name de ABRvS en de CRvB de nieuwe jurisprudentie omtrent de herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 Awb is ontwikkeld en waarin de CRvB kort na de ABRvS uitspraak heeft gedaan.1 Datzelfde geldt voor de jurisprudentie van de ABRvS en de HR over het alcoholslot.2 Toch is de omstandigheid dat rechterlijke colleges hun uitspraken coördineren en eventueel een bij hen aanhangige zaak aanhouden in afwachting van de uitspraak van het andere college nog iets anders dan het clusteren van zaken.
Het probleem is immers vaak, zoals hiervoor reeds opgemerkt, dat de hoogste rechter die weet dat zijn uitspraak een zekere precedentwerking zal gaan hebben, door het procesgedrag van partijen of de aard van de voorliggende zaak de rechtsvraag mogelijk niet in volle omvang en zuiverheid voor zich heeft en bovendien niet onmiddellijk de diversiteit van de casuïstiek kan overzien. In zo’n geval zou het aantrekkelijk kunnen zijn om gelijktijdig bij andere rechters aanhangige, vergelijkbare zaken ad informandum te voegen. In die zaken wordt dan niet beslist, maar (ten minste delen van) de dossiers in die zaken worden gevoegd in de lopende procedure voor de rechter die op het punt staat een richtinggevende uitspraak ten doen. Deze dossiers zouden de rechter meer inzicht in de context van de problematiek kunnen geven bij het beslissen van de aan hem voorgelegde zaak. Om een voorbeeld te noemen: zo was op het moment dat bij de ABRvS de naar de grote kamer verwezen zaak aanhangig was, waarin om een conclusie was gevraagd over de exceptieve toetsing van algemeen verbindende voorschriften,3 ook bij de CRvB een zaak aanhangig waarin de vraag naar de indringendheid van de exceptieve toetsing voorlag. De CRvB had de zaak aangehouden totdat de grote kamer van de ABRvS uitspraak had gedaan. De behoefte van de betrokken partijen in de procedure voor de CRvB om te mogen ‘meedenken’ in de zaak voor de ABRvS valt goed te begrijpen nu hun zaak natuurlijk voor een belangrijk deel wordt beslist met de rechtsvormende beslissing van de ABRvS. Nu biedt artikel 8:26 Awb aan deze partijen in de procedure voor de CRvB niet de mogelijkheid om als partij aan het geding bij de ABRvS deel te nemen. En ik zou ook niet willen betogen dat zij in dit soort situaties als amicus curiae in de procedure moeten worden betrokken. De inzet van het instrument van de amicus curiae – ik kom hierop nog terug in paragraaf 5 – is immers niet primair gericht op het bieden van rechtsbescherming aan hen die mogelijk gevolgen ondervinden van de rechterlijke beslissing in een zaak van een ander. Wat wel denkbaar en mijns inziens ook wenselijk was geweest, is dat de ABRvS kennis had kunnen nemen van relevante delen van het dossier in de zaak bij de CRvB temeer nu de CRvB expliciet besliste de zaak aan te houden in afwachting van de principiële uitspraak van de grote kamer van de ABRvS.
De vraag is vervolgens wel hoe dat procedureel vorm moet worden gegeven. Het doorsturen van delen van het dossier kan uiteraard alleen gebeuren met instemming van partijen in de zaak waarvan de dossierstukken worden opgestuurd. In deze zaak was dat vermoedelijk geen probleem geweest, maar als partijen geen toestemming verlenen houdt het op. Voorts zou dit alleen moeten gebeuren als de hoogste rechter die een richtinggevende uitspraak voorbereidt aangeeft daaraan ook daadwerkelijk behoefte te hebben. Voorkomen moet uiteraard worden dat hij te pas, maar vooral te onpas wordt overladen met dossierstukken uit vergelijkbare zaken. Wat mij betreft zou dit niet beperkt moeten blijven tot de verhouding tussen de hoogste bestuursrechters onderling, maar zouden ook de rechtbanken daarbij moeten worden betrokken. Een en ander vergt een goede communicatie. Niet alleen tussen de hoogste bestuursrechters onderling, maar ook tussen de hoogste bestuursrechters en de rechtbanken. En niet onbelangrijk: ook tussen rechtbanken onderling. Idealiter vindt er dan ook regulier overleg plaats in een landelijke commissie rechtsvorming bestuursrecht waarin vertegenwoordigers van de hoogste bestuursrechter en van de rechtbanken met elkaar brainstormen over een rechtsvormingsagenda en via welk overleg ook bij de behoefte aan het voegen van zaken ad informandum afstemming kan plaatsvinden.