Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/25.2
25.2 Verjaring van de 'directe actie'
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS371354:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de directe actie uitgebreid Frenk, Salomons, WPNR 2006.
Zie Asser/Clausing & Wansink 5-VI, nr 174 met instemmende verwijzingen en Frenk (2006), p. 252.
Quakkelaar, L&S 2007, p. 7.
§ 23.1.
Zo ook Frenk (2006), p. 255.
Zie uitgebreid hiervoor, § 23.1.
Deze eis is geïnspireerd op heersende rechtspraak (zie bijv. HR 12 januari 1996, NJ 1996, 683 en HR 14 mei 2004, NJ 2006, 188) en het standpunt van de Raad van Toezicht Verzekeringen ten aanzien van korte vervaltermijnen in polissen.
Ik bepleitte eerder in dit boek de vervanging van de vijfjaars- voor driejaarstermijnen § 15.2.
Dat de schriftelijke mededeling van art. 3:317 BW ook de onderhavige termijn stuit ligt voor de hand, en wordt bevestigd in de parlementaire geschiedenis (NvW I, Kamerstukken II 1999/2000, 19 529, nr. 5, p. 28).
Dat stemt overeen met de strenge koers die de Hoge Raad, in navolging van de Raad van Toezicht op het Schadeverzekeringsbedrijf, voer ten aanzien van vervalbedingen in de polisvoorwaarden onder het oude recht; zie bijvoorbeeld HR 14 mei 2004, NJ 2006, 188, r.o. 3.4. met nadere gegevens in de Conclusie A-G.
MvT p. 13. Zie voor de tekst: http://www.justitie.nl/images/MvT%20deelgeschilprocedure_tcm34-16474.pdf.
Zie art. BI van het Wetsvoorstel 'Aanpassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering tot invoering van een procedure voor deelgeschillen ter bevordering van de buitengerechtelijke afhandeling van letsel- en overlijdensschade (Wet deelgeschilprocedure voor letsel- en overlijdensschade)'.
MvT p. 14.
Zie uitgebreid hiervoor § 17.8.
Ik doel op de in § 17.8.1 geciteerde passage uit zijn arrest van 1 februari 2002, NJ 2002, 195. Zie § 17.8.2 voor mijn kritische bespreking van dat arrest.
MvT p. 14.
Zie over die bepaling uitgebreid § 26.6.
Bij toepasselijkheid van art. 7:954 BW ontstaat een driepartijenverhouding: (i) benadeelde — verzekeraar (dat is de directe actie); (ii) benadeelde — laedens (iii) laedens — verzekeraar.1
Krachtens art. 7:954 lid 1 BW ontstaat de directe actie als de laedens "de verwezenlijking van het risico" aan zijn verzekeraar heeft gemeld. De verhoudingen zijn dan als volgt. Ad (i) De relatie benadeelde — verzekeraar is de direct actie zelf. Uit hoofde van art. 7:954 neemt de benadeelde de rechtsvordering tegen de verzekeraar tot uitkering van de laedens/verzekerde over. De verzekeraar kan, omdat het gaat om de verwezenlijking van het vorderingsrecht van de laedens, alle verweren die hij aan de verzekerde zou kunnen tegenwerpen aan de benadeelde tegenwerpen — denk bijvoorbeeld aan onbetaalde premies. Aldus bestaat er een zeer wezenlijk verschil met de directe actie uit de WAM; daar betreft het een eigen vorderingsrecht van de benadeelde op de verzekeraar.
Ad (ii) De relatie benadeelde — laedens is de verbintenis tot schadevergoeding. Die blijft ondanks de directe actie gewoon bestaan, zoals ook in het algemeen het bestaan van een verzekering de laedens niet uit zijn eigen vergoedingsplicht ontslaat.
Ad (iii) De relatie laedens — verzekeraar verandert door de directe actie ingrijpend, doordat weliswaar het vorderingsrecht van de verzekerde onverkort blijft bestaan, maar de rechtsvordering tot verwezenlijking van dat recht over gaat op de benadeelde; de verzekerde rest dus nog slechts een tandeloos vorderingsrecht.
Verjaringsrechtelijk wordt de relatie (i) benadeelde — verzekeraar beheerst door art. 7:942 BW; de relatie (ii) benadeelde — laedens door art. 3:310 BW. De relatie (iii) laedens — verzekeraar is niet aan verjaring onderworpen.
Ad (i) De directe actie wordt verjaringsrechtelijk beheerst door art. 7:942 BW. Het betreft ontegenzeggelijk een rechtsvordering tegen de verzekeraar en dat is de enige vereiste voor toepasselijkheid van het artikel.
Ad (ii) De relatie tussen de benadeelde en de laedens wordt beheerst door art. 3:310 BW, omdat het een vordering tot schadevergoeding betreft.
Ad (iii) De relatie tussen de laedens en de verzekeraar is niet langer aan verjaring onderworpen, omdat verjaring de ondergang van de rechtsvordering behelst en er in deze verhouding geen rechtsvordering meer is; er valt niets te verjaren.
De verjaringstermijn van de directe actie vangt aan op het moment van aansprakelijk-stelling door de benadeelde van de laedens/verzekerde.
Art. 7:942 lid 1 BW bepaalt dat de driejaarstermijn aanvangt op het moment waarop de tot uitkering gerechtigde met de opeisbaarheid van zijn vordering bekend is geworden. Algemeen wordt aangenomen dat bij aansprakelijkheidsverzekeringen dat moment het moment van aansprakelijkstelling door de benadeelde is.2 Nu de directe actie niet meer betekent dan dat de benadeelde de rechtsvordering van de verzekerde overneemt, gaat dus ook de verjaring van de directe actie lopen op het moment van aansprakelijkstelling.
De voor de hand liggende tegenwerping is dat op dat moment de benadeelde helemaal niet weet of/warmeer hij die directe actie zal krijgen, omdat hij niet weet of/wanneer de verzekerde de voor het ontstaan van de directe actie vereiste mededeling aan de verzekeraar zal doen. De termijn begint daardoor te lopen nog voordat de benadeelde daadwerkelijk in staat is zijn rechtsvordering uit te oefenen.
Het valt te betwijfelen of deze bedenking in rechte gehoor vindt. In de eerste plaats is gegeven de door de wetgever gekozen constructie een alternatief aanvangsmoment eigenlijk niet goed denkbaar. Gesuggereerd is het moment van melding van het risico door de laedens/verzekerde aan de verzekeraar.3 Om te beginnen doet dat de benadeelde in lang niet alle gevallen goed, omdat over het algemeen volgens de polis de laedens/verzekerde een schadeveroorzakend feit direct, dus nog voor aansprakelijkstelling door de benadeelde, bij de verzekeraar moet melden. Zo zou het moment van melding de aanvang van de termijn dus nog naar voren schuiven. Maar afgezien daarvan, zelfs als wij zouden aannemen dat die melding steeds zou plaatsvinden ná het moment van aansprakelijkstelling door de benadeelde, is dat moment moeilijk te verdedigen. De reden daarvoor is dat het niet van een wettelijke basis kan worden voorzien. Er staat in art. 7:942 lid 1 BW nu eenmaal de dag "waarop de tot uitkering gerechtigde met de opeisbaarheid (...) bekend is geworden". Gedoeld is daar zonder twijfel op de wetenschap van de laedens/verzekerde, en die is er bij aansprakelijkstelling.
De vervolgvraag is dan of het moment van opeisbaarheid tot een zodanig onwenselijk resultaat voert dat óf door middel van een doelgestuurde, wat geforceerde wetsuitleg, óf zelfs door middel van de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid een alternatief kan worden verdedigd. Een dergelijke tournure lijkt niet voor de hand te liggen, om de volgende twee redenen.
In de eerste plaats is de positie van de benadeelde misschien toch niet al te zorgwekkend. De benadeelde kan zelf zijn moment van aansprakelijkstelling kiezen. Hij heeft daarvoor krachtens art. 3:310 lid 1 BW vijf jaar de tijd. Ná die aansprakelijkstelling heeft hij nog drie jaar de tijd om de directe actie stuiten. De belangrijkste reden waarom dat van hem verlangd mag worden, is dat hij zich vanaf het moment van aansprakelijkstelling, juist door die aansprakelijkstelling, in een 'juridische setting' weet. Hij heeft het spel op de wagen gezet. Van hem kan verwacht worden dat hij op redelijke termijn vervolgstappen tot het geldend maken van zijn recht neemt
Ten tweede is het in het verjaringsrecht bij driepartijenverhoudingen niet zonder precedent een termijn te laten aanvangen nog voordat een eiser daadwerkelijk kan vorderen. Met betrekking tot bijvoorbeeld het zelfstandig verhaalsrecht heeft de Hoge Raad geoordeeld, in feite, dat kennis van de verzekerde aan de verzekeraar moet worden toegerekend.4 Daardoor gaat de termijn tegen de verzekeraar lopen, nog voordat hij ook maar wist dat hij een vordering had; de positie van de verzekeraar is dan nog minder benijdenswaardig dan die van de benadeelde in het onderhavige geval, omdat de benadeelde, anders dan de onwetende verzekeraar bij het zelfstandig verhaalsrecht, de vordering zelf 'aanhangig maakt' (niet in de processuele betekenis van het woord).
De benadeelde moet voor stuiting van de verjaring van de directe actie zorgdragen.
Het ontstaan van de directe actie brengt met zich mee dat de rechtsvordering niet meer bij de verzekerde is, maar naar de benadeelde overgaat. Dat zo zijnde, is het ook de benadeelde die de verjaring moet stuiten. Aangenomen moet zelfs worden dat de verzekerde zelf niet meer kán stuiten:5 het gaat er bij de stuiting om dat de debiteur (de verzekeraar) weet dat het de crediteur (de benadeelde) met de vordering nog ernst is;6 de mededeling van de laedens/verzekerde zegt in dat licht niets.
Krachtens art. 7:942 lid 2 BW wordt de verjaring gestuit door een schriftelijke mededeling, waarbij op uitkering aanspraak wordt gemaakt. Vervolgens is er iets bijzonders: waar in het 'algemene stuitingsrecht' met die mededeling een nieuwe termijn zou gaan lopen, is het krachtens 7:942 lid 2 BW tweede zin zo dat pas een nieuwe termijn begint te lopen bij erkenning of afwijzing door de verzekeraar. In geval van afwijzing moet de verzekeraar de verzekerde erop wijzen dat na afwijzing nog slechts een termijn van zes maanden geldt (die termijn staat in art. 7:942 lid 3 BW).7
Na afwijzing door de verzekeraar bedraagt de verjaringstermijn slechts zes maanden. Aan de voor het aanvangen van de zesmaandentermijn aan de afwijzing gestelde eisen moet strikt de hand worden gehouden. Aannemelijk is dat wanneer de benadeelde de rechtsvordering tegen de verzekeraar heeft laten verjaren, hem dat door de laedens/verzekerde, mocht hij die alsnog willen aanspreken, kan worden tegengeworpen.
Zolang de verzekeraar de vordering niet heeft afgewezen, is het stuitingsregime van de directe actie voor de benadeelde niet al te knellend. Het is wel zo dat de directe actie een termijn van drie jaar kent — dat is twee jaar korter dan de termijn van art. 3:310 BW maar die drie jaar zou ruim voldoende moeten zijn.8
Moeilijker wordt het als de verzekeraar de vordering conform de vereisten van art. 7:942 lid 2 afwijst. De verjaringstermijn bedraagt dan zes maanden. De benadeelde zal voor ommekomst van die termijn moeten stuiten en die stuitingshandeling — het meest voor de hand ligt de schriftelijke mededeling in de zin van art. 3:317 BW9 — iedere zes maanden moeten herhalen (krachtens art. 3:319 BW is bij stuiting de nieuwe termijn gelijk aan de oorspronkelijke).
Art. 7:942 lid 2 BW stelt als gezegd de eisen waaraan de afwijzing moet voldoen, wil de zesmaandentermijn aanvangen. Aan die vereisten moet strikt de hand worden gehouden.10 De zesmaandentermijn is erg kort. De benadeelde heeft er daardoor een wezenlijk belang bij dat hem in niet mis te verstane woorden te kennen wordt gegeven dat die termijn gaat lopen. Intussen vergt het van de verzekeraar geen serieus offer de betreffende mededeling inderdaad bij aangetekende brief in de vereiste bewoordingen te doen; een standaardtekst volstaat. Van hem kan dan ook verlangd worden dát hij dat doet. Voorts mag worden aangenomen dat de afwijzing alleen de zesmaandentermijn doet aanvangen als zij aan de benadeelde is gericht; een afwijzing alleen gericht aan de laedens/verzekerde is onvoldoende.
Wat zich nog zou kunnen voordoen is het volgende. De benadeelde moet als gezegd de rechtsvordering tegen de verzekeraar bewaken. Stel nu dat hij dat niet goed doet en bijvoorbeeld de zesmaandentermijn na afwijzing door de verzekeraar laat verstrijken. Dan is de rechtsvordering op de verzekeraar verjaard. Niet verjaard is evenwel de rechtsvordering van de benadeelde op de verzekerde — die verhouding wordt immers verjaringsrechtelijk geregeerd door art. 3:310 BW met zijn vijfjaarstermijn. Het punt is dan dat de laedens/verzekerde geen rechtsvordering uit hoofde van zijn verzekeringsovereenkomst meer heeft. Die rechtsvordering heeft de benadeelde immers 'overgenomen' en vervolgens laten verjaren.
Ik zou menen dat de verzekerde in dat geval het laten verjaren van 'zijn rechtsvordering' door de benadeelde op de verzekeraar aan de benadeelde moet kunnen tegenwerpen. Men kan zich in dat verband toepassing van verschillende concepten voorstellen — eigen schuld, schadebeperkingsplicht, onrechtmatigheid zelfs. De kern van de zaak is steeds dat de verzekerde niet het slachtoffer moet worden van het verzuim van de benadeelde. De benadeelde heeft van de verzekeraar de nadrukkelijke mededeling gehad dat de verjaringstermijn zes maanden bedraagt; op hem ligt de stuitingsverantwoordelijkheid. De verzekerde staat in praktische zin geheel buiten de afwikkeling van de schade — hij kán de verjaring zelfs niet meer stuiten —, dus hem treft voor de verjaring geen verwijt.
Het lijkt mij in het merendeel der gevallen ook maatschappelijk wenselijk het verzuim van stuiting van de directe actie niet voor rekening van de laedens/verzekerde te brengen, omdat een enigszins aanzienlijke schade vrijwel iedere laedens tot de bedelstaf veroordeelt. Blijft het nadeel voor rekening van de benadeelde, dan zal daarvoor uiteindelijk de aansprakelijkheidsverzekeraar van de advocaat van de benadeelde opdraaien — een advocaat zal er in gevallen van substantiële schade bijna steeds wel zijn. Dat is nog steeds niet ideaal, maar toch verkieslijk.
Of mijn voorgaande opvatting geldend recht is, is bij gebreke van gezaghebbende rechtspraak niet zeker. De MvT bij het genoemde wetsvoorstel suggereert het tegendeel: "Indien hij (de benadeelde — JLS) dat echter nalaat (het tijdige stuiten — JLS) dupeert hij niet alleen zichzelf, maar nog meer de verzekerde, die immers mogelijk wel aansprakelijk is, maar zijn dekking verliest."11 De wetgever veronderstelt hier dus niet dat de laedens/verzekerde het verjaren van zijn rechtsvordering aan de benadeelde kan tegenwerpen, want anders had er in de MvT niet gestaan dat de benadeelde door niet te stuiten "nog meer de verzekerde" dan zichzelf benadeelt. De wetgever stelt zich echter niet de vraag waaróm de laedens/verzekerde de gevolgen van het verzuim van de benadeelde zou moeten dragen. Dat maakt de toelichting op dit punt wat mij betreft enigszins onbevredigend.
Er staat een wetswijziging op stapel die voorziet in stuitende werking van onderhandelingen. Tot zijn in werking treden kan de debiteur bepleiten — mocht hij wel in onderhandeling zijn geweest maar geen expliciete stuitingsmededeling hebben gedaan dat iedere schriftelijke uiting gedaan in het kader van de onderhandelingen de verjaring stuit en/of dat een beroep van de verzekeraar op de zesmaandentermijn in strijd met de redelijkheid en billijkheid is.
De wetgever lijkt de noodzaak tot herhaalde stuiting (ieder half jaar) bij nader inzien minder gelukkig te achten, in die gevallen althans waarin partijen met elkaar over de vordering in onderhandeling zijn. Er staat een wetswijziging op stapel krachtens welke "iedere onderhandeling tussen de verzekeraar en de tot uitkering gerechtigde of de benadeelde" stuitende werking heeft.12 In de MvT bij het wetsvoorstel staat: "De termijnen die artikel 7:942 BW kent houden er (...) onvoldoende rekening mee dat de afwikkeling van schadeclaims vaak veel tijd in beslag neemt en daaraan niet zelden langdurige onderhandelingen vooraf gaan.',.13
Zolang die bepaling niet in werking is getreden, zou de benadeelde, mocht hij hebben verzuimd een expliciete stuitingsmededeling te doen, kunnen bepleiten dat iedere schriftelijke uiting gedaan in het kader van de onderhandelingen moet worden aangemerkt als een stuitingshandeling — mij lijkt die stelling juist.14 Het is aannemelijk dat men het zelfs in termen van de tot op heden staande rechtspraak van de Hoge Raad zeggen:15 als een verzekeraar eerst de vordering in ondubbelzinnige bewoordingen afwijst en hij vervolgens tóch in onderhandeling treedt met de benadeelde, handelt hij in strijd met de redelijkheid en billijkheid door zich vervolgens op de zesmaandentermijn te beroepen. Mij lijkt, om het wat onverbloemd te zeggen, de onredelijkheid van dat beroep onder die omstandigheden volkomen vanzelfsprekend.
Zoals de wetgever in de MvT bij zijn voorgenomen wetswijziging al suggereert,16 zou de rechter ter nadere bepaling van het begrip 'onderhandeling' inspiratie kunnen putten uit art. 10 lid 5 WAM.17