HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.9.
HR, 14-10-2025, nr. 23/01874
ECLI:NL:HR:2025:1561
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
14-10-2025
- Zaaknummer
23/01874
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1561, Uitspraak, Hoge Raad, 14‑10‑2025; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:749
ECLI:NL:PHR:2025:749, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 08‑07‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1561
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2025-0321
NTS 2025/75
Uitspraak 14‑10‑2025
Inhoudsindicatie
Diefstal met geweld (art. 312.1 Sr) en diefstal, meermalen gepleegd (art. 310 Sr). Redelijke termijn in hoger beroep. Kon hof oordelen dat redelijke termijn in h.b. niet is overschreden, omdat tijdsverloop door verdediging is veroorzaakt? Hof heeft geoordeeld dat redelijke termijn in h.b. niet is overschreden, omdat tijdsverloop in h.b. is veroorzaakt door verzoek van verdediging om 4 getuigen te horen, en door tijdelijke niet-beschikbaarheid van raadsman van verdachte. Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk. Uit procesverloop volgt immers dat het meer dan 17 maanden heeft geduurd voordat Rh-C heeft beslist op al bij appelschriftuur gedaan verzoek van verdediging om getuigen te horen. Ook ‘s hofs enkele vaststelling dat raadsman tijdelijk vanwege gezondheidsproblemen niet beschikbaar was, volstaat niet voor dat oordeel. HR doet zaak zelf af door opgelegde gevangenisstraf van 3 maanden (mede gelet op overschrijding van redelijke termijn in cassatie) met 1 week te verminderen.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/01874
Datum 14 oktober 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 mei 2023, nummer 21-004508-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat B. Kizilocak bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is schriftelijk toegelicht.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van de cassatiemiddelen en ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
2.1
Het eerste cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) in hoger beroep niet is geschonden omdat het tijdsverloop door de verdediging is veroorzaakt. Het tweede cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
2.2.1
Uit de stukken blijkt het volgende.
- Op 23 november 2020 heeft de verdachte hoger beroep ingesteld.
- Op 27 november 2020 heeft de verdediging in de appelschriftuur onder meer het verzoek gedaan vier getuigen te horen.
- Op 11 mei 2022 heeft de raadsheer-commissaris het verzoek tot het horen van de getuigen toegewezen.
- Op 29 juni 2022 heeft het hof het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd geschorst wegens gezondheidsproblemen van de raadsman van de verdachte en de zaak naar het kabinet van de raadsheer-commissaris verwezen voor het horen van de getuigen.
- Op 26 januari 2023 heeft de raadsheer-commissaris de getuigen gehoord.
- Op 26 april 2023 heeft het hof de zaak op de terechtzitting inhoudelijk behandeld.
- Op 10 mei 2023, dus twee jaren en ruim vijf maanden na het instellen van het hoger beroep, heeft het hof einduitspraak gedaan.
2.2.2
De uitspraak van het hof houdt onder meer in:
“Anders dan de raadsman en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat hoewel er sprake is van onwenselijk tijdsverloop na het instellen van hoger beroep er geen sprake is van schending van de redelijke termijn, nu het tijdsverloop in hoger beroep is veroorzaakt door de onderzoekswens van de verdediging, die ertoe heeft geleid dat vier getuigen zijn gehoord door de raadsheer-commissaris alsmede de tijdelijke niet-beschikbaarheid van de raadsman van verdachte.”
2.3
Het hof heeft geoordeeld dat de redelijke termijn in hoger beroep niet is geschonden, omdat het tijdsverloop in hoger beroep is veroorzaakt door het verzoek van de verdediging om vier getuigen te horen, en door de tijdelijke niet-beschikbaarheid van de raadsman van de verdachte. Dat oordeel is niet zonder meer begrijpelijk. Uit het onder 2.2.1 weergegeven procesverloop volgt immers dat het meer dan 17 maanden heeft geduurd voordat de raadsheer-commissaris heeft beslist op het al bij appelschriftuur gedane verzoek van de verdediging om de getuigen te horen. Ook de enkele vaststelling van het hof dat de raadsman tijdelijk vanwege gezondheidsproblemen niet beschikbaar was, volstaat niet voor dat oordeel. Het eerste cassatiemiddel klaagt daarover terecht.
2.4
Ook het tweede cassatiemiddel is terecht voorgesteld. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dit brengt mee dat de redelijke termijn in de cassatiefase is overschreden.
2.5
De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen door vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van drie maanden.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze twee maanden en drie weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 oktober 2025.
Conclusie 08‑07‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Diefstal met geweld en (gekwalificeerde) diefstallen. Eerste middel klaagt terecht over oordeel hof dat redelijke termijn in hoger beroep niet is geschonden omdat tijdsverloop door toedoen van verdediging is veroorzaakt. Tweede middel met klacht over overschrijding inzendtermijn slaagt ook. Ambtshalve opmerking over redelijke termijn in cassatie. Conclusie strekt tot vernietiging bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/01874
Zitting 8 juli 2025
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
hierna: de verdachte
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 10 mei 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden, (parketnummer 21-004508-20) in de zaak met parketnummer 16-041301-20 wegens “diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren” en onder 2 “diefstal, meermalen gepleegd” en in de zaak met parketnummer 16-001200-20 wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts heeft het hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. B. Kizilocak, advocaat in Rotterdam, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. De middelen
2.1
Met het eerste middel wordt geklaagd over de begrijpelijkheid en de motivering van het oordeel van het hof dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in hoger beroep niet is geschonden omdat het tijdsverloop door toedoen van de verdediging is veroorzaakt. Het tweede middel bevat de klacht dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden. De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
2.2
Het hof heeft in het bestreden arrest het volgende overwogen omtrent het proces- en tijdsverloop in hoger beroep:
“Anders dan de raadsman en de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat hoewel er sprake is van onwenselijk tijdsverloop na het instellen van hoger beroep er geen sprake is van schending van de redelijke termijn, nu het tijdsverloop in hoger beroep is veroorzaakt door de onderzoekswens van de verdediging, die ertoe heeft geleid dat vier getuigen zijn gehoord door de raadsheer-commissaris alsmede de tijdelijke niet-beschikbaarheid van de raadsman van verdachte.”
2.3
Het is vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dat in cassatie niet voor het eerst kan worden geklaagd over een schending van de redelijke termijn als gevolg van het tijdsverloop voorafgaand aan de bestreden uitspraak wanneer de zaak in laatste feitelijke aanleg in tegenwoordigheid van de verdachte en/of diens raadsman is behandeld en ter terechtzitting hierover geen verweer is gevoerd.1.Hoewel ik uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 26 april 2023 niet kan opmaken dat een dergelijk verweer is gevoerd, vermeldt de uitspraak dat het hof “anders dan de raadsman” van oordeel is dat de redelijke termijn niet is gevoerd. Op basis daarvan ga ik ervan uit dat blijkbaar toch een redelijke termijn-verweer is gevoerd.2.
2.4
Aan de stukken die aan de Hoge Raad zijn toegezonden, kan voor zover hier van belang het volgende worden ontleend:
- namens de verdachte is op 23 november 2020 hoger beroep ingesteld;
- bij appelschriftuur van 27 november 2020 heeft de verdediging verzocht om een aantal getuigen te horen;
- dat verzoek is op 11 mei 2022 toegewezen door de raadsheer-commissaris;
- op 29 juni 2022 heeft een zitting plaatsgevonden waarop het hof heeft medegedeeld dat de raadsman van de verdachte gezondheidsproblemen had en vervanging niet beschikbaar was, waarna het hof het onderzoek ter terechtzitting voor onbepaalde tijd heeft geschorst en de zaak naar het kabinet van de raadsheer-commissaris verwezen in verband met het horen van de reeds toegewezen getuigen;
- de getuigen zijn op 26 januari 2023 gehoord;
- op 26 april 2023 is de zaak ter terechtzitting inhoudelijk behandeld;
- het hof heeft op 10 mei 2023 arrest gewezen.
2.5
Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de duur van de redelijke termijn in hoger beroep3.onder meer afhankelijk is van de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop. In dat verband kan het doen van verzoeken door de verdediging die vertraging van de afdoening van de zaak tot gevolg hebben een rol spelen. Het stadium waarin die verzoeken worden gedaan kan daarbij van belang zijn. Het uitgangspunt is dat de behandeling van de zaak op zitting in hoger beroep afgerond moet zijn binnen twee jaar nadat het rechtsmiddel is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Overschrijding van die termijn, wordt in de regel gecompenseerd door strafvermindering. In cassatie kan enkel worden getoetst of het oordeel van het hof omtrent de redelijke termijn blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting ofwel onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval.4.
2.6
Tussen het instellen van hoger beroep en de uitspraak van het hof zijn twee jaren en ruim vijf maanden verstreken. Het hof heeft geoordeeld dat dat onwenselijk lang is, maar dat geen sprake is van een schending van de redelijke termijn in hoger beroep omdat het tijdsverloop het gevolg is van het verzoek om vier getuigen te horen en vanwege het feit dat de raadsman van de verdachte tijdelijk niet beschikbaar was. Ik acht dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat de verdediging zijn verzoeken tot het horen van getuigen al bij appelschriftuur kenbaar heeft gemaakt, terwijl het hof niet tot uitdrukking heeft gebracht waarom het aan de verdediging te wijten is dat het vervolgens nog meer dan twee jaren heeft geduurd voordat de getuigen zijn gehoord.5.De verwijzing naar de “tijdelijke onbeschikbaarheid” van de raadsman volstaat daartoe niet. Het hof heeft daaromtrent geen nadere vaststellingen gedaan en niet toegelicht in hoeverre die “tijdelijke onbeschikbaarheid” ervoor heeft gezorgd dat bijvoorbeeld extra vertraging is opgelopen bij het plannen van de getuigenverhoren of een nieuwe zitting. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep met meer dan vijf maanden, is het oordeel van het hof dat deze overschrijding te wijten is aan de invloed van de verdediging op het procesverloop, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet zonder meer begrijpelijk. Het eerste middel klaagt daarover terecht.
2.7
Ook de klacht in het tweede middel, inhoudende dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden, slaagt. Namens de verdachte is op 12 mei 2023 beroep in cassatie ingesteld. De stukken van het geding zijn op 12 april 2024 bij de Hoge Raad binnengekomen. Daarmee is de inzendtermijn van acht maanden met drie maanden overschreden. Een voortvarende behandeling in cassatie die die overschrijding van de inzendtermijn had kunnen compenseren, behoort inmiddels niet meer tot de mogelijkheden.
2.8
Tot slot merk ik ambtshalve op dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 12 mei 2023, als gevolg waarvan de redelijke termijn in cassatie ook nog is overschreden.
2.9
Al het voorgaande dient te leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen en de straf verminderen in een mate die hem gepast voorkomt.
3. Slotsom
3.1
De middelen slagen.
3.2
Andere gronden dan zoals onder 2.8 vermeld die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 08‑07‑2025
Ook de uitspraak van het hof is immers kenbron van gevoerde verweren. Zie A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 251.
Hetzelfde geldt voor de procedure in eerste aanleg. Bij de beoordeling van de vraag of de redelijke termijn is overschreden bij de behandeling van een zaak moeten het tijdsverloop in eerste aanleg en in hoger beroep overigens apart van elkaar worden beoordeeld.
HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008, 358, m.nt. P.A.M. Mevis.
Zie ter vergelijking HR 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1194, waarin het hof oordeelde dat volstaan kon worden met de overschrijding van de redelijke termijn omdat het tijdsverloop in hoger beroep in overwegende mate kwam door de proceshouding van de verdediging, waaronder het wijzigen van een eerder geplande inhoudelijke behandeling naar een regiezitting. De Hoge Raad achtte dat oordeel niet toereikend gemotiveerd, onder meer omdat het hof niet tot uitdrukking bracht waaruit de invloed van de verdediging op het procesverloop precies heeft bestaan en welk tijdsverloop daarmee was gemoeid.