Einde inhoudsopgave
Een rechtsvergelijking tussen de Nederlandse en Duitse winstbelasting van lichamen (FM nr. 153) 2018/9.3.3.1.1
9.3.3.1.1 Gewinnabführungsvertrag
dr. F.J. Elsweier, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
dr. F.J. Elsweier
- JCDI
JCDI:ADS399467:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Algemeen
Vennootschapsbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
De formele aspecten van de Gewinnabführungsvertrag staan in §293-294 AktG.
M.J. Boer, De fiscale eenheid vennootschapsbelasting en insolventie, SDU Fiscale Wetenschappelijke reeks 2009/12/07, paragraaf 7.6.2.
Zie onder andere het rapport van de Kommission Steuergesetzbuch, Stiftung Marktwirtschaft 30 januari 2006, waarin de Commissie pleit voor afschaffing van het Gewinnabführungsvertrag als voorwaarde voor de Organschaft en IFSt-Arbeitsgruppe, Einführung einer modernen Gruppenbesteuerung – Ein Reformvoschlag, IFSt-Schrift Nr. 471 (2011), blz. 10, waar wordt opgemerkt: “Schon lange wird der Gewinnabführungsvertag mit seinen hohen formalen Hürden als Organschaftsvoraussetzung kritisiert”, waarna naar diverse literatuur verwezen wordt in voetnoot 2. Zie ook M.J. Boer, De fiscale eenheid vennootschapsbelasting en insolventie, SDU Fiscale Wetenschappelijke reeks 2009/12/07, paragraaf 7.2.5.7. Lohuis wijst op de grote civielrechtelijke gevolgen indien een dochtermaatschappij failliet gaat. De moedermaatschappij is dan nog steeds verplicht om de verliezen van de dochtermaatschappij aan te zuiveren. H. Lohuis, Het Duitse holdingregime en zijn eigenaardigheden, WFR 2001/1715, voetnoot 18. Ook Berger wijst er op dat het in de praktijk regelmatig gebeurt dat de toerekening van het verlies of de aanzuivering is berekend op basis van een balans waarin foute balanswaardes zijn opgenomen, waardoor een fiscale eenheid in het verleden in het geheel niet werd herkend. I. Berger, Zakendoen in Duitsland, Kluwer 2013, hoofdstuk V.9.
Voor een uiteenzetting van de Europeesrechtelijke bezwaren zie Kessler / Arnold, National begrenzte Organschaft, IStR 2016, blz. 226.
Voor de totstandkoming van een Organschaft is het noodzakelijk dat tussen de Organträger en Organgesellschaft een civielrechtelijke overeenkomst (Gewinnabführungsvertrag, §291 AktG)1 wordt afgesloten voor een minimale periode van vijf jaren. In het Gewinnabführungsvertrag wordt overeengekomen dat de commerciële winsten van de Organgesellschaft aan de Organträger worden toegerekend. De winstafdracht wordt commercieel bij de Organgesellschaft als kosten beschouwd en bij de Organträger als bate. Bij commerciële verliezen van de Organgesellschaft moet de Organträger deze aanzuiveren. De verliesaanzuivering wordt commercieel bij de Organgesellschaft als bate gezien en bij de Organträger als last. Een Gewinnabführungsvertrag zorgt er dus voor dat resultaten in economische zin voor rekening van de Organträger komen. Een Gewinnabführungsvertrag is in beginsel een commerciële aangelegenheid. Vervolgens wordt de vertaalslag naar de fiscale jaarrekening gemaakt, naar de Organschaftregels (in §14 KStG) zodat uiteindelijk gesteld kan worden dat het Gewinnabführungsvertrag haar werking heeft in zowel de commerciële als de fiscale jaarrekening. Boer geeft aan dat de Organschaft niets meer en niets minder is dan een civieljuridische overeenkomst die tot winstafdracht en verliesaanzuivering verplicht en waaraan het fiscale recht – onder enkele aanvullende voorwaarden – het gevolg verbindt dat het fiscale resultaat van de dochter aan de moeder wordt toegerekend.2 Pas in het jaar waarin het Gewinnabführungsvertrag in het handelsregister is ingeschreven, ontstaat een Organschaft. Een Gewinnabführungsvertrag wordt afgesloten tussen twee partijen. Een Organträger kan wel met meerdere Organgesellschaften een Organschaft aangaan, maar in dat geval bestaan er dus net zoveel overeenkomsten als Organschaften. Dit leidt er overigens toe dat er een hele keten kan ontstaan van Organschaften (Organschaftskette), waarbij een lichaam in de ene Organschaft de rol van Organträger vervult en in de andere de rol van Organgesellschaft.
Er is erg veel kritiek op het verplicht moeten afsluiten van een Gewinnabführungsvertrag om een Organschaft te kunnen vormen. De strikte civieljuridische vereisten die aan de overeenkomst ten grondslag liggen, de tijdsduur (minstens 5 jaar) en de eventuele grote (fiscale) gevolgen die een niet nakoming van de overeenkomst kan hebben leiden tot veel praktisch ongenoegen en onaantrekkelijkheid.3 Daarnaast is de verplichting om een Gewinnabführungsvertrag af te sluiten volgens menig auteur in strijd met EU-recht.4 Al jarenlang wordt gediscussieerd om het leerstuk van de Organschaft nieuw vorm te geven (zie ook hoofdstuk 9.3.1). Tot grote hervormingen heeft dit tot op heden echter niet geleid.