De bevrijdende verjaring
Einde inhoudsopgave
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/18.3.2:18.3.2 Van Dijk, NJB 2007
De bevrijdende verjaring (R&P nr. 162) 2008/18.3.2
18.3.2 Van Dijk, NJB 2007
Documentgegevens:
mr. J.L. Smeehuijzen, datum 22-04-2008
- Datum
22-04-2008
- Auteur
mr. J.L. Smeehuijzen
- JCDI
JCDI:ADS369010:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
'Ik wijs bijvoorbeeld op de niet uitgekristaliseerde vraag welke verjaringstermijn toepasselijk is bij onderling regres tussen hoofdelijke schuldenaren — naar mijn mening is art. 3:310 BW hierop vermoedelijk toepasselijk — en vooral op de onduidelijkheid over het aanvangstijdstip van de verjaring dat bij dit onderling regres moet worden genomen', Van Dijk NJB 2007, p. 1050.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Van Dijk baseert zijn oordeel dat de verjaringsregeling mislukt is op het grote aantal vragen dat art. 3:310 BW heeft opgeworpen. Hij noemt in zijn artikel vier vragen over het aanvangsmoment van de subjectieve termijn en twee over de objectieve termijn. Van die vragen ondervindt de praktijk hinder. Van Dijk schrijft dat de onduidelijkheid "zeker niet alleen voor dit artikel [3:310 BW — MS] maar voor meer delen van de verjaringsregeling van het BW geldt". Die laatste stelling adstrueert hij met verwijzing naar één probleem, dat overigens uiteindelijk ook wat hemzelf betreft opnieuw met name een probleem van het aanvangsmoment van de subjectieve termijn van art. 3:310 BW is.1 Van Dijk meent dat in ieder geval het regime "moet worden vereenvoudigd en dat wij af moeten van de dubbele naast elkaar lopende termijnen". Hij suggereert dat gedacht kan worden aan "één wat langere verjaringstermijn van bijvoorbeeld twintig jaren die gaat lopen na opeisbaarheid van de vordering". Maar ook denkbaar is "één korte enkelvoudige verjaringstermijn die eerst begint te lopen wanneer de rechthebbende daadwerkelijk is staat is zijn vordering geldend te maken".
Ten eerste valt op dat Van Dijk inhoudelijk uitsluitend over art. 3:310 BW schrijft, maar zijn veroordeling zich op deze enkele grond over het gehele verjaringsregime uitstrekt. Het tekortschieten van de verjaringsregeling buiten 3:310 BW blijft ongemotiveerd.
Voorts is het zo dat de wijziging die Van Dijk in ieder geval nodig acht met de problemen die hij signaleert geen verband houdt. Van Dijk wil af van de dubbele naast elkaar lopende systemen. Ik ken niet één uitspraak — Van Dijk noemt ook geen voorbeeld — waarin die dubbele naast elkaar lopende termijnen voor verwarring hebben gezorgd.
In het kader van de beoogde verandering zou, zo meent Van Dijk, gedacht kunnen worden "aan één wat langere verjaringstermijn van bijvoorbeeld twintig jaren die gaat lopen na opeisbaarheid van de vordering." Dat is precies de verjaringsregel van het oude BW, behalve dat de termijn toen dertig jaar was. Nog daargelaten dat terugkeer naar één lange objectieve termijn nogal een Nederlandse Alleingang zou betekenen, vergt natuurlijk de herinvoering van een relatief kort geleden met kracht van argumenten verworpen regime bepaaldelijk motivering. Die motivering ontbreekt en valt naar ik zou menen ook niet te bedenken.
Een alternatief is volgens Van Dijk "één korte enkelvoudige verjaringstermijn die eerst begint te lopen wanneer de rechthebbende daadwerkelijk in staat is zijn vordering geldend te maken". Dat is nu precies hoe de relatieve termijn volgens de Hoge Raad moet worden begrepen. Wat, dat zo zijnde, van de gedachte verandering rest, is dat er geen objectieve termijn meer is. Van Dijk motiveert de onwenselijkheid van een objectieve termijn niet.
Overigens moet gezegd worden dat Van Dijk zijn ideeën voorzichtig presenteert en spreekt van "oplossingsrichtingen"; hij houdt het voor mogelijk dat uit nader onderzoek blijkt dat het huidige regime moet worden gehandhaafd. In dat geval "moet op zijn minst de stroom van jurisprudentie worden gecodificeerd. Nu staat vaak niet in de wet wat de regeling voor eisen stelt en dat is in ieder geval niet wenselijk.". Op dit punt ben ik het met hem eens.