Rb. Limburg, 14-05-2024, nr. C/03/244190 FA RK 17-4892, nr. C/03/252323 FA RK 18-2588
ECLI:NL:RBLIM:2024:3382
- Instantie
Rechtbank Limburg
- Datum
14-05-2024
- Zaaknummer
C/03/244190 FA RK 17-4892
C/03/252323 FA RK 18-2588
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:RBLIM:2024:3382, Uitspraak, Rechtbank Limburg, 14‑05‑2024; (Eerste aanleg - meervoudig)
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2025:948
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2020:957
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2018:5877
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2019:5337
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2020:10700
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2021:10192
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2021:6380
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2022:6127
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2018:7651
ECLI:NL:RBLIM:2022:6127, Uitspraak, Rechtbank Limburg, 10‑08‑2022; (Beschikking)
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2025:948
Einduitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2024:3382
ECLI:NL:RBLIM:2021:6380, Uitspraak, Rechtbank Limburg, 12‑08‑2021; (Beschikking)
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2025:948
Einduitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2024:3382
ECLI:NL:RBLIM:2021:10192, Uitspraak, Rechtbank Limburg, 16‑06‑2021; (Beschikking)
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2025:948
Einduitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2024:3382
ECLI:NL:RBLIM:2020:10700, Uitspraak, Rechtbank Limburg, 10‑06‑2020; (Beschikking)
Einduitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2024:3382
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2025:948
ECLI:NL:RBLIM:2020:957, Uitspraak, Rechtbank Limburg, 07‑02‑2020; (Beschikking)
Einduitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2024:3382
ECLI:NL:RBLIM:2019:5337, Uitspraak, Rechtbank Limburg, 11‑06‑2019; (Beschikking)
Einduitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2024:3382
ECLI:NL:RBLIM:2018:7651, Uitspraak, Rechtbank Limburg, 14‑08‑2018; (Beschikking)
Einduitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2024:3382
ECLI:NL:RBLIM:2018:5877, Uitspraak, Rechtbank Limburg, 21‑06‑2018; (Beschikking)
Einduitspraak: ECLI:NL:RBLIM:2024:3382
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2019:1530
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2025:948
- Vindplaatsen
Sdu Nieuws Personen- en familierecht 2024/368
Uitspraak 14‑05‑2024
Inhoudsindicatie
De vader heeft zijn kind nog nooit gezien en de moeder houdt contact tussen de minderjarige en de vader tegen. Volgens de moeder wordt zij getriggerd in haar PTSS, wat leidt tot herbelevingen, bij alles wat met de vader te maken heeft. De moeder kan hiervoor pas behandeling ondergaan als de zaak tot een einde is gekomen. Er hebben in deze zaak meerdere onderzoeken, onder andere door de raad voor de kinderbescherming en het NIFP, plaatsgevonden, maar de rechtbank zit nog altijd met onbeantwoorde vragen aangaande de moeder en de door haar gestelde PTSS en de uitwerking hiervan. Nog een deskundigenonderzoek is niet mogelijk gebleken De zaak heeft bijna zes jaar gelopen en de rechtbank is tot de conclusie gekomen dat het recht in deze zaak geen oplossing biedt. Om de vader in de gelegenheid te stellen toch iets te weten te komen over zijn kind heeft de rechtbank hem mede met het gezag belast en is aan de moeder een informatieplicht opgelegd, onder verbeurte van een dwangsom als zij zich daar niet aan houdt.
Partij(en)
Rechtbank Limburg
Familie en jeugd
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/244190 / FA RK 17-4892 en C/03/252323 / FA RK 18-2588
Beschikking van 14 mei 2024 betreffende ouderlijke verantwoordelijkheden
in de zaak van:
[vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vader,
advocaat: mr. S.J.M.P. Hoppers, kantoor houdend te Horst;
tegen:
[moeder] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de moeder,
advocaat: mr. J.A.N. Lap, kantoor houdend te Malden.
betreffende de minderjarige:
[kind] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2017.
1. Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Het verdere procesverloop blijkt uit het volgende:
- de tussen partijen gegeven beschikking van 10 augustus 2022 waarbij de vader in de gelegenheid is gesteld een contra-expertise te laten doen uitvoeren en een rapport daarvan te overleggen;
- het F9-formulier van 11 april 2023 van de vader;
- het F9-formulier van 8 mei 2023 van de moeder;
- de brief met producties van 29 januari 2024 van de vader;
- de nadere mondelinge behandeling, die heeft plaatsgevonden op 7 februari 2024, tegelijkertijd met de tussen partijen aanhangige alimentatieprocedure (C/03/281391 / FA RK 20-3025) en waarbij zijn verschenen:
- de vader, bijgestaan door mr. Hoppers;
- mr. Lap, namens de moeder;
- een vertegenwoordigster van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad).
2. Het eerdere verloop
2.1.
De vader heeft op 14 december 2017 zijn verzoek ingediend. Voor de overzichtelijkheid en duidelijkheid zal de rechtbank, samengevat, het verloop van de procedure weergeven tot aan de mondelinge behandeling op 7 februari 2024.
2.2.
De vader heeft oorspronkelijk verzocht om, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, aan hem vervangende toestemming te verlenen om [kind] te erkennen. De rechtbank heeft bij beschikking van 21 juni 2018 toestemming verleend om [kind] te erkennen. Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft deze beschikking bekrachtigd bij beschikking van 25 april 2019.
Daarnaast heeft de vader verzocht, ook zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een (opbouwende) omgangsregeling vast te stellen en – nadat erkenning heeft plaatsgevonden – hem mede te belasten met het gezag over [kind] en te bepalen dat de moeder de vader maandelijks dient te informeren over het welzijn van [kind] , onder toezending van een recente foto.
De moeder heeft oorspronkelijk verzocht primair de verzoeken van de vader af te wijzen, dan wel subsidiair een raadsonderzoek te gelasten, kosten rechtens.
De vader heeft voorts door middel van een provisionele voorziening (C/03/252323 FA RK 18-2588), ingekomen bij de rechtbank op 9 juli 2018, gevraagd om een omgangsregeling vast te stellen. In die zaak is bij beschikking van 14 augustus 2018 aan de raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad) gevraagd om rapport en advies uit te brengen omtrent de omgangsregeling en is iedere beslissing aangehouden.
In beide zaken is vervolgens bij beschikking van 11 juni 2019 een Begeleide Omgangsregeling (BOR) bepaald zoals door de raad werd geadviseerd en iedere verdere beslissing is aangehouden.
2.3.
Gebleken is dat de eerder opgelegde BOR niet van de grond is gekomen, omdat er geen contact te krijgen was met de moeder. De moeder heeft vervolgens aangegeven dat het rapport van de raad gedateerd is en dat zij dat hersteld wil zien; er moet een nieuw raadsonderzoek komen. Alle beslissingen dienen te worden aangehouden in afwachting van de benoeming van een deskundige volgens de moeder.
De raad heeft aangegeven dat er een nieuw onderzoek zal komen. Voordat de raad het onderzoek begint heeft de moeder een klacht ingediend en heeft er een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden. De aanvullende rapportage van de raad wordt rond maart 2020 verwacht en wellicht kan daarin het deskundigenonderzoek worden meegenomen.
De vader heeft ter zitting op 10 december 2019 gevraagd of de raad een onderzoek kan doen naar een eventuele uithuisplaatsing van [kind] . [kind] stond toen nog onder toezicht van de gecertificeerde instelling Bureau Jeugdzorg Limburg. De raad heeft daarop aangegeven dat een uithuisplaatsing wellicht de enige optie is, maar dat dit ook zeer schadelijk is voor [kind] .
De rechtbank heeft bij beschikking van 7 februari 2020 aan het NIFP verzocht te bemiddelen bij de benoeming van (een) onafhankelijke deskundige(n) ter beantwoording van een 12-tal vragen. Het verzoek van de moeder is dus toegewezen.
Het verzoek van de vader, het vaststellen van een omgangsregeling, wordt nog niet in het belang van [kind] geacht. De rechtbank overweegt tevens dat het nadere raadsonderzoek nog niet kan starten en dat eerst de uitkomst van het deskundigenonderzoek moet worden afgewacht.
Bij beschikking van 10 juni 2020 zijn de deskundigen benoemd.
2.4.
De zaak is vervolgens op 15 maart 2021 weer ter zitting behandeld.
De raad heeft tijdens die zitting aangegeven dat uit het deskundigenonderzoek (en eerder ook al aangegeven door de gecertificeerde instelling) geen signalen naar voren zijn gekomen van onveiligheid voor [kind] . De redenen waarom de vader een uithuisplaatsing van [kind] wil zijn invoelbaar, maar dit zijn geen redenen voor een uithuisplaatsing.
Ter zitting is vervolgens uitgebreid het deskundigenonderzoek besproken. De vader heeft om een contra-expertise verzocht. De moeder heeft gevraagd om direct een beslissing te nemen en alle verzoeken van de vader af te wijzen.
Bij beschikking van 16 juni 2021 heeft de rechtbank, mede naar aanleiding van het deskundigenrapport en het verhandelde ter zitting op 15 maart 2021, geoordeeld dat een milieuonderzoek noodzakelijk is. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het deskundigenonderzoek niet volledig is geweest en dat het rapport nog te veel vragen oproept. Met name is de vraag onbeantwoord gebleven of de moeder (op een bepaalde manier) herbelevingen kan controleren, terwijl dit volgens de deskundigen niet mogelijk is, of dat toch sprake is van simulatie. Het deskundigenrapport leunt daarnaast sterk op de verklaringen van de moeder zelf, haar vader en haar behandelaren. In een civiele procedure is een deskundigenrapport weliswaar niet gericht op waarheidsvinding, maar de rechtbank achtte het in deze specifieke zaak van belang dat ook met anderen, zoals de moeder van de moeder en de vader zelf, gesproken zou worden, omdat waarheidsvinding in deze zaak wel van groot belang is en om een beter beeld van de moeder te krijgen.
De rechtbank heeft voorts overwogen dat de vader mag overgaan tot een contra-expertise, maar dat daarvoor wel eerst het milieurapport moet worden afgewacht.
De rechtbank heeft het NIFP verzocht te bemiddelen bij de benoeming van een onafhankelijke deskundige voor het verrichten van een milieuonderzoek.
2.5.
De moeder heeft op 5 juli 2021 verzocht verlof te verlenen voor het instellen van tussentijds hoger beroep.
2.6.
Op 6 augustus 2021 heeft de raad de beslissing, naar aanleiding van de klacht van de moeder tegen de raad, van de Klachtadviescommissie van de raad van 20 juli 2020 ingediend.
2.7.
De rechtbank heeft het verzoek van de moeder, voor het verlenen van verlof voor het instellen van hoger beroep, bij beschikking van 11 augustus 2021 afgewezen.
Bij beschikking van 12 augustus 2021 heeft de rechtbank vervolgens een forensische milieurapporteur benoemd.
2.8.
De raad heeft bij brief van 27 december 2021 gevraagd of, vanwege de vele ontwikkelingen in de procedure en het verstrijken van een lange termijn, de onderzoeksvraag nog steeds actueel en passend is. Voor zover af te leiden uit de (dan relevante) beschikkingen dient er nog altijd (op termijn) een raadsonderzoek naar de omgangsregeling gedaan te worden.
Aan de raad is door de rechtbank bericht dat het milieurapport eerst afgewacht moet worden, waarna waarschijnlijk nog weer een nieuwe mondelinge behandeling wordt bepaald. De raad hoeft tot die tijd niets te doen.
De raad is op 7 april 2022 door de rechtbank bericht dat de aanvankelijk geplande mondelinge behandeling op 4 april 2022 niet is doorgegaan. De raad wordt op de hoogte gesteld van het verdere verloop van deze zaak.
2.9.
De rechtbank heeft vervolgens bij beschikking van 10 augustus 2022 de vader in de gelegenheid gesteld een contra-expertise te laten doen uitvoeren en daarvan een rapport te overleggen uiterlijk 10 december 2022.
De rechtbank is daartoe overgegaan omdat het milieurapport ook geen completer beeld kon schetsen. Het was belangrijk dat de moeder van de moeder in het onderzoek werd meegenomen, maar zij zag er zelf vanaf om haar medewerking te verlenen. De moeder van de moeder verwees naar andere informanten zoals oude scholen en werkgevers van de moeder, maar de moeder gaf de milieurapporteur geen toestemming om hen te benaderen. Het beeld rondom de moeder was dus niet completer geworden en de onbeantwoorde vragen van de rechtbank bleven daarmee nog altijd onbeantwoord. De rechtbank heeft daarom de vader in de gelegenheid gesteld een contra-expertise te laten uitvoeren.
2.10.
De vader heeft de rechtbank op 11 april 2023 bericht meerdere mensen te hebben benaderd voor het verrichten van een contra-expertise. Sommige mensen konden niets voor de vader betekenen. Mogelijk kon één deskundige wel iets betekenen, maar haar kosten waren dusdanig hoog, dat de vader dat niet kon voorschieten. De vader verzoekt om de kosten te laten voorschieten door de Staat, zodat alsnog het gewenste onderzoek kan worden uitgevoerd.
De moeder heeft in de brief van 8 mei 2023 aangegeven niet te kunnen instemmen met het verzoek van de vader. De moeder stelt dat de rechtbank de zaak verder op de stukken kan afdoen en verzoekt om een einduitspraak.
2.11.
Nu de vragen van de rechtbank nog altijd onbeantwoord waren, heeft de rechtbank vervolgens geprobeerd deskundigen te vinden voor het verrichten van een contra-expertise. Dit is uiteindelijk niet gelukt, waarna de mondelinge behandeling is gepland op 7 februari 2024.
3. Wat ter zitting is besproken
De vader
3.1.
De laatste ontwikkelingen in deze zaak zijn nihil. Dat is een zeer trieste constatering. [kind] krijgt zo geen kans om zijn vader te leren kennen. Dat is ook heel erg voor de vader; hij voelt zich radeloos en machteloos. Het lukt niet om de waarheid boven tafel te krijgen en wat de vader wil zal niet gaan lukken. Het is de moeder nu al zes jaren gelukt om de vader buiten de deur te houden. Zes jaar geleden zei de moeder al dat er geen rol voor de vader zou zijn. De vader weet niet eens of de moeder aan statusvoorlichting heeft gedaan.
De vader worstelt er mee dat hij een zoon heeft, [kind] , die hij nog nooit heeft gezien. De vader mag geen deel uitmaken van zijn leven. Door het verloop van deze hele zaak heeft de vader zelf ook een PTSS-behandeling moeten ondergaan. Die behandeling is afgesloten. De vader krijgt wel nog schema-therapie.
De moeder heeft zich kennelijk ook ontwikkeld. Ze krijgt geen WIA-uitkering meer en volgt cursussen. Het gaat beter met de moeder.
De vader heeft de moeder ook een voorstel gedaan, inhoudende dat de verzoeken worden ingetrokken en dat er zo ruimte ontstaat voor de behandeling van de moeder. Na één jaar kan dan bekeken worden wat de mogelijkheden zijn. De moeder heeft aangegeven hier niet mee in te kunnen stemmen, omdat dit als een zwaard van Damocles boven haar hoofd blijft hangen. Dat zal echter altijd blijven.
De vader handhaaft dan ook zijn verzoeken. Er zijn geen contra-indicaties voor omgang tussen de vader en [kind] . Die omgang zou wel nog begeleid moeten worden, maar dat zou bijvoorbeeld via een BOR 3 traject kunnen, dat is voor de moeder wellicht ook fijner.
3.2.
De vader is bereid mee te werken aan een eventueel raadsonderzoek. Weliswaar geeft de raad nu aan te twijfelen over de mogelijkheden voor omgang, maar volgens de vader en de raad is omgang wel het uitgangspunt. De moeder stelt dat ze niet kan starten met haar behandeling voor de PTSS, omdat deze zaak nog loopt. Het is de vader wel gelukt om in de tussentijd voor zijn PTSS behandeld te worden. Het is eigenlijk onvoorstelbaar wat de moeder allemaal voor elkaar krijgt. Er moet dan ook een pressiemiddel komen zoals een ondertoezichtstelling, het verbinden van dwangsommen aan een (begeleide) omgangsregeling of een uithuisplaatsing. Als de raad nader onderzoek gaat doen, kan dat worden meegenomen.
Gelet op het hele verloop van deze zaak is het nog maar de vraag of een contra-expertise gaat helpen om de puzzel te leggen.
De moeder
3.3.
Namens de moeder wordt gesteld dat zij bij de mondelinge behandeling niet aanwezig is vanwege haar PTSS problematiek. Dat was ook de reden waarom zij er tijdens de eerdere zittingen niet bij was. De traumabehandeling van de moeder kan niet starten zolang deze procedure nog loopt. Op dit moment heeft de moeder geen enkele behandeling. Als deze procedure is beëindigd, moet zij zich melden. De moeder krijgt wel 2 uur per week begeleiding vanuit de WMO. Dit is om te praten over alles wat er speelt.
Met [kind] gaat het heel goed. De moeder is nog altijd voor 30% arbeidsongeschikt. Zij volgt cursussen om haar registratie als verloskundige te behouden. Die cursussen zijn om ‘pret-echo’s’ te kunnen maken, want dat is minder belastend. Het trauma bij de moeder is er nog altijd en moet behandeld worden. De moeder handhaaft dan ook haar verweer en verzoekt om een einduitspraak.
3.4.
De moeder staat niet open voor een raadsonderzoek.
De moeder heeft PTSS, maar geen behandeling. Dat laatste is niet mogelijk zolang er geen einduitspraak is. Er is nog een milieuonderzoek gelast en er liggen milieurapportages. De vader is nog in de gelegenheid gesteld om een contra-expertise te laten uitvoeren. Er kan nu niet weer opnieuw begonnen worden met een raadsonderzoek; dat maakt het probleem niet anders. Bovendien roept een raadsonderzoek weer trauma’s op bij de moeder. Op dit moment heeft zij hiervoor geen behandeling en onderzoek zou dan alleen nog maar voor meer schade zorgen.
Een raadsonderzoek voor statusvoorlichting voegt niet veel toe. Het gaat er meer om dat de moeder ook daar hulpverlening voor krijgt.
Een verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing ligt nu niet voor. Er is een ondertoezichtstelling geweest en die is beëindigd, omdat er geen zorgen waren. Het zou raar zijn als er nu een ondertoezichtstelling zou komen, terwijl het onderliggende probleem niet is veranderd. Een uithuisplaatsing zal alleen maar voor trauma’s bij [kind] zorgen.
Dwangsommen kunnen niet aan de orde zijn gelet op de feiten die zijn komen vast te staan op grond van het deskundigenonderzoek.
Als er een raadsonderzoek wordt gelast, dan zijn partijen weer een jaar verder en loopt de zaak in 2025 nog. In eerste aanleg moet het een keer klaar zijn en daarom wordt, namens de moeder, verzocht om een einduitspraak.
De raad
3.5.
De raad heeft aangegeven dat er nog een opdracht ligt voor hem. Het is nu de vraag wat de verwachting van de rechtbank is naar de raad toe.
Dit is een heel complexe situatie en de raad schat in dat de mogelijkheden voor een omgangsregeling lastig zijn. De raad kan misschien wel onderzoek doen met betrekking tot de statusvoorlichting en de informatieplicht en daarvoor de mogelijkheden bekijken. [kind] gaat nu naar school en zal vragen hebben over ‘papa’. De raad zou eventueel kunnen bekijken wat haalbaar en uitvoerbaar is bij zowel de moeder als de vader. Als de raad een onderzoek gaat doen, worden (eventueel benodigde) kinderbeschermingsmaatregelen daarin altijd meegenomen.
4. Het oordeel van de rechtbank
Provisionele voorziening
4.1.
De rechtbank merkt als eerste op dat de vader bij wege van provisionele voorziening (C/03/252323 / FA RK 18-2588) primair had gevraagd een omgangsregeling vast te stellen, subsidiair een begeleide omgangsregeling vast te stellen en meer subsidiair een raadsonderzoek te gelasten. Dat laatste heeft de rechtbank bij beschikking van 14 augustus 2018 ook gedaan. Op de overige verzoeken van de vader is in die procedure niet meer beslist. Gelet op het verloop van de bodemprocedure is de rechtbank van oordeel dat er ook geen belang meer is bij beslissingen in de provisionele voorziening. De rechtbank zal die verzoeken dan ook voor het overige afwijzen.
Bodemprocedure
4.2.
Bij beschikking van 16 juni 2021 heeft de rechtbank uitvoerig overwogen waarom zij het eerste deskundigenonderzoek niet volledig vond en waardoor de conclusies in het deskundigenrapport niet door de rechtbank onderschreven konden worden. De rechtbank achtte zich onvoldoende voorgelicht en had behoefte aan een nader onderzoek, mede omdat in deze zaak waarheidsvinding van groot belang was. Hiervoor is een milieurapporteur benoemd om een completer beeld te krijgen van de achtergrond van zowel de moeder als de vader.
De vader heeft aan de rapporteur toestemming gegeven om de moeder van de moeder (en haar zussen) te benaderen. De milieurapporteur geeft in zijn rapport aan dat hij telefonisch contact met hen heeft gehad en er verschillende keren telefonisch overleg heeft plaats gevonden. Zij twijfelden over hun medewerking aan het onderzoek en zagen hier uiteindelijk vanaf. Ze hadden te veel meegemaakt met de moeder en waren bang voor de gevolgen wanneer ze inhoudelijke informatie over haar zouden verstrekken. Aan de rapporteur werd de vraag gesteld of er informatie werd opgevraagd bij eerdere scholen en werkgevers van de moeder, daaruit zou haar problematisch gedrag vanzelf duidelijk worden.
De rapporteur heeft van de moeder geen toestemming gekregen om eerdere scholen en werkgevers van de moeder te benaderen en kon deze dus niet benaderen. De informatie van de rapporteur was daarom gebaseerd op hetgeen ook al in het deskundigenrapport was vermeld.
In de beschikking van 10 augustus 2022 heeft de rechtbank overwogen dat het niet is gelukt om een completer beeld te krijgen, omdat de moeder geen toestemming heeft gegeven voor het benaderen van haar oude scholen en werkgevers. De vader had weliswaar verzocht hem vervangende toestemming te verlenen zodat die referenten wel benaderd konden worden, maar daartoe zijn, in het kader van deze procedure, geen juridische mogelijkheden.
Vervolgens is geprobeerd een contra-expertise te gelasten, maar het is niet gelukt een deskundige te vinden die op korte termijn een contra-expertise kon verrichten.
Op grond van hetgeen in voorgaande beschikkingen is overwogen en beslist, kan geconcludeerd worden dat de gerezen vragen nog altijd onbeantwoord zijn en dat er geen mogelijkheden (lijken te) zijn om hier binnen een redelijke termijn antwoord op te krijgen.
In een nader raadsonderzoek, met betrekking tot de statusvoorlichting en de informatieplicht, ziet de rechtbank geen meerwaarde. Nog daargelaten dat er gerede twijfel bestaat of de moeder gaat meewerken aan het raadsonderzoek, is het zeer onwaarschijnlijk dat de moeder iets zal doen met het advies dat daaruit voortvloeit. Het lijkt er namelijk op dat zodra enig onderzoek de stellingen van de vader kan bevestigen, de moeder haar medewerking of toestemming hieraan niet verleent. Bovendien is het de rechtbank inmiddels heel duidelijk geworden dat de moeder geen enkele rol wenst voor de vader in het leven van [kind] . Zij biedt daarvoor nog niet de kleinste opening, ondanks dat de vader netjes alle juridische wegen heeft gevolgd en zich op geen enkele manier, al die jaren dat deze procedure al loopt, grensoverschrijdend heeft gedragen richting de moeder en/of [kind] .
De rechtbank neemt daarbij ook nog het volgende in aanmerking:
De moeder heeft meermaals te kennen gegeven dat [kind] zijn vader niet nodig heeft en dat hij prima kan opgroeien zonder zijn vader. De moeder is, behalve bij de eerste zitting met betrekking tot de erkenning (24 april 2018) en de zitting inzake de provisionele voorziening (7 augustus 2018), nooit ter zitting verschenen om haar verhaal te doen. Tijdens die zittingen heeft de moeder er geen enkele blijk van gegeven dat zij de confrontatie met de vader niet aankon. Sterker nog, tijdens de zitting op 24 april 2018 heeft de moeder, daarnaar gevraagd, aangegeven ‘ik ben niet bereid er aan te werken om de vader een rol te geven in het leven van [kind] ’. Ook in het gesprek met de bijzondere curator heeft de moeder er geen enkele blijk van gegeven dat zij de confrontatie niet aan zou kunnen.
Toen de moeder op een gegeven moment aangaf dat zij de confrontatie met de vader niet aankon, heeft de rechtbank de moeder meermaals de mogelijkheid geboden om afzonderlijk (maar wel in het bijzijn van de advocaat van de vader in verband met hoor en wederhoor) op een ander tijdstip te worden gehoord. Ook daar heeft zij geen gebruik van gemaakt. Dit alles in combinatie met het niet meewerken aan de onderzoeken - maar wel zelf zeer uitgebreid reageren op de stukken die de vader indient en een alimentatieprocedure tegen de vader aanspannen- maakt dat de rechtbank, los van de vraag of de diagnose PTSS terecht is gesteld, vooral een moeder ziet die op geen enkele wijze de vader een plek in het leven van [kind] wil geven.
Echter, zoals de rechtbank ook ter zitting heeft aangegeven, de vader zal nooit helemaal verdwijnen uit het leven van zowel de moeder als [kind] . [kind] bestaat voor de helft uit zijn vader en in die zin is de vader dus altijd aanwezig in het leven van de moeder. De moeder zal moeten leren hiermee om te gaan waarbij nieuwe procedures altijd een gegeven kunnen zijn.
4.3.
Deze zaak is gestart met het verzoek van de vader tot (kort gezegd) erkenning, gezag en omgang, het recht van iedere vader. Enkel wanneer het kind klem of verloren komt te zitten tussen de ouders of de belangen van het kind zich daartegen verzetten, zal de rechtbank niet tot toewijzing daarvan kunnen overgaan.
De moeder heeft als verweer gesteld dat haar PTSS, opgelopen door hetgeen zij met de vader in het verleden zou hebben meegemaakt, haar belemmert in het toestaan van enige vorm van contact tussen [kind] en zijn vader. Indien haar de gelegenheid wordt geboden om in alle rust een behandeling daarvoor te ondergaan, is die mogelijkheid er wellicht wel. Tot dan houdt zij iedere vorm van contact af.
De vader betwist de stellingen van de moeder en heeft daartoe bij verschillende gelegenheden aangevoerd dat de verhalen van de moeder over wat er zou zijn gebeurd, steeds extremer worden. De vader vindt het vreemd dat de moeder wel de mogelijkheid heeft om direct te reageren op stukken die de vader in de procedure overlegt, wat niet logisch is als zelfs de naam van de vader haar triggert in haar PTSS.
De rechtbank is van oordeel dat de verschillende onderzoeken die er zijn geweest het verweer van de moeder onvoldoende onderbouwen. De moeder heeft weliswaar informatie overgelegd van haar behandelaren, maar de onderzoeken zijn gebaseerd op die eenzijdige informatie van de moeder. De rechtbank kan dus niet beoordelen of sprake is van PTSS. Voor zover de onderzoeken ook tot doel hebben om de waarheid boven tafel te krijgen, kan worden gesteld dat de moeder dat heeft belemmerd door stelselmatig te beletten in volle omvang onderzoek te kunnen doen. Als reeds in eerdere beschikkingen aangegeven wordt van de zijde van de moeder aangegeven dat enkel de informatie van haar, haar vader en haar behandelaren in het onderzoek mogen worden betrokken. Hoe de rechtbank daarover oordeelt staat in de beschikking van 16 juni 2021 beschreven.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de moeder haar verweer onvoldoende heeft onderbouwd. De uiteindelijke conclusie moet dan ook zijn dat de door moeder gestelde PTSS niet is komen vast te staan en haar verzet tegen omgang tussen de vader en [kind] moet worden gezien als weerstand en onwil.
Er zijn, in het kader van deze (familierechtelijke) procedure, geen juridische mogelijkheden om de moeder te dwingen mee te werken aan een contra-expertise of nader onderzoek naar PTSS. De moeder zal ook op geen enkele wijze meewerken aan omgang tussen [kind] en zijn vader. De rechtbank komt hiermee tot de trieste conclusie dat in deze zaak het recht geen oplossing biedt.
De zaak nog langer laten voortduren zal evenmin een oplossing bieden en de rechtbank zal dan ook een eindbeslissing nemen op de nog voorliggende verzoeken.
Ter beoordeling liggen op dit moment nog voor de verzoeken van de vader met betrekking tot het gezamenlijk gezag, het vaststellen van een (opbouwende) omgangsregeling en de informatieplicht en het al dan niet verbinden van dwangsommen aan de (nakoming van de) omgangsregeling. Nu de rechtbank niet overgaat tot het gelasten van een nader raadsonderzoek kan niet geoordeeld worden over een verzoek tot ondertoezichtstelling en/of uithuisplaatsing.
4.4.
Het gezamenlijk gezag
Het verzoek van de vader voor gezamenlijk gezag is gebaseerd op artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Dit artikel bepaalt dat de tot het gezag bevoegde vader, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank kan verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Het verzoek tot gezamenlijk gezag wordt slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat de minderjarige klem of verloren raakt tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd verandering zal komen, dan wel afwijzing anderszins in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.
De moeder verzet zich, als hiervoor overwogen, zonder daartoe een onderbouwde reden te hebben, tegen toekenning van het gezag ook aan de vader. De rechtbank ziet geen reden om het verzoek af te wijzen vanwege een onaanvaardbaar risico dat [kind] klem of verloren raakt. [kind] weet niet eens van het bestaan van zijn vader. De vader wil contact met [kind] maar heeft ook aangegeven dat hij weet dat [kind] bij zijn moeder woont en daar zijn thuis heeft.
Hoewel voor het toekennen van gezamenlijk gezag enige vorm van communicatie vereist is, en dat in deze zaak niet het geval is, ziet de rechtbank aanleiding het verzoek van de vader toch toe te wijzen. De vader weet op dit moment niets van [kind] en kan zich op geen enkele manier laten informeren over [kind] , terwijl hij wel de vader is van [kind] en hem heeft erkend. Het toekennen van gezag aan de vader is de enige manier voor hem om informatie te krijgen en op te vragen.
De rechtbank ziet evenmin reden om het verzoek af te wijzen omdat dit anderszins in het belang van [kind] noodzakelijk zou zijn. Integendeel zelfs. Als reeds aangegeven lijkt het toekennen van gezag in dit geval de enige manier voor de vader te zijn om op zijn minst informatie over [kind] te krijgen en indien dat mogelijk is, dit ook uit te breiden naar contact, waar [kind] ook recht op heeft.
Gelet op de opstelling van de vader gedurende al die jaren dat deze procedure al loopt, alsmede het feit dat hij zelf behandeling heeft gehad (en nog krijgt), gaat de rechtbank er van uit dat de vader zijn gezag niet zal gaan misbruiken.
4.5.
De informatieplicht
Artikel 1:253p, eerste lid, BW bepaalt dat in de gevallen waarin door de rechter het gezag wordt opgedragen aan beide ouders of aan een ouder alleen, dit een aanvang neemt zodra de desbetreffende beschikking in kracht van gewijsde is gegaan, of, indien zij uitvoerbaar bij voorraad is verklaard, daags nadat de beschikking is verstrekt of verzonden.
Gelet op dit bepaalde alsmede op de omstandigheid dat de vader onweersproken heeft verzocht om uitvoerbaar verklaring bij voorraad van de te geven beslissing en de rechtbank geen termen aanwezig acht om de uitvoerbaar verklaring bij voorraad achterwege te laten, gaat de rechtbank er vanuit dat het gezamenlijk gezag rechtsgeldige werking heeft met ingang van de dag nadat de beschikking is verstrekt of verzonden.
Het verzoek van de vader om informatie is dan gebaseerd op artikel 1:253a tweede lid, onder c, BW.
In geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag kunnen geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
De rechtbank kan eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd.
Artikel 1:253a, vijfde lid, BW, houdt het navolgende in:
De rechtbank beproeft alvorens te beslissen op een verzoek als in het eerste of tweede lid bedoeld, een vergelijk tussen de ouders en kan desverzocht en ook ambtshalve, zulks indien geen vergelijk tot stand komt en het belang van het kind zich daartegen niet verzet, een door de wet toegelaten dwangmiddel opleggen, dan wel bepalen dat de beschikking of onderdelen daarvan met toepassing van artikel 812, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten uitvoer kunnen worden gelegd.
De rechtbank is van oordeel dat aan de moeder die informatieplicht moet worden opgelegd. Aan de vader wordt gezamenlijk gezag toegekend, met name om informatie te krijgen over [kind] . De vader weet echter niets van [kind] en dus is hem onbekend waar hij informatie kan opvragen. De rechtbank acht de moeder zeer wel in staat, al dan niet via derden, om de vader maandelijks te informeren over het welzijn en de ontwikkeling van [kind] .
De rechtbank zal daaraan ook een dwangsom verbinden. Hoewel dit door de vader niet expliciet is verzocht ten aanzien van de informatieplicht, is dit wel verzocht ten aanzien van de omgangsregeling. De rechtbank is van oordeel dat, nu de vader dit kan verzoeken voor een omgangsregeling, dit ook verzocht en toegewezen kan worden voor het ‘mindere’, de informatieplicht. Overduidelijk is dat er geen vergelijk tot stand zal komen, maar het belang van [kind] verzet zich op geen enkele wijze tegen het opleggen van een informatieplicht. Om de moeder toch te bewegen enige informatie over [kind] te verstrekken zal de rechtbank een dwangsom hieraan koppelen ter hoogte van € 250,- per keer, met een maximum van
€ 10.000,-. De rechtbank ziet dit als enige manier waarop de vader toch een plek krijgt in het leven van [kind] . Met de informatie die de vader krijgt, kan hij, als gezaghebbende ouder, namelijk ook bij andere(n) (instanties) nadere informatie krijgen over [kind] . De moeder dient voor de eerste dag van iedere maand informatie aan de vader te verstrekken, onder andere over zijn schoolgang (waarbij moeder ook de naam van de school bekend maakt), sport, hobby’s, ziekte en medische aangelegenheden (waarbij moeder ook de naam van de huisarts en eventuele andere betrokken artsen bekend maakt). Daarnaast dient de moeder eenmaal per half jaar, voor het eerst voor 1 juli 2024, een recente foto van [kind] aan de vader te sturen.
4.6.
De omgang
De rechtbank verwijst wederom naar artikel 1:253p, eerste lid BW.
Het verzoek van de vader is dan gebaseerd op artikel 1:253a, lid 2 en onder a, BW.
Dit artikel bepaalt dat de rechtbank een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag, waarbij aan ieder der ouders zorg- en opvoedingstaken worden toegedeeld (hierna: zorgregeling). De rechtbank kan een zorgregeling bepalen die haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Hoewel er in de basis geen contra-indicaties zijn voor het bepalen van een omgangsregeling, ziet de rechtbank op dit moment daartoe geen enkele mogelijkheid. Het staat wel vast dat de moeder haar medewerking hieraan niet zal verlenen.
De vader heeft verzocht om een zogenaamde BOR 3 regeling te bepalen en daar een dwangsom aan te koppelen.
Het probleem in deze zaak is echter dat [kind] geen weet heeft van het bestaan van zijn vader en dus nooit contact met hem heeft gehad. Er zal dus eerst statusvoorlichting gegeven moeten worden en daarna zou een omgangsregeling opgebouwd moeten worden. Gelet op het hele verloop van deze procedure wordt dit waarschijnlijk een heel lange opbouw. Het nog langer laten voortduren van deze procedure acht de rechtbank, als eerder overwogen, niet wenselijk. Bovenal echter verwacht de rechtbank dat ook een BOR 3 geen oplossing biedt en er geen omgang tot stand gebracht kan worden, gelet op de complexiteit van de problematiek. Het verbinden van een dwangsom hieraan, maakt dat niet anders en biedt geen perspectief. De rechtbank ziet in deze procedure geen enkele mogelijkheid om tot omgang te komen. Het verzoek van de vader zal, voor nu en bij deze stand van zaken, dan ook worden afgewezen.
De rechtbank verwacht van de moeder, nu zij stelt dat haar trauma haar belet om mee te werken aan een omgangsregeling, dat zij, als zij haar traumabehandeling heeft afgerond, zelf het initiatief neemt om vader hierover te infomeren zodat dan onderzocht kan worden hoe het contact tot stand gebracht kan worden.
Mocht de moeder dat niet doen, dan verwacht de rechtbank dat [kind] op een gegeven moment zelf nieuwsgierig wordt naar zijn vader. [kind] kan dan, op latere leeftijd, zelf op onderzoek uitgaan en er achter komen dat zijn vader er heel graag voor hem had willen zijn en dat het zeker niet aan de vader te wijten is dat dit niet het geval was.
4.7.
Proceskosten en kosten deskundigen
De proceskosten zal de rechtbank, als gebruikelijk, compenseren en bepalen dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.
De kosten voor de deskundigen ad respectievelijk € 4.336,61 en € 2.784,- en de milieurapporteur ad € 5.445,- zijn door de Staat voorgeschoten.
Bij toepassing van de artikelen 195, 199 en 200 Rv komen de kosten van een deskundigenonderzoek in dagvaardingsprocedures ten laste van partijen. In verzoekschriftprocedures bepaalt artikel 284 lid 1 Rv die bepalingen van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. Indien het in het belang van een kind nodig is dat een onderzoek plaatsvindt, biedt deze bepaling de rechtbank de ruimte de kosten van zo een onderzoek geheel of gedeeltelijk ten laste van het Rijk te brengen indien sprake is van geen of verminderde draagkracht aan de zijde van (een van) partijen.
De rechtbank is van oordeel dat de onderhavige zaak ten aanzien van partijen aan dit criterium voldoet.
De rechtbank zal de kosten in totaal definitief op het bedrag van € 12.565,61 inclusief BTW vaststellen en bepalen dat de kosten ten laste van ‘s Rijks kas zullen komen.
5. De beslissing
De rechtbank:
In de provisionele voorziening (C03/252323 FA RK 18-2588)
5.1.
wijst het meer of anders verzochte af;
In de bodemprocedure (C/03/244190 / FA RK 17-4892)
5.2.
bepaalt dat aan [vader] voortaan mede het gezag zal toekomen over de minderjarige:
[kind] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2017.
5.3.
bepaalt dat de moeder voor iedere eerste dag van de maand de vader dient te informeren over het welzijn en de ontwikkeling van [kind] , waaronder zijn schoolgang (waarbij moeder ook de naam van de school bekend maakt), sport, hobby’s, ziekte en medische aangelegenheden (waarbij moeder ook de naam van de huisarts van [kind] en eventueel andere bij [kind] betrokken artsen bekend maakt), alsmede eenmaal per half jaar, voor het eerst voor 1 juli 2024, een recente foto van [kind] aan de vader dient te sturen;
5.4.
veroordeelt de moeder om aan de vader een dwangsom te betalen van € 250,- voor iedere keer dat zij niet aan de in 5.3. uitgesproken bepaling voldoet tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;
5.5.
bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking zal doen toekomen aan het centrale gezagsregister, om daarin aantekening te doen van de gewijzigde gezagssituatie;
5.6.
stelt de totale kosten van het deskundigenonderzoek en milieuonderzoek vast op€ 12.565,61 (inclusief BTW) en bepaalt dat deze kosten ten laste van 's Rijks kas komen;
5.7.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt;
5.8.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.9.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr.drs. C.M.J. van den Acker (voorzitter), mr. Wh.T.M. Raab en mr. F. Oelmeijer, allen kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van L. Reijnders-Verlinden, griffier, op 14 mei 2024. | ||
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch: a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak; b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden. | ||
Uitspraak 10‑08‑2022
Inhoudsindicatie
Vader in de gelegenheid gesteld een contra-expertise te laten uitvoeren
Partij(en)
Rechtbank Limburg
Familie en jeugd
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/244190 / FA RK 17-4892
Beschikking van 10 augustus 2022
in de zaak van:
[de vader] ,
Wonende te [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen de vader,
advocaat: mr. S.J.M.P. Hoppers;
tegen:
[de moeder] ,
Wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. J.A.N. Lap.
betreffende de minderjarige:
[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2017.
1. Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Dit blijkt uit het volgende:
- de tussen partijen gegeven beschikking van 12 augustus 2021 waarbij dhr. [naam milieurapporteur] , forensische milieurapporteur, is benoemd tot deskundige en verzocht een milieuonderzoek te verrichten inzake de vader en de moeder en een deskundigenrapport uit te brengen;
- de op 31 december 2021 ingekomen milieurapporten van zowel de vader als de moeder, welke in eerste instantie, op verzoek van de milieurapporteur, aan iedere partij apart zijn toegezonden;
- de op 1 februari 2022 ingekomen reactie van de civiele rapporteurs drs. [naam GZ-psycholoog 1] en drs. [naam GZ-psycholoog 2] op het milieurapport van dhr. [naam milieurapporteur] ;
- de brief van de moeder van 18 maart 2022;
- de brief van de vader van 23 maart 2022;
- de brief van de rechtbank van 7 april 2022, aan beide partijen, waarbij het rapport over de andere ouder is meegezonden;
- de reactie op het rapport (over de moeder) en verzoek om contra-expertise van 3 mei 2022 van de vader;
- de akte uitlaten ( over het rapport van de vader) en akte overlegging productie van 4 mei 2022 van de moeder.
2. De milieurapporten
2.1.
De milieurapporteur heeft in zijn afzonderlijke rapporten van beide ouders het rapport samengesteld onder de koppen:
- bronnen en bijzonderheden
- samenstelling gezin van herkomst
- familiegeschiedenis tot aan de geboorte van betrokkene
- kinderen gezin van herkomst
- levensloop betrokkene, welk onderdeel nog is gesplitst in:
- de jeugdperiode, 0-12 jaar oud
- de periode van voortgezet en middelbaar onderwijs
- de periode van de relatie
- de periode na de relatie met de moeder (in de rapportage van de vader)
- de geboorte van [minderjarige] en de hulpverlenende trajecten (in de rapportage van de
moeder).
2.2.
Voor wat betreft de moeder wordt door de rapporteur aangegeven dat hij haar eenmaal op 20 oktober 2021 op haar huisadres heeft bezocht. De moeder wilde haar medewerking wel verlenen aan het onderzoek, maar was niet meer in staat haar verhaal opnieuw te vertellen. De moeder verwees daarvoor naar de eerdere rapportage van 22 februari 2021. De rapporteur heeft met de moeder gesproken over de situatie gedurende het afgelopen jaar. De moeder heeft diverse instanties toestemming gegeven voor het verstrekken van informatie. Zij weigerde toestemming te geven voor het benaderen van haar moeder en ex-partner als referent en/of door hun verstrekte informatie in haar rapportage te integreren. De moeder weigerde eveneens toestemming te geven voor het verstrekken van informatie door eerdere scholen en werkgevers.
2.3.
Ten aanzien van de vader geeft de rapporteur aan dat hij de vader heeft bezocht op 15, 20 oktober en 1 november 2021. De vader gaf diverse instanties toestemming voor het verstrekken van informatie en hij verstrekte de rapporteur contactgegevens van mogelijke referenten, onder ander de moeder en twee zussen van de moeder. De rapporteur heeft contact gehad met de moeder van moeder en haar twee zussen; zij twijfelden over hun medewerking aan het onderzoek en zagen hier uiteindelijk van af. Zij hadden al te veel meegemaakt met de moeder en aan de rapporteur werd gevraagd of hij informatie zou opvragen bij eerdere scholen en werkgevers van de moeder.
3. De nadere standpunten
De vader
3.1.
De vader geeft aan teleurgesteld te zijn over de inhoud van het rapport over de moeder, vooral vanwege het gegeven dat belangrijke referenten ( de moeder van de moeder, zussen van de moeder, ex-partner, scholen en werkgevers) niet konden worden benaderd. Het enige dat verschilt met het vorige onderzoek, is dat de vader nu ook gesproken heeft met de deskundige. Het blijft echter ook nu alleen bij het horen van de moeder en haar vader. De moeder heeft belangrijke referenten opnieuw buiten de deur kunnen houden en kan op deze manier alles blijven frustreren en manipuleren.
De deskundige heeft bij de vader aangegeven dat het een kwestie van ‘woord tegen woord’ is en dat het heel lastig is om vast te stellen waar de vermeende PTSS-klachten van de moeder vandaan komen en in hoeverre er sprake kan zijn van malingering.
3.2.
De vader acht het nog steeds van wezenlijk belang dat er een volledig milieuonderzoek verricht gaat worden waarbij alle gewenste referenten benaderd kunnen worden. Het kan niet zo zijn dat de moeder enig onderzoek daarin zal blijven frustreren. De vader verzoekt primair dan ook om te bepalen, voor zover mogelijk, dat de genoemde referenten alsnog benaderd zullen worden, eventueel met een vervangende toestemming van de rechtbank.
Subsidiair wordt verzocht een contra-expertise te laten uitvoeren door [naam hoogleraar] , hoogleraar aan de universiteit van Maastricht en/of [naam] , die onder supervisie van voornoemde hoogleraar haar dissertatie schreef over ‘malingerers’. De vader schat de termijn voor de contra-expertise op drie maanden.
De moeder
3.3.
De moeder heeft als productie 35 haar reactie op het rapport van de vader gegeven, met daarbij gevoegd diverse bijlagen. Volgens de moeder komt het rapport van de vader over als een zeer verdraaid beeld van de werkelijkheid. De moeder stelt dat het algemene beeld dat het rapport laat zien is dat de vader labiel is en emoties en agressie niet onder controle heeft. De vader raakt voortdurend in conflicten, waarbij zijn gedrag uit de hand loopt. De vader grijpt steeds weer opnieuw naar cannabis. Een beeld dat volledig in overeenstemming is met hetgeen de moeder schrijft over de relatie.
4. Het oordeel van de rechtbank
4.1.
De rechtbank overweegt dat in haar beschikking van 16 juni 2021 is opgenomen dat het eerdere onderzoek niet volledig is geweest, reden waarom een milieuonderzoek noodzakelijk werd geacht. Er diende meer zicht en een completer beeld te komen van de achtergrond van zowel de moeder als de vader. Ook was van belang dat de moeder van de moeder in het rapport werd meegenomen. Dit laatste is niet gebeurd. Niet zozeer omdat de moeder daar geen toestemming voor gaf – de vader had die wel gegeven -, maar omdat de moeder van de moeder er zelf vanaf zag om haar medewerking te verlenen.
De rapporteur heeft van de moeder geen toestemming gekregen om andere informanten, zoals oude scholen en werkgevers van haar, te benaderen. Gevolg is dan ook, voor wat betreft het rapport van de moeder, dat dit is gebaseerd op hetgeen de moeder en haar vader in het eerdere onderzoek al hebben aangegeven. De rechtbank is dan ook voorshands van oordeel dat het beeld rondom de moeder niet completer is geworden en de onbeantwoorde vragen van de rechtbank nog altijd onbeantwoord zijn.
Evenwel biedt de wet in dit geval, in het kader van deze procedure, niet de mogelijkheid om, zoals door de vader primair is verzocht, vervangende toestemming te verlenen zodat bepaalde informanten/referenten van de moeder wel benaderd zouden kunnen worden.
Subsidiair heeft de vader verzocht een contra-expertise te laten uitvoeren. Al in de beschikking van 16 juni 2021 heeft de rechtbank geoordeeld dat de vader hiertoe in de gelegenheid moest worden gesteld. Van belang was dat eerst het milieurapport werd afgewacht, zodat aan de contra-expert alle, dan voorhanden zijnde, stukken konden worden voorgelegd. Nu het milieurapport er is, zal de rechtbank conform artikel 810a lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de vader in de gelegenheid stellen een contra-expertise te laten uitvoeren door een niet door de rechtbank benoemde deskundige. In dat licht bezien zal de rechtbank dan ook niet de door de vader benoemde deskundige(n) benoemen of bepalen dat de contra-expertise door hen moet worden uitgevoerd. Het is aan de vader om te bezien door wie hij een contra-expertise laat uitvoeren en op welke wijze, zolang hier maar een rapport van wordt overgelegd. De rechtbank stelt de vader daartoe in de gelegenheid en zal daar, gelet op de huidige (vakantie)periode, een termijn van vier maanden voor geven.
5. De beslissing
De rechtbank:
5.1.
stelt de vader in de gelegenheid een contra-expertise te laten doen uitvoeren en een rapport daarvan over te leggen uiterlijk 10 december 2022;
5.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.M.J. van den Acker (voorzitter), mr. Wh.T.M. Raab en mr. F. Oelmeijer, allen kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van L. Reijnders-Verlinden, griffier, en bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. F. Oelmeijer op 10 augustus 2022 | ||
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch: a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak; b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden. | ||
Uitspraak 12‑08‑2021
Inhoudsindicatie
Benoeming forensisch milieurapporteur
Partij(en)
Rechtbank Limburg
Familie en jeugd
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/244190 / FA RK 17-4892
Beschikking van 12 augustus 2021
in de zaak van:
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen de vader,
advocaat: mr. S.J.M.P. Hoppers;
tegen:
[de moeder] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. J.A.N. Lap.
betreffende de minderjarige:
[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2017.
1. Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Dit blijkt uit het volgende:
- de tussen partijen gegeven beschikking van 16 juni 2021;
- het e-mailbericht van het NIFP van 14 juli 2021;
- het e-mailbericht van het NIFP van 21 juli 2021.
2. De verdere beoordeling
2.1.
In de tussenbeschikking van 16 juni 2021 is het NIFP verzocht om te bemiddelen bij de benoeming van (een) onafhankelijke deskundige voor het verrichten van een milieuonderzoek.
2.2.
Het NIFP heeft de heer [naam milieurapporteur] , milieurapporteur, bereid gevonden om het milieuonderzoek te verrichten bij zowel de vader als de moeder.
2.3.
Partijen zijn niet in de gelegenheid gesteld om te reageren op de voorgedragen deskundige en de ingediende offerte, nu de rechtbank de noodzaak zag voor het instellen van een milieuonderzoek en de kosten daarvan ten laste van ’s Rijks kas komen.
De rechtbank overweegt dat de vader en de moeder de verplichting hebben op grond van artikel 198, lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering mee te werken aan het onderzoek en dat als niet wordt voldaan aan de verplichting, de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maakt die haar geraden acht.
Voorts overweegt de rechtbank dat uit het deskundigenrapport moet blijken dat de moeder en de vader door de deskundigen in de gelegenheid zijn gesteld opmerkingen over het rapport te maken, met vermelding van de inhoud van de eventueel gemaakte opmerkingen.
2.4.
De griffier zal een afschrift van de nagekomen stukken aan de deskundige doen toekomen, nu het gehele procesdossier, inhoudende de stukken daterende van voor de beschikking van 10 juni 2020, alsmede de contactgegevens van de moeder reeds in het bezit van het NIFP zijn.Indien de deskundige voor het onderzoek gebruik maakt van informatie van derden, dient hij daarvan melding te maken in het rapport
2.5.
Ingevolge de overgelegde offerte zal het voorschot voor dhr. [naam milieurapporteur] , forensisch milieurapporteur, worden bepaald op € 4.500,00 exclusief BTW. Dit bedrag omvat arbeidsuren, reiskosten, verblijfskosten, kosten voor het gebruik van apparatuur, kosten voor materialen en middelen en alle overige indirecte kosten, maar is exclusief de BTW van 21%.Indien de deskundige voorziet dat de kosten hoger uit gaan vallen, dient daartoe vooraf, met begroting van de meerkosten, schriftelijk toestemming van de rechtbank te worden verkregen.
In de eindbeschikking zal een definitieve beslissing worden genomen over de betaling van de kosten.
2.6.
De deskundige heeft niet aangegeven wanneer hij verwacht dat het onderzoek zal zijn afgerond. De rechtbank zal de deskundige echter verzoeken om uiterlijk 1 december 2021 het deskundigenbericht uit te brengen.
In afwachting van dit deskundigenbericht zal iedere beslissing worden aangehouden.
3. De beslissing
De rechtbank:
3.1.
benoemt dhr. [naam milieurapporteur] , forensische milieurapporteur, tot deskundige om een forensisch milieuonderzoek te verrichten inzake de vader en de moeder;
3.2.
begroot het voorschot ter zake van de kosten van de deskundige conform de uitgebrachte offerte op € 4.500,00 exclusief BTW en bepaalt dat deze kosten door de Staat kunnen worden voorgeschoten;
3.3.
bepaalt dat uit het deskundigenrapport moet blijken dat de vader en de moeder door de deskundige in de gelegenheid zijn gesteld opmerkingen over het rapport te maken, met vermelding van de inhoud van de eventueel gemaakte opmerkingen;
3.4.
verzoekt de deskundige om uiterlijk 1 december 2021 het deskundigenbericht uit te brengen;
3.5.
bepaalt dat de griffier van de rechtbank een afschrift van deze beschikking alsmede een afschrift van de na 10 juni 2020 nagekomen stukken van het procesdossier aan de deskundige zal toezenden;
3.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.M.J. van den Acker, mr. W.Th.M. Raab en mr. S.A.M.C. van de Winkel, allen kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van L. Reijnders-Verlinden, griffier, op 12 augustus 2021. | ||
Uitspraak 16‑06‑2021
Inhoudsindicatie
Beslissing nav van het deskundigenrapport van het NIFP dat nog een nader onderzoek nodig is
Partij(en)
Rechtbank Limburg
Familie en jeugd
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/244190 / FA RK 17-4892 en C/03/252323 / FA RK 18-2588
Beschikking van 16 juni 2021
in de zaak van:
[de vader] ,
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen de vader,
advocaat: mr. S.J.M.P. Hoppers;
tegen:
[de moeder] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres
hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. J.A.N. Lap,
betreffende de minderjarige:
[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2017.
1. Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Dit blijkt uit het volgende:
- de tussen partijen gegeven beschikking van 10 juni 2020 waarbij [naam GZ-psycholoog 1] en [naam GZ-psycholoog 2] tot deskundigen zijn benoemd en verzocht zijn een onderzoek in te stellen en een deskundigenbericht uit te brengen;
- de brief van 8 januari 2021 van de moeder;
- het F9-formulier van 14 januari 2021 van de vader;
- het op 22 februari 2021 ingekomen deskundigenbericht;
- de bij brief van 1 maart 2021 ingediende producties van de moeder;
- de bij brief van 4 maart 2021 ingediende reactie op het deskundigenbericht van de moeder;
- de bij brief van 8 maart 2021 ingediende productie van de moeder;
- de bij brief van 11 maart 2021 ingediende reactie op het deskundigenbericht van de vader;
- de bij brief van 12 maart 2021 ingediende productie van de moeder;
- de nadere mondelinge behandeling, welke heeft plaatsgevonden op 15 maart 2021 en waarbij zijn verschenen:
- de vader, bijgestaan door mr. Hoppers;
- mr. Lap namens de moeder;
- mw. [naam] , vertegenwoordigster van de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad);
- dhr. [naam GZ-psycholoog 2] , GZ-psycholoog/orthopedagoog-generalist.
Mw. [naam GZ-psycholoog 1] , GZ-psycholoog kon fysiek niet aanwezig zijn en is ter zitting, in aanwezigheid van eenieder, telefonisch gehoord.
1.2.
Door de moeder is bij brief van 8 januari 2021 verzocht om haar separaat, op een andere dag, te horen. Door de vader is hiertegen op 14 januari 2021 bezwaar gemaakt.
Door de moeder is bij brief van 1 maart 2021, gelet op het ingediende deskundigenbericht, nogmaals verzocht haar separaat te horen.
De rechtbank heeft de moeder in de gelegenheid gesteld om gehoord te worden op 15 maart 2021 op een ander tijdstip, nu het niet te realiseren was om haar op een andere dag te horen. De moeder heeft bij brief van 8 maart 2021 aangegeven niet aanwezig te zullen zijn en heeft haar mening in diezelfde brief kenbaar gemaakt.
2. Het deskundigenbericht
2.1.
Bij beschikking van 10 juni 2021 is aan de deskundigen verzocht een onderzoek in te stellen en een deskundigenbericht uit te brengen met betrekking tot de in die beschikking geformuleerde vragen. In het deskundigenbericht van 22 februari 2021 zijn die vragen als volgt beantwoord:
1. Hoe is de persoonlijkheid en het functioneren van de moeder te beschrijven?
• op basis van klinische impressies
• op basis van psychologisch testonderzoek
• eventuele aandachtspunten
De dynamiek in de contacten met moeder wijst niet op persoonlijkheidspathologie. De persoonlijkheidsontwikkeling is in een (hetero)anamnese doorgenomen. Testpsychologisch persoonlijkheidsonderzoek kon niet worden verricht.
Geconcludeerd wordt dat er geen tekorten zijn in het empathische vermogen of de theory of mind (tom), noch in de impulsregulatie. Zij is in staat warme, diepergaande en wederkerige relaties aan te gaan. De controlemogelijkheden zijn in de basis gezond. Haar copingmogelijkheden zijn in aanleg gezond. Er zijn geen aanwijzingen voor een verstoorde gewetensfunctie. Het zelfbeeld is wat kwetsbaar, zij is geneigd om onzekerheden te compenseren door hard te werken en een hoog streefniveau. Zij neigt niet tot zwart-wit percepties, zij is niet in verhoogde mate krenkbaar of wraakzuchtig.
Er zijn geen aanwijzingen dat zij op de belangrijke levensgebieden vastloopt.
2. In hoeverre is er sprake van psychiatrische problemen bij de moeder?Betrokkene is een vrouw bij wie een PTSS is vastgesteld. Dat is in onderhavig onderzoek geschied en bovendien door meerdere hulpverleners in verschillende instellingen. Observaties ondersteunen de gestelde diagnose.
3. Is er sprake van malingering en in hoeverre is dat door een (neuropsychologisch) onderzoek vast te stellen, dan wel uit te sluiten?
Het testpsychologisch onderzoek wijst niet op simulatie of het overdrijven van klachten. Er is eerder een aanwijzing voor dissimulatie, dit wil zeggen dat zij zich als sterker presenteert dan zij zich voelt.
In de collaterale informatie zijn er evenmin aanwijzingen voor simulatie/malingering.
Simulatie/malingering kan niet volledig worden uitgesloten, maar het onderhavige onderzoek geeft er geen aanwijzingen voor, laat staan dat simulatie/malingering zou kunnen worden onderbouwd.
Malingering van PTSS kan niet worden aangetoond met neuropsychologisch onderzoek. De Ment is het instrument om simulatie van PTSS te testen, betrokkene doorzag wat met de test werd beoogd (zij had deze test al eerder gedaan, toevoeging rechtbank) en zij gaf dit spontaan aan. Daarmee toonde zij openheid. Een andere test die malingering in kaart brengt (de Sims) meet niet specifiek het simuleren van PTSS, maar van een breed scala aan ongewone psychiatrische klachten. In het algemeen herkennen mensen die simuleren zich in een breder klachtenscala dan behorend tot één stoornis. Bij betrokkene was hiervoor geen aanwijzing.
Er zijn contactkenmerken die suspect zijn voor c.q. zouden kunnen wijzen op malingering (of partiële malingering), maar ook hiervan is onvoldoende sprake.
4. Wat is er te zeggen over de relatie tussen de moeder en [minderjarige] ?
• op basis van klinische impressie
• eventueel op basis van de observaties tijdens de interactieobservaties
Gedurende de interactieobservatie is er regelmatig sprake van lichamelijke én verbale affectie, mede omdat [minderjarige] de nabijheid van moeder opzoekt.
Moeder is duidelijk gericht op [minderjarige] en toont interesse in hetgeen hij doet en probeert te vertellen/aan te geven. [minderjarige] is eveneens gericht op zijn moeder en betrekt haar bij hetgeen hij doet. Daarbij geeft moeder [minderjarige] vertrouwen door hem verbaal aan te moedigen, waardoor hij op onderzoek uit durft te gaan. Als [minderjarige] iets spannend/moeilijk vindt, wordt gezien dat hij zich voor ondersteuning richt op zijn moeder die hem op dat moment veiligheid biedt (zowel verbaal als non-verbaal).
Gezien de klinische impressie en de interactieobservatie wordt geconcludeerd dat de relatie tussen moeder en [minderjarige] als een gezonde, plezierige ouder-kind relatie kan worden gezien, wat van belang is omdat een positieve ouder-kindrelatie een positief effect heeft op de ontwikkelkansen van kinderen en het een veilige hechting bevordert.
5. In hoeverre werken eventuele psychiatrische problemen belemmerend in het pedagogisch en affectief handelen ten opzichte van [minderjarige] ?
Positief is dat betrokkene ervan doordrongen is, dat zij haar zoon moet afschermen voor haar klachten. Zij is zich ervan bewust dat zij niet op haar zoon mag leunen, noch bescherming bij hem zoeken. Zij heeft een opvoedcoach met wie zij een en ander bespreekt en van wie zij adviezen krijgt.
Positief is dat zij een sociaal steunsysteem heeft, waarop zij kan terugvallen op de momenten dat zij decompenseert in klachten en niet meer volledig toekomt aan haar opvoedtaken.
Positief is ook dat betrokkene graag intensieve behandeling wil aangaan. Zij is intrinsiek gemotiveerd hulp te accepteren en uit de collaterale informatie blijkt dat zij afspraken nakomt en dat zij zich steeds heeft ingezet voor behandeling.
6. Wat zijn de pedagogische en affectieve mogelijkheden en beperkingen van de moeder in relatie tot [minderjarige] ?
• welk inzicht in de eigen pedagogische en affectieve mogelijkheden en beperkingen heeft de moeder?
• eventuele aandachtspunten
Uit het onderzoek naar de opvoedingsvaardigheden van moeder komt naar voren dat zij over ruim voldoende/goede pedagogische basisvaardigheden beschikt.
Moeder ondersteunt [minderjarige] bij het spel waarbij zij in voldoende mate structuur aanbrengt. Het bieden van structuur geeft houvast wat nodig is om zelfstandig activiteiten te ondernemen. Ook heeft [minderjarige] informatie en uitleg nodig bij activiteiten, iets wat moeder in ruim voldoende mate laat zien. Zij geeft op een concrete manier uitleg aan [minderjarige] , waarbij zij taalgebruik hanteert dat aansluit bij zijn leeftijd. Gezien wordt derhalve dat de informatie en uitleg aansluiten bij de aandacht en het ontwikkelingsniveau van [minderjarige] .
Kijken we verder naar de communicatie en sensitiviteit dan zien we dat dit bij moeder sterk ontwikkeld is. Non-verbale contactpogingen van [minderjarige] worden opgepakt door moeder. Ook verbaliseert zij gevoelens en emoties bij [minderjarige] , waardoor er sprake is van een emotionele ondersteuning, wat een gevoel van geborgenheid geeft, zodat hij zich veilig en op zijn gemak voelt. Moeder laat derhalve op een positieve manier duidelijk haar betrokkenheid blijken bij wat [minderjarige] doet en ervaart (troosten, complimentjes geven, aanmoedigen, interesse tonen).
Kijken we naar het inzicht in de eigen pedagogische en affectieve vaardigheden geeft moeder als sterke punten dat ze kijkt naar [minderjarige] en hem kan volgen in wat hij nodig heeft. Ze geeft duidelijkheid en regelmaat en [minderjarige] weet wat hij van haar kan verwachten. Daaraan vindt ze gekoppeld dat hij het vertrouwen heeft om dingen alleen uit te proberen, maar weet dat moeder er is om hem te helpen mocht het niet lukken.
Verbeterpunten vindt moeder moeilijk om te benoemen. Uiteindelijk geeft ze aan dat ze een gezinscoach erbij betrokken heeft om op die manier meer duidelijk te krijgen hoe ze nu precies opvoedt, wat je mag verwachten, hoe stel je grenzen.
Moeder geeft hierbij aan dat ze hier thuis niet voldoende voorbeelden van gehad heeft. Moeder heeft deze steun gevraagd vanaf de geboorte van [minderjarige] en noemt dat nu als een sterk punt dat ze ontwikkeld heeft.
Op grond van bovenstaande informatie ontstaat het beeld dat moeder zicht heeft op haar opvoedkundige mogelijkheden en daar waar onzekerheid bestaat, hulp/ondersteuning gerealiseerd is.
7. Hoe beleeft de moeder de relatie met [minderjarige] en welke factoren zijn van invloed op de relatie met [minderjarige] ?
• hierbij dient in ieder geval vader mee te worden genomen
Moeder beleeft het ouderschap positief en heeft zeer positieve gevoelens/gedachten over [minderjarige] , wat zich onder meer uit in het gelukkig, prettig en rustig voelen bij hem. Positief van invloed hierop is dat moeder zich voldoende competent voelt in de opvoeding: ze kan [minderjarige] sturen waar nodig, ervaart controle over hem en kan hem corrigeren. Er is niet sprake van stemmingsproblemen als opvoeder en moeder ervaart haar ouderlijke rol niet als inperkend op haar vrijheid. Ze is in staat adequaat haar affectie te uiten en af te stemmen op de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige] . Wel is bij moeder sprake van gezondheidsklachten. Deze lijken met name gerelateerd aan de PTSS klachten.
Kijken we echter naar de totale score op het ervaren van opvoedbelasting dan worden hieromtrent geen noemenswaardige problemen weergegeven.
Moeder praat niet over de vader van [minderjarige] waar hij bij is, omdat dit haar enorm triggert. Betreffende de vader vindt moeder het van belang dat [minderjarige] , als hij vragen gaat stellen over zijn vader, een eerlijk verhaal hoort, zonder belast te worden met wat er inhoudelijk gebeurd is. Ze vindt dit lastig, heeft dit ook al besproken met haar coach. Ze geeft ook aan dat ze hoopt dat haar behandeling eerder start dan dat [minderjarige] vragen gaat stellen, zodat ze hier adequaat op kan reageren. Nu zou het haar nog te veel triggeren waardoor het lastig zou zijn voor haar om dat te bespreken. Mocht hij later aangeven dat hij zijn vader wil leren kennen of meer vragen gaat stellen, geeft moeder aan dat ze nu niet kan zeggen hoe ze daarop zou reageren. Ze geeft opnieuw aan dat ze verwacht dat ze daar mee om kan gaan als ze een effectieve behandeling heeft gehad en als ze weet dat het veilig is voor haar zoon. Ze verwacht dat het helpend is om het met hem te kunnen bespreken, dat behandeling daarbij haar meer een basis kan geven omdat ze nu teveel uit balans raakt, wat ze niet goed vindt voor de ontwikkeling van [minderjarige] .
Dat [minderjarige] geen contact heeft met zijn vader, ziet moeder verder niet als verkeerd, waarbij ze verwijst naar onderzoeken die aangeven dat een kind niet altijd een vader nodig heeft voor het identificatieproces. Moeder refereert ook aan onderzoeken waarin een positief effect beschreven wordt betreffende de ontwikkeling van jongens/kinderen in niet traditionele gezinnen. Verder wordt volgens moeder in de onderzoeken aangegeven dat jongetjes wel mannelijke rolmodellen nodig hebben, waaraan ze zich kunnen spiegelen. Moeder vindt dat ze in voldoende mate daarvoor zorgt, waarbij ze als voorbeelden geeft haar vader (die ook de opa-rol heeft), vriendinnen met partners en haar broertje (20 jaar). Met name haar vader en haar broertje ziet [minderjarige] regelmatig.
8. Hoe worden de mogelijkheden en beperkingen van de moeder ingeschat om de omgang van het kind met de vader vorm te geven en te ondersteunen?
• eventuele aandachtspunten
Die mogelijkheden zijn op grond van het onderhavige onderzoek en de beschikbare gegevens niet aanwezig. De vader triggert te zeer aan de symptomen van de PTSS. Zijn naam alleen al is voldoende voor betrokkene om te decompenseren. Betrokkene is niet in staat de omgang van [minderjarige] met zijn vader vorm te geven en te ondersteunen.
9. Welke (contra)indicaties zijn er voor het opstarten van een omgangsregeling met de vader?
• welke positieve en negatieve gevolgen kan dit hebben op de ontwikkelingsgang van het kind op de korte en de langere termijn?
De decompensatie van betrokkene waardoor ze op het pedagogische vlak (tijdelijk) niet beschikbaar is, is een belangrijke contra-indicatie.
Momenteel is er wel sprake van een adequaat functionerend sociaal steunsysteem (de vader van betrokkene). Uitspraken over de gevolgen op de ontwikkelingsgang van [minderjarige] kunnen niet gedaan worden, omdat hij niet onderzocht is. Wel komt uit de beschikbare informatie het beeld naar voren dat [minderjarige] zich op een adequate manier lijkt te ontwikkelen.
Wat in zijn algemeenheid wel kan worden genoemd is dat continuïteit en stabiliteit in de levensomstandigheden een van de voorwaarden is voor een goede opvoedomgeving. Dit geeft kinderen rust en ruimte om zich te ontwikkelen en draagt bij aan de ontwikkeling van een stabiele basis bij het kind. In die zin komt het ook [minderjarige] ten goede als moeder kan starten met intensieve behandeling gericht op PTSS.
10. Is het opstarten van de omgangsregeling met de vader te realiseren dusdanig dat de huidige opvoedsituatie er niet onder lijdt, ofwel hoe kan dit vorm krijgen zodanig dat dit de ontwikkeling van [minderjarige] ten goede komt?
• is hierbij professionele begeleiding nodig, en zo ja, aan welke begeleiding wordt gedacht?
• is aan te geven op welke termijn de eventueel geïndiceerde hulp kan aanvangen
Het starten van de omgangsregeling met vader is niet te realiseren zonder dat de huidige opvoedsituatie er onder lijdt. Omdat betrokkene niet de veiligheid zal ervaren die daarvoor nodig is, kan zij niet starten met de behandeling gericht op de PTSS. Dat zet de kwaliteit en continuïteit van de (opvoed)relatie tussen moeder en zoon onder grote druk. Professionele begeleiding heeft geen positief effect op bovenstaande .
11. Wat zijn (contra)indicaties op het gebied van hulpverlening, begeleiding en behandeling?
• indien er indicaties zijn voor hulpverlening, begeleiding en behandeling: aan welke vorm wordt hierbij gedacht?
• op wie zou deze hulpverlening, begeleiding en behandeling gericht moeten zijn?
• wat zou de doelstelling van deze hulpverlening, begeleiding en behandeling moeten zijn?
• in hoeverre is de moeder in staat en bereid van hulpverlening te profiteren?
Moeder heeft intensieve behandeling nodig voor haar PTSS. Deze behandeling zal niet leiden tot een blijvend positief effect, als betrokkene geen veilige basis heeft. Doel van de behandeling is de symptomen van de PTSS te verbleken dan wel uit te blussen.
Moeder is bereid van hulpverlening te profiteren, zij is ertoe in staat als zij niet wordt blootgesteld of dreigt te worden blootgesteld aan voor haar traumatiserende prikkels/triggers.
12. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling van het kind en opvoeding van het kind door de ouder?
Relevante informatie is weergegeven in onderhavige rapportage.
3. De reactie van de moeder
3.1.
Door de moeder is aangegeven dat de rapportage de stellingen ondersteunt die de moeder al vanaf het begin in deze procedure heeft ingenomen. Nu deze stellingen haar verweer tegen omgang, informatie en gezamenlijk gezag dragen, liggen de verzoeken van de vader voor afwijzing gereed.
De moeder geeft aan dat in het rapport door de onderzoekers wordt beschreven en onderbouwd dat er sprake is van een ernstige PTSS en dat de symptomen die eerder geduid werden als ‘fake’ toch echt blijken te horen bij een PTSS.
De moeder vindt het daarnaast fijn dat gezien is dat zij heel goed voor [minderjarige] zorgt en dat haar opvoedvaardigheden goed zijn.
De moeder hoopt dat alle verzoeken van haar ex-partner worden afgewezen en dat dit direct ter zitting zal gebeuren. Dan kan zij zo snel mogelijk met haar behandeling starten. De moeder hoopt dat ze, bijna vier jaar nadat er voor de eerste keer werd gezien dat zij een trauma heeft opgelopen door het handelen van haar ex, eindelijk de rust en veiligheid mag gaan ervaren die nodig is voor de behandeling. De moeder staat al op een wachtlijst voor traumabehandeling en de GGZ zal hiermee starten zodra er zekerheid is dat er veiligheid is voor de moeder. Als de verzoeken van haar ex worden afgewezen houdt dit concreet in dat de moeder kan starten met behandeling op de dag nadat de beroepstermijn verstreken is. Dit is ook van belang voor [minderjarige] , want hij verdient een moeder die zo veel als mogelijk kan herstellen van PTSS en dat zij samen in veiligheid verder kunnen met hun leven.
De moeder hoopt ook na de behandeling zo snel mogelijk (deels) aan het werk te kunnen, zodat de situatie financieel gunstiger wordt.
3.2.
Als reactie op het schrijven van de vader geeft de moeder aan dat het gegeven dat

er niets is gedaan met de beperkingen in het onderzoek als gevolg van het triggeren van herbelevingen, juist de ernst van de PTSS aantoont. De herbelevingen zijn door de onderzoeker persoonlijk geconstateerd en op basis daarvan heeft zij geconstateerd dat de ernst van de PTSS die onderzoeken onmogelijk maakt.
Omtrent de bewering van de vader dat de moeder steeds nieuwe feiten aanvoert geldt het volgende. Bij ernstige traumatische ervaring vindt er eerst verdringing plaats, hetgeen een simpel beschermingsmechanisme is om overbelasting van het brein te voorkomen. Na verloop van tijd komen steeds meer herinneringen naar buiten. Voor een leek kan dit lijken op het steeds weer inbrengen van nieuwe feiten. Volgens de moeder ondersteunt dit feitelijk juist de echtheid en de ernst van de PTSS. Ook past het niet direct noemen van feiten bij de door de deskundige geconstateerde neiging tot dissimulatie (de situatie minder ernstig voorstellen dan dat hij in werkelijkheid is).
Volgens de moeder geeft de vader daarnaast aan dat de moeder simuleert en manipuleert. Hiertegenover staan echter inmiddels diverse behandelaren, waaronder meerdere psychiaters, die de moeder veelvuldig en over langere tijd gezien hebben. Al deze gekwalificeerde behandelaren komen tot de eensluidende conclusie dat de moeder een ernstige PTSS heeft als gevolg van het handelen van de vader tijdens de relatie.
De vader heeft geen enkel zicht op de huidige situatie en kan hier alleen maar over speculeren.
Volgens de moeder is het een feit dat de triggers tot herbeleving allen gerelateerd zijn aan het handelen van de vader jegens de moeder tijdens de relatie. Daar doet een andere verwerkte traumatische ervaring in het verleden niets aan af.
Daarnaast wordt de ernst van het handelen van de vader nog ondersteund door het feit dat het door de moeder aangeleverde bewijs voor de (zeden)recherche voldoende aanleiding was om de vader op 28 januari 2021 aan te houden en gedurende negen uur te verhoren. De zaak is naar aanleiding daarvan doorgezet naar het Openbaar Ministerie.
De reden dat de moeder haar vader bij het onderzoek had meegenomen, was slechts om de moeder een voldoende gevoel van veiligheid te geven en daardoor het onderzoek te faciliteren. Het onderzoek was extreem belastend voor de moeder omdat zij bij het doen van haar verhaal en het beantwoorden van de onderzoeksvragen steeds weer in herinneringen en herbelevingen terecht kwam, die op dat moment niet behandeld konden worden. In die zin heeft de aanwezigheid van haar vader juist het onderzoek gefaciliteerd.
De vader stelt voor om het strafrechtelijk onderzoek af te wachten, maar daarvoor is geen enkele reden. Volgens de moeder is de PTSS immers aangetoond en doet een uitslag van de strafzaak hier niet aan af.
Daarnaast zou afwachten betekenen dat de behandeling van de moeder met wellicht enkele jaren wordt uitgesteld en over de consequenties daarvan heeft de deskundige het navolgende aangegeven: (7. Forensisch Psychologische Beschouwing)
“Indien betrokkene niet behandeld wordt, zal dat naar verwachtingen veel gevolgen hebben voor haar sociale en maatschappelijke functioneren en niet in de laatste plaats voor het functioneren in haar rol als moeder. Trauma gerelateerde stoornissen versterken het risico op verstoringen in de ontwikkeling van een kind, mede vanwege het risico op het ontstaan van verstoringen in de ouder-kind interactie.
Behandeling van de PTSS wordt dan ook als noodzakelijk gezien. Dit kan pas geschieden als betrokkene veiligheid ervaart en geen druk ervaart van buitenaf om geconfronteerd te worden met de vader van [minderjarige] c.q. als contact met hem als een zwaard van Damocles boven haar hangt. Daarbij kan gezegd worden dat zij samenhangend met de PTSS gevoelig is voor deze druk.
De vader stelt voorts dat de moeder labiel is en slechts met zware medicatie kan leven. Beide constateringen zijn volgens de moeder onjuist. Uit het deskundigenrapport en ook bij eerdere onderzoeken van behandelaren is niet gebleken van labiliteit van de moeder. Herbelevingen als gevolg van een PTSS hebben niets te maken met labiliteit. Daarnaast gebruikt de moeder sinds september 2019 geen medicatie meer voor haar PTSS.
Uit het deskundigenrapport blijkt dat er geen twijfel is over de opvoedkwaliteiten van de moeder en de veiligheid van [minderjarige] . [minderjarige] ontwikkelt zich voorspoedig.
Dit wordt consistent ondersteund door eerdere onderzoeken en rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming, Bureau Jeugdzorg Limburg, Consultatiebureau, Kinderdagverblijf en de gezinscoach.
Volgens de moeder zijn de deskundigen duidelijk. Zolang direct of indirect contact met de vader als een zwaard van Damocles boven het hoofd van de moeder hangt, zal behandeling van de moeder onmogelijk zijn met alle consequenties voor [minderjarige] van dien. Dit betekent ook dat de dreiging voor toekomstige omgang al te veel is om behandeling mogelijk te maken.
4. De reactie van de vader
4.1.
De vader is van mening dat het verrichte onderzoek niet aan de vooraf gestelde voorwaarden en zodoende niet aan de opdracht voldoet. Bovendien is het niet objectief en in de ogen van de vader schiet het onderzoek daarmee ernstig tekort. De vader vindt het een zeer kwalijke zaak dat er door de onderzoekers niets gedaan is met, dan wel geen verder onderzoek verricht is, naar de door hem genoemde beperking van het onderzoek.
In het onderzoek wordt daarover onder andere het navolgende te kennen gegeven:
“Het onderhavige onderzoek kent beperkingen. Het onderzoek leunt sterk op de verklaringen van betrokkene tijdens het onderhavige onderzoek en op hetgeen zij eerder aan hulpverleners heeft verteld. Daarnaast wordt er geleund op observaties en mededelingen van derden, zoals vader en hulpverleners. Een testpsychologisch persoonlijkheidsonderzoek kon niet worden afgenomen omdat enkele vragen herbelevingen triggerden. Evenmin kon met betrokkene ingegaan worden op de trauma's en de relatie die zij met haar ex, de vader van [minderjarige] had, om dezelfde reden: dat zou herbelevingen triggeren en zij zou decompenseren, wat in de loop van het onderzoek overigens ook is gebeurd. "
De vader vraagt zich af waarom er met deze beperkingen niets is gedaan. Het verhaal van de moeder is namelijk helemaal niet consistent te noemen, in tegenstelling tot wat de onderzoekers beweren. De vader verwijst daarvoor naar enkele citaten in het rapport.
Onder andere is daarin opgenomen dat volgens de moeder [minderjarige] zou zijn verwekt vanuit een verkrachting, veroorzaakt door de vader. Dit is weer nieuwe informatie en heeft de vader nog nooit eerder gehoord. Het is voor de vader onbegrijpelijk dat Psytrec onder andere op basis daarvan de diagnose PTSS stelt.
Het is wel duidelijk dat, ondanks dat de zwangerschap niet gepland was, de moeder van meet af aan heel erg blij was met de zwangerschap. Wanneer de moeder echter door een ‘verkrachting’ zwanger zou zijn geworden, van nota bene haar eigen vriend, dan is onduidelijk waar haar enorme blijdschap over die zwangerschap vandaan kwam. Op deze wijze zou je immers geen kindje op de wereld willen zetten.
De door de moeder in het rapport genoemde traumatische ervaringen raken de vader diep, omdat het stuk voor stuk leugens zijn. Dat deze als waar worden aangenomen én dat op basis daarvan de conclusie PTSS wordt getrokken is extra triest voor [minderjarige] en pijnlijk voor de vader. De vader is al veroordeeld zonder dat er objectief gekeken is naar de daadwerkelijke feiten. Zodra een vraag vanuit een hulpverlener te dichtbij komt, simuleert de moeder een instorting en manipuleert zich daarmee een weg door het onderzoek om zo haar wil af te dwingen en om haar verhaal kracht bij te zetten.
Eerdere reacties van de moeder, zoals het Whatsappbericht (productie 1 van het verweerschrift) en aantekeningen van de advocaat van de moeder van 23 april 2018, geven totaal geen blijk van de, door de moeder, gestelde ernstige mishandelingen en poging tot doodslag. Het is pas veel later dat de moeder komt met dergelijke beschuldigingen. De beschuldigingen van de moeder aan het adres van de vader en de psychische problemen waarmee de moeder kampt, namen steeds meer toe naarmate de (juridische) rol van de vader groeide. Ondanks deze wetenschap, zijn de onderzoekers toch volledig blijven varen op de verklaringen van de moeder en wordt het etiket PTSS op de moeder geplakt, enkel en alleen omdat de moeder dit stelt en de onderzoekers dit hebben terug gehoord van de hulpverleners van de moeder. De vader vindt dit een kwalijke zaak. Daarnaast is de vader op geen enkele wijze in het onderzoek betrokken en krijgt alleen de moeder het volledige podium.
De moeder is, volgens haar zeggen, getraumatiseerd door gebeurtenissen in het verleden met haar moeder (ook op seksueel gebied). De moeder stelt hiervoor in het verleden hulp te hebben gehad, maar hiervan zouden geen verslagen meer zijn. De vader vindt het opmerkelijk dat door de onderzoekers op deze gebeurtenis niet verder is ingegaan, nu dit ook van invloed is op de gestelde PTSS-klachten. De vader van de moeder wordt wel als referent gehoord, maar de moeder van de moeder wordt nergens bij betrokken. Tussen de ouders van de moeder was sprake van een vechtscheiding en de kinderen hebben duidelijk een kant gekozen. Dit zegt wel iets, maar is door de onderzoekers volledig genegeerd. Bovendien heeft de vader van de moeder heel veel ruimte gekregen in het onderzoek, terwijl eerder al is komen vast te staan dat de invloed van de vader van de moeder enkel negatief van aard is.
De vader is van mening dat sprake is van een zeer eenzijdige belichting van het onderzoek. Het is de vraag in hoeverre [minderjarige] ooit de kans krijgt om zelf een realistisch beeld van zijn vader te vormen.
De vader vindt het noodzakelijk dat er een contra-expertise komt, waarbij er niet vanuit een eenzijdige belichting conclusies worden getrokken en hij wil het strafrechtelijk onderzoek afwachten. Het afwachten van de strafzaak betekent dat er een aparte zaak gaat lopen waarin wel aan waarheidsvinding wordt gedaan. In deze zaak kunnen dan de ogen worden gericht op [minderjarige] ; daar gaat het immers om.
In een van de eerste rechtszaken heeft de moeder al te kennen gegeven dat ze niet bereid was om de vader ooit in het leven van [minderjarige] toe te laten. Op dit moment wordt [minderjarige] nog steeds opgevoed in een situatie die het beste te omschrijven is als een co-ouderschap van de moeder en haar vader. Dit is een erg ongezonde situatie. Daarnaast bewijst de moeder uiterst labiel te zijn.
De hechting tussen de vader en [minderjarige] , althans het recht daarop, werd [minderjarige] al ontnomen voordat hij geboren was. Dat is al schadelijk voor [minderjarige] , maar daarmee ontkent de moeder bovendien een belangrijk deel van de identiteit van [minderjarige] . De moeder lijkt zich nog steeds niet te realiseren dat [minderjarige] ’s identiteit er niet voor even is, maar dat hij voor altijd voor een deel zal bestaan uit de persoon van vader Den Hartog. De moeder kan dat niet verkroppen en laat aan alles merken dat zij zich hardhandig en extremistisch verzet en dit zal tot grote problemen leiden wanneer het stukje identiteit van de vader voor [minderjarige] tot uiting komt. Dit levert een direct gevaar op voor [minderjarige] . De moeder kan, gelet op haar eigen verzonnen verhalen dan wel vanwege haar ernstige labiliteit en zware medicatie, zo in een psychose raken. Dat zal ernstige schade toebrengen aan [minderjarige] op de korte en lange termijn.
De moeder zal de vader nooit toelaten in het leven van [minderjarige] , maar vroeg of laat gaat dat tot problemen leiden. De moeder geeft aan dat zij niet aan haar PTSS geholpen kan worden, zolang de vader in beeld is in haar leven en dat van [minderjarige] . Dat is bijzonder, want ze geeft daarmee te kennen dat [minderjarige] in geen enkel opzicht vader ( [de vader] ) mag zijn. Tevens zet de moeder een blok, want [minderjarige] zal voor altijd een stukje [de vader] zijn en om aan haar PTSS te werken, mag [de vader] nooit meer in beeld zijn, maar dus ook geen [minderjarige] .
De vader pleit voor een strenge, maar zware en noodzakelijke maatregel: een tijdelijke uithuisplaatsing. Dit totdat de moeder geholpen is aan haar (door haar gestelde) PTSS.
5. Wat ter zitting is besproken
De deskundigen
5.1.
De deskundige mw. [naam GZ-psycholoog 1] heeft aangegeven dat een onderzoek altijd begint met een anamnese, een gesprek over de voorgeschiedenis en levensloop van de onderzochte persoon. Dit wordt verder aangevuld met zo veel mogelijk andere bronnen, hetero-anamnese. De deskundigen doen niet aan waarheidsvinding maar onderzoeken in hoeverre het verhaal van onderzochte consistent is en welke conclusies daaruit zijn te trekken, mede op basis van testonderzoeken. In dit specifieke geval is gesproken met de moeder, haar vader en enkele behandelaars. Het onderhavige onderzoek heeft dan ook zijn beperkingen. De deskundigen hebben echter geen aanleiding gezien een milieuonderzoek te starten.
De moeder heeft niet alle vragen kunnen beantwoorden, in verband met haar klachten. Dit is wel consistent met haar klachtenpatroon, hetgeen door de vader van de moeder wordt onderschreven.
In het onderzoek is geen aanleiding gezien te concluderen tot persoonlijkheidsproblematiek bij de moeder. Er is weliswaar geen testonderzoek hieromtrent gedaan, maar er is voldoende informatie over/ vanuit de levensloop, het psychologisch onderzoek en de dynamiek in de contacten. Op de vraag of de moeder niet kan of niet wil antwoorden, wordt geantwoord dat de deskundigen waarschijnlijk wel het verschil kunnen merken tussen wel of niet de waarheid spreken. Het is een deel ‘niet kunnen’. Dat geen antwoord kunnen geven, sluit ook aan bij de PTSS-klachten. Bij herbelevingen decompenseert de moeder. Daaruit vloeit het vermijdingsgedrag voort, om die emoties te vermijden.
5.2.
De rechtbank heeft ter zitting gewezen op het feit dat de moeder vermijdingsgedrag vertoont, maar ook heel aanwezig is. Zo kan ze niet bij de zitting aanwezig zijn, maar ze stuurt wel continu brieven, ze start een alimentatiezaak en ze heeft aangifte gedaan. De rechtbank heeft de vraag gesteld hoe dit zich tot elkaar verhoudt. Volgens de deskundige mw. [naam GZ-psycholoog 1] is het ‘aanwezig zijn’ te rijmen met het vermijdingsgedrag, omdat er enerzijds sprake is van PTSS en anderzijds omdat de moeder vecht voor [minderjarige] . De moeder wil heel graag dat het goed gaat met haar en [minderjarige] . Ze zoekt ook niet zozeer de aanval, maar juist de verdediging. Ze probeert op allerlei manieren voor haarzelf en [minderjarige] veiligheid te creëren. Door middel van het doen van aangifte tegen de vader, creëert ze voor haarzelf veiligheid. Het starten van een alimentatieprocedure is misschien iets lastiger als verdedigingsmechanisme te duiden, maar op dit moment werkt de moeder minder en zal er toch geld binnen moeten komen.
5.3.
De deskundige [naam GZ-psycholoog 1] heeft voorts aangegeven dat voor het krijgen van PTSS een criterium is dat iemand van een heftige gebeurtenis getuige is geweest; dat kan ook van horen zeggen. Men kan door verhalen van anderen getraumatiseerd worden. Evenwel, getraumatiseerd worden door niet bestaande trauma’s is niet zozeer PTSS. Trauma’s zijn immers de basis voor PTSS. Trauma’s uit het verleden maken iemand gevoeliger voor latere trauma’s. Met de moeder is gesproken over haar trauma uit het verleden. Er is door de deskundigen ook gesproken met de hulpverleners. De trauma’s die hebben plaatsgevonden in de relatie tussen de vader en de moeder zijn eveneens besproken.
Dat de trauma’s van de moeder steeds erger lijken te worden is niet ongewoon. Als juist in het eerste contact alle trauma’s worden verteld, zou dat alarmbellen moeten doen rinkelen.
5.4.
De deskundige mw. [naam GZ-psycholoog 1] kan niet uitsluiten dat sprake is van simulatie, maar ook niet dat het dat niet is. Dan zou echter eerder aan persoonlijkheidsproblematiek gedacht moeten worden. Dat is niet onderzocht omdat de moeder herbelevingen kreeg en zij niet in staat was de persoonlijkheidsvragenlijsten in te vullen. Echter, gelet op hoe de moeder functioneert op andere vlakken, lijkt een persoonlijkheidsstoornis niet aan de orde.
5.5.
Volgens de deskundige dhr. [naam GZ-psycholoog 2] is het heel erg moeilijk om de vader op wat voor manier dan ook toegang te geven tot [minderjarige] . De contacten/ interactie tussen de moeder en [minderjarige] zijn heel positief. Er zijn geen twijfels over de pedagogische vaardigheden van de moeder.
De deskundige mw. [naam GZ-psycholoog 1] heeft aangegeven dat lastig te duiden is wat de toekomst gaat brengen. Het zal er ook aan liggen hoe de omgeving er mee omgaat. Zodra de naam van de vader wordt genoemd, leidt dit tot een herbeleving bij de moeder. Het is lastig om aan te geven wat dit later voor [minderjarige] gaat betekenen. Aan de moeder is gevraagd hoe zij in staat is de PTSS weg te houden bij [minderjarige] . De moeder heeft aangegeven dat zij dit voelt aankomen en dan nog kort in staat is iets te regelen om [minderjarige] bij haar weg te houden. In een interactie met [minderjarige] is niet gezien dat de moeder in een herbeleving komt.
Volgens deskundige mw. [naam GZ-psycholoog 1] is een herbeleving niet te controleren; het is iets dat je overkomt en je kan ze niet verplaatsen. De moeder heeft bij de deskundigen aangegeven dat zij zich er heel erg van bewust is dat het haar kan overkomen. Als de moeder iets verwacht van de zijde van de vader, bijvoorbeeld post, dan wacht ze met openmaken totdat [minderjarige] weg is.
5.6.
Volgens de deskundigen is het moeilijk om te zeggen of de vader ooit een rol kan krijgen in het leven van [minderjarige] . In ieder geval moet de moeder eerst behandeld worden zodat zij contact tussen [minderjarige] en de vader kan toestaan.
In het algemeen is PTSS goed te behandelen. Om een behandeling goed te kunnen beginnen, moet er veiligheid zijn. De veiligheid dat een traumatische gebeurtenis zich niet herhaalt. Niet alles is te behandelen. Het kan blijven sluimeren of wederom getriggerd worden, zeker als iemand in de kindertijd ook een trauma heeft opgelopen. Dan is een ‘onderhoudsprogramma’ nodig. Het kan zijn dat de moeder dan in staat is om de vader een rol te geven in het leven van [minderjarige] . Dat hangt er van af of de moeder er op kan vertrouwen dat [minderjarige] veilig is bij de vader.
Het is lastig om te voorspellen wat een nieuwe (juridische) procedure zal doen met de moeder. Dat hangt af van haar stevigheid en van het systeem om haar heen. Als de moeder verandert, moet het systeem ook mee veranderen. Dat zal waarschijnlijk met elkaar samengaan. De deskundigen hadden niet de indruk dat het systeem van de moeder haar klachten verergert.
Normaliter genezen mensen binnen twee jaar van PTSS. Als de moeder nu verneemt dat de vader over 2 jaar een nieuwe procedure zal starten, zorgt dat op dit moment voor onveiligheid en kan ze haar behandeling niet starten.
5.7.
Door de deskundigen wordt tenslotte aangegeven dat uitgebreid is stil gestaan bij de trauma-ervaringen van de moeder. Die ervaringen hebben haar kwetsbaarder gemaakt. Het trauma van de moeder met haar moeder is uitgebreid besproken maar beperkt in hun verslaglegging weergegeven op verzoek van de moeder. Het is niet duidelijk of PTSS daar is ontstaan. De moeder is voor dat trauma eerder, kennelijk succesvol, behandeld. De traumatische ervaringen in de relatie met de vader hebben de PTSS opnieuw getriggerd. Tussen de moeder en haar moeder is geen contact en zij is niet meegenomen in het onderzoek. Daarvoor zou een milieurapporteur aangesteld kunnen worden, die zou met het hele systeem spreken. De deskundigen vonden dat niet geïndiceerd, want dan zou het erg naar waarheidsvinding gaan. In dit geval gaat het om de onderbouwing voor PTSS. Er zijn veel aanwijzingen die het verhaal van de moeder bevestigen. De behandelaar die de deskundige heeft gesproken kent de moeder al jaren.
De vader
5.8.
Door de vader is aangevuld dat het een intrieste zaak is. [minderjarige] heeft recht op een vader, maar iedere kans om zijn vader te leren kennen wordt hem ontnomen.
Het is de vraag wat [minderjarige] ooit over zijn vader te horen gaat krijgen. Het verhaal van de moeder is immers substantieel anders dan dat van de vader.
Het is de vraag wat het perspectief is. De moeder kan niet beginnen met haar behandeling, want ze moet nog het strafrechtelijk onderzoek afwachten of een eventueel hoger beroep in deze zaak. De vader wordt nu juridisch monddood gemaakt en hij wordt als dader neergezet.
5.9.
Het deskundigenonderzoek is een eenzijdige lineaire benadering. Het is alleen het verhaal van de moeder; het is haar podium. De vader krijgt alle beschuldigingen over zich heen, maar kan niets. Er wordt ook niet gekeken naar wat het voor [minderjarige] betekent dat [minderjarige] geen vader mag hebben en dat de vader geen vader mag zijn.
De vader acht een milieurapport noodzakelijk. De deskundigen hebben aangegeven dat dan aan waarheidsvinding wordt gedaan, maar dat moet ook juist. [minderjarige] moet zijn vader niet zien als een verkrachter of een mishandelaar; dat is niet zo.
Er wordt aangegeven dat de moeder de PTSS heeft gekregen door het handelen van de vader; ook dat is niet waar.
Volgens de vader moet er verder onderzoek worden gedaan naar simulatie/malingering. Er is een professor in Maastricht die daar onderzoek naar doet.
Er dient een contra-expertise te komen en een milieuonderzoek, waarin de vader ook wordt meegenomen.
5.10.
De vader heeft aangegeven dat de moeder hem nooit een rol zal geven. De moeder is zo hardnekkig en fel in haar beschuldigingen dat dit niet gebeurt.
Voor wat betreft het deskundigenonderzoek (en eerder gesprekken met andere instanties), daar heeft de moeder zich perfect op kunnen voorbereiden. De moeder is zich erg bewust van wat haar kan overkomen, maar een herbeleving is niet te sturen. De PTSS is door de moeder verzonnen. Er is een behandelaar voor haar eigen diagnose, maar dat is een onjuiste diagnose.
De vader is van mening dat als het onderzoek op grond van waarheidsvinding wordt verricht, er een heel andere uitkomst is. Volgens de vader heeft de moeder een persoonlijkheidsstoornis waarvoor behandeling nodig is. [minderjarige] zit nu in een uitermate gevaarlijke situatie. Hij is niet veilig bij een moeder die een stoornis heeft. Dat kan zich namelijk uiten in een instorting of psychose.
De moeder doet er alles aan om het stukje ‘vader’ uit [minderjarige] te bannen. De vader zit echter in [minderjarige] . Het kan dan ook niet zo zijn dat de moeder pas behandeld kan worden als de vader niet meer betrokken zou zijn op wat voor manier dan ook. Eigenlijk kan de moeder pas behandeld worden als [minderjarige] niet meer bij haar is. De vader vindt een tijdelijke uithuisplaatsing dan ook de enige oplossing. [minderjarige] kan dan een gezonde band opbouwen met zijn vader en zijn moeder.
De moeder
5.11.
Namens de moeder is gesteld dat er een zorgvuldig en gedegen onderzoek ligt. Dat onderzoek bevestigt de stellingen van de moeder. De verzoeken van de vader moeten dan ook worden afgewezen.
Er moet behandeling komen, maar dat kan pas als deze zaak is afgesloten.
Niet valt in te zien wat een contra-expertise of milieuonderzoek nog kan toevoegen. De procedure wordt alleen maar verlengd en de moeder kan niet met de behandeling starten. Het kan bovendien juist nadelig zijn, omdat de PTSS dan misschien onbehandelbaar wordt.
Het is onduidelijk waar de mankementen van het deskundigenrapport zitten. Er zijn ter zitting kritische vragen gesteld, waarbij behoorlijk op de kant van de moeder is doorgevraagd. Al die vragen zijn beantwoord en het onderzoek is niet onderuit gehaald.
Destijds was er geen aanleiding voor een milieuonderzoek en de deskundigen zagen daar ook geen aanleiding voor. De vraag is waarom dat er nu wel zou komen.
De moeder verzoekt om een directe beslissing en geen contra-expertise.
5.12.
Het zou goed zijn als er nu rust komt. De moeder kan dan aan haar PTSS werken en er kan een normale situatie ontstaan. Op dit moment leidt alleen al de gedachte dat er in de toekomst contact kan zijn met de vader bij de moeder tot triggers die herbelevingen veroorzaken. Stel dat de behandeling na twee jaar klaar is, maar dat het uitzicht is dat er dan contact moet komen, dan is dat nu al een belemmering voor behandeling. De moeder hoopt dat de vader geen nieuw verzoek zal indienen; zij wil echt starten met de behandeling.
Het is onmogelijk om nu antwoord te geven op de vraag wat de mogelijkheden tot contact in de toekomst zijn.
De moeder heeft ook wel zorgen over [minderjarige] , daarom is eerder ook de gezinscoach betrokken. Gebleken is dat de moeder het goed doet en goed voor [minderjarige] zorgt. De moeder zal [minderjarige] niet voorhouden dat zijn vader een verkrachter of mishandelaar is.
De raad
5.13.
Door de raad is aangegeven dat uit het deskundigenrapport duidelijk naar voren komt dat de behandeling voor de moeder noodzakelijk is. [minderjarige] wordt ouder en zal meer vragen gaan stellen en meer op vader gaan lijken. Het is niet in het belang van [minderjarige] als de behandeling niet gestart kan worden.
De raad begrijpt de zorgen van de vader en wat hij zegt over instanties, maar er zijn geen zorgen over de ontwikkeling van [minderjarige] .
De vader en zijn advocaat zetten in op waarheidsvinding, maar de vraag is of dat echt kan. Zo niet, dan voegt een milieuonderzoek niets toe en moeten de verzoeken van de vader worden afgewezen. Anderzijds, er is veiligheid nodig voor de behandeling van de moeder en voor de omgang. Eerder is een Begeleide Omgangsregeling (BOR) geadviseerd en dat is de meest veilige manier. Voor wat betreft de vader en [minderjarige] bevindt de zaak zich in een patstelling.
Vanuit het deskundigenonderzoek (en eerder de gecertificeerde instelling) zijn er geen signalen van onveiligheid voor [minderjarige] naar voren gekomen. De redenen die de vader aandraagt zijn invoelbaar, maar zijn geen reden voor een uithuisplaatsing.
6. Het oordeel van de rechtbank
6.1.
Gelet op de inhoud van de gedingstukken -waarvan met name het deskundigenrapport - alsmede het verhandelde ter zitting oordeelt de rechtbank als volgt.
De rechtbank concludeert dat, ondanks de toelichting ter zitting, er nog een tweetal openstaande punten zijn die antwoord behoeven.
6.1.1.
Zoals in het rapport zelf al is aangegeven, kent het onderzoek beperkingen. Zo leunt het onderzoek sterk op de verklaringen van de moeder zelf en hetgeen zij eerder aan hulpverleners heeft verteld. Bovendien heeft de moeder niet alle vragen beantwoord en is er geen persoonlijkheidsonderzoek verricht.Voor wat betreft de herbelevingen komt het de rechtbank opmerkelijk voor dat deze volgens de deskundigen niet te controleren zijn – het overkomt je -, maar dat de moeder wel in staat is om dit weg te houden bij [minderjarige] . De moeder heeft gesteld te worden getriggerd door alles wat met de vader te maken heeft. De deskundigen hebben aangegeven dat de moeder zelf heeft aangegeven dat ze zich er heel bewust van is dat haar een herbeleving kan overkomen, maar dat ze – als ze iets verwacht wat haar kan triggeren – daarmee wacht totdat [minderjarige] weg is. Blijkens hetgeen de moeder zelf aangeeft is er veel dat haar triggert, onder andere de naam van de vader, een viaduct, verkeersborden met Venray/ Eindhoven, de vragenlijst van de psycholoog en het op dezelfde dag naar de rechtbank moeten komen als de vader. Hoewel sommige zaken vast uitgesteld of vermeden kunnen worden, is het vreemd te noemen dat de moeder kennelijk nooit onverwachts getriggerd kan worden, in ieder geval niet als [minderjarige] in de nabijheid is. [minderjarige] heeft immers, volgens de moeder, nog nooit meegemaakt dat de moeder een herbeleving kreeg. Het lijkt echter niet goed voorstelbaar dat de moeder onverwachte triggers kan voorkomen in het dagelijkse leven. De moeder heeft wel een herbeleving die door de deskundige is geconstateerd, maar de moeder heeft nog nooit een herbeleving gehad in het bijzijn van [minderjarige] .
In dit licht begrijpt de rechtbank ook niet hoe de moeder al direct de volgende dag inhoudelijk kan reageren op de reactie van mr. Hoppers, namens vader, op het deskundigenrapport. Ook heeft de moeder kennelijk zoveel bewijs aangeleverd bij de politie dat deze de vader alsnog is gaan verhoren. Het moge zo zijn dat de moeder dat doet vanuit een verdedigingsmechanisme, maar dan nog zouden beide handelingen van de moeder haar enorm moeten triggeren, doch kennelijk is dat niet gebeurd. De rechtbank is van oordeel dat hier meer duidelijkheid over moet komen, temeer nu is aangegeven dat niet alle vragen door de moeder beantwoord zijn kunnen worden vanwege de mogelijkheid tot herbeleving. Gelet op hetgeen eerder is overwogen, rijst opnieuw de vraag of de moeder (wellicht op een bepaalde manier) herbelevingen zou kunnen controleren of dat toch sprake is van simulatie.
6.1.2.
Voorts is duidelijk dat het onderzoek sterk leunt op de verklaringen van de moeder zelf, dan wel de vader van de moeder. Weliswaar is gesproken met behandelaren van de moeder, maar ook die behandelaren kennen alleen het verhaal van de moeder. Door de deskundigen is aangegeven dat niet aan waarheidsvinding is gedaan, maar dat gekeken is of de verhalen hetzelfde zijn, of ze consistent zijn en of wat derden zeggen daarbij aansluit. Die derden zijn in het onderhavige onderzoek echter de vader van de moeder (die volgens de moeder ook veel van huis was en lange werkdagen maakte, toen nog sprake was van een gezin met de moeder van moeder) en de behandelaar van de moeder, die beiden het verhaal van de moeder ondersteunen. In beginsel is een deskundigenrapport in een civiele procedure niet gericht op waarheidsvinding, maar nu acht de rechtbank het wel van belang dat in de onderhavige zaak ook wordt gesproken met de moeder van de moeder, de vader en eventuele anderen.
Hoewel de deskundigen aangeven dat zij het verhaal van de moeder niet per definitie als de waarheid zien, leidt haar verhaal wel tot de conclusie dat de vader, in ieder geval voor een hele tijd, geen enkele rol in het leven van [minderjarige] kan spelen. De rechtbank acht het dan ook van belang dat er een milieurapporteur komt, die met het hele systeem spreekt. Op zichzelf was het vorige onderzoek voornamelijk gericht op de vraag of de moeder PTSS heeft of dat sprake is van simulatie of malingering. Dat laatste is volgens de deskundigen niet uit te sluiten, maar zij hebben er gedurende dit onderzoek, gebaseerd op verklaringen van moeder, haar vader en behandelaren, geen aanwijzingen voor gevonden. Daar waar de vader wordt neergezet als verkrachter, mishandelaar en diegene die de PTSS bij de moeder heeft veroorzaakt, acht de rechtbank het van belang dat ook de andere verklaringen worden meegenomen in het onderzoek. Dit houdt in dat in ieder geval ook de moeder van de moeder moet worden gesproken. Temeer nu de moeder zelf heeft aangegeven in het verleden ook een trauma en PTSS te hebben gehad vanwege haar opvoeding en haar relatie met haar moeder. De vader van de moeder is meegenomen in het deskundigenrapport, maar de moeder van de moeder niet. Ook met de vader zal gesproken moeten worden zodat zijn beleving van de relatie met de moeder meegenomen kan worden.
De rechtbank sluit niet uit dat het milieuonderzoek een ander licht werpt op de bevindingen van de deskundigen en hen ertoe brengt het advies bij te stellen waartoe zij dan ook in de gelegenheid worden gesteld.
6.1.3.
De rechtbank concludeert dan ook dat het onderzoek niet volledig is geweest waardoor de conclusies in het deskundigenrapport – op dit moment – niet door de rechtbank worden onderschreven. Het rapport roept te veel vragen op.
De rechtbank acht zich dan ook onvoldoende voorgelicht en heeft behoefte aan een nader onderzoek, mede omdat in deze zaak waarheidsvinding van groot belang is. Gelet op de onbeantwoorde vragen van de rechtbank, blijft vooralsnog de vraag of wel sprake is van malingering. Verder onderzoek wordt noodzakelijk geacht. Er dient meer zicht en een completer beeld te komen van de achtergrond van zowel de moeder als de vader.
De rechtbank zal het NIFP verzoeken een milieurapporteur voor te dragen, waarbij dan in ieder geval, naast de moeder, ook de moeder van de moeder en de vader in meegenomen moeten worden. Als het rapport van de milieurapporteur gereed is, zal aan de deskundigen mw. [naam GZ-psycholoog 1] en dhr. [naam GZ-psycholoog 2] gevraagd worden of het milieurapport aanleiding geeft om hun conclusies te herzien.
De rechtbank zal het NIFP verzoeken om uiterlijk 14 juli 2021 een milieurapporteur voor te dragen die bereid is een milieurapport op te stellen en vervolgens de kosten van het onderzoek te begroten. Voor deze kosten zal, in beginsel, geen voorschot ten laste van partijen worden gebracht, nu beide partijen op toevoeging procederen (artikel 195 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Het voorschot zal, in beginsel, ten laste van ’s Rijks kas worden gebracht.Definitieve beslissingen over de kosten voor de deskundige zullen later worden genomen.
De rechtbank realiseert zich dat zowel de vader als de moeder toestemming moeten geven om te spreken met informanten. Daar waar de moeder geen toestemming geeft, kan de vader dit wel geven. Bovendien kan de rechtbank hieraan de gevolgen verbinden die zij geraden acht, indien blijkt dat of de moeder of de vader geen toestemming geeft om de door de milieurapporteur gewenste informanten te benaderen.
6.2.
De vader heeft verzocht een contra-expertise te gelasten.
Op grond van artikel 810a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (RV) kan hierom verzocht worden.
Artikel 810a lid 1bepaalt:
1In zaken betreffende minderjarigen, uitgezonderd zaken als bedoeld in het tweede lid alsmede die welke het levensonderhoud van een minderjarige betreffen, beslist de rechter pas nadat een ouder, indien deze daarom verzoekt, in de gelegenheid is gesteld een rapport van een niet door de rechter benoemde deskundige over te leggen, mits dat mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en het belang van het kind zich daartegen niet verzet.
De rechtbank is van oordeel dat, verwijzend naar alles wat reeds is overwogen, een contra-expertise mede tot de beslissing van de zaak kan leiden en dat het belang van [minderjarige] zich hier niet tegen verzet.
De rechtbank acht het wel van belang dat eerst het milieurapport wordt afgewacht, zodat aan de contra-expert alle, dan voorhanden zijnde stukken, kunnen worden voorgelegd. De vader dient de rechtbank te berichten , na ontvangst van het milieurapport en de reactie van de deskundigen drs. [naam GZ-psycholoog 1] en dhr. [naam GZ-psycholoog 2] – of het milieurapport aanleiding geeft hun conclusies te herzien – wanneer hij overgaat tot een contra-expertise.
6.3.
Het vorenstaande houdt in dat in de onderhavige procedure nog geen eindbeslissing genomen kan worden. De rechtbank vindt een nader onderzoek belangrijk voor haar eindoordeel. De rechtbank realiseert zich dat dit mogelijk inhoudt dat de moeder nog niet kan starten met haar behandeling, maar zij heeft ook rekening te houden met de belangen van [minderjarige] en de vader. De rechtbank acht het in hun belang dat nader onderzoek wordt verricht.
7. De beslissing
De rechtbank:
7.1.
verzoekt het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), locatie Zuid-Nederland, Postbus 26, 5201 AA, 's Hertogenbosch ,Telefoon: 088 071 03 00 (algemeen)
E-mail: NIFPZuidNederland@dji.minjus.nl
Om te bemiddelen bij de benoeming van (een) onafhankelijke deskundige(n) voor het verrichten van een milieuonderzoek;
7.2.
verzoekt het NIFP de rechtbank te berichten zoals bedoeld in rechtsoverweging 6.1.3. op uiterlijk 14 juli 2021;
7.3.
stelt de vader in de gelegenheid een rapport van een door hem aan te zoeken deskundige over te leggen nadat de milieurapportage gereed is;
7.4.
houdt iedere verdere beslissing aan;
7.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.M.J. van den Acker (voorzitter), mr. Wh.T.M. Raab en mr. S.A.M.C. van de Winkel, allen kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van L. Reijnders-Verlinden, griffier, op 16 juni 2021. | ||
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch: a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak; b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden. | ||
Uitspraak 10‑06‑2020
Inhoudsindicatie
bs benoeming deskundigen verbonden aan het NIFP
Partij(en)
Rechtbank Limburg
Familie en jeugd
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/244190 / FA RK 17-4892 en C/03/252323 / FA RK 18-2588
Beschikking van 10 juni 2020
in de zaak van:
[de vader] ,
wonende te [woonplaats 1] , [adres 1] ,
hierna te noemen de vader,
advocaat: mr. S.J.M.P. Hoppers;
tegen:
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats 2] , [adres 2] ,
hierna te noemen de moeder,
advocaat: mr. J.A.N. Lap,
betreffende de minderjarige:
[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2017.
Tevens is betrokken in deze zaak:
de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, hierna te noemen de GI.
1. Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Dit blijkt uit het volgende:
- de tussen partijen gegeven beschikking van 7 februari 2020;
- een e-mailbericht van het NIFP van 14 mei 2020;
- een e-mailbericht van het NIFP van 20 mei 2020 met als bijlage de offertes van de deskundigen;
- het F9-formulier van 2 juni 2020 van de vader;
- het F9-formulier van 2 juni 2020 van de moeder.
2. De verdere beoordeling
2.1.
In de tussenbeschikking van 7 februari 2020 is het NIFP verzocht om te bemiddelen bij de benoeming van een of twee onafhankelijke deskundige(n) voor het verrichten van een onderzoek ter beantwoording van de door de rechtbank in die beschikking onder rechtsoverweging 5.4. vermelde vragen.
2.2.
Het NIFP heeft mevrouw [naam GZ-psycholoog 1] , GZ-psycholoog en de heer [naam GZ-psycholoog 2] , GZ-psycholoog bereid gevonden om in deze zaak een onderzoek te verrichten. Mevrouw [naam GZ-psycholoog 1] heeft veel expertise op het gebied van PTSS en zal het psychologisch onderzoek bij de moeder verrichten. De heer [naam GZ-psycholoog 2] zal het onderzoek naar de opvoedvaardigheden van de moeder verrichten.
Niet gebleken is dat het NIFP aanvullingen heeft op de door de rechtbank in voornoemde beschikking voorlopig geformuleerde vragen.
2.3.
Door de vader is aangegeven bij F9-formulier van 2 juni 2020 dat hij geen opmerkingen heeft over de te benoemen deskundigen.
2.4.
Door de moeder is in het F9-formulier van 2 juni 2020 aangegeven dat zij het niet eens is met een onderzoek naar haar pedagogische kwaliteiten. Voorts kan zij zich niet vinden in het betrekken van [minderjarige] bij het onderzoek. Zij heeft dit toegelicht in de meegestuurde bijlagen, waarin ze ingaat op de onderzoeksvragen. Die onderzoeksvragen zijn volgens de moeder voor een zeer groot deel vragen naar de bekende weg en dus een belasting voor [minderjarige] en de moeder en vormen een overbodige kostenpost.
De moeder gaat wel akkoord met de onderzoeken als vermeld in de offertes.
2.5.
De rechtbank merkt vooreerst op dat partijen in de gelegenheid zijn gesteld zich uit te laten over de voorgedragen deskundigen en de hoogte van de offertes. Niet is gevraagd zich uit te laten over de onderzoeksvragen, die zijn immers al vastgelegd bij beschikking van 7 februari 2020, nadat partijen zich daarover hebben mogen uitlaten. Sommige vragen zien op de pedagogische kwaliteiten van de moeder, dus daar zal ook onderzoek naar gedaan worden, waarbij eventueel sprake zal zijn van observaties tijdens interactieobservaties. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de bezwaren van de moeder op de onderzoeksvragen en heeft de bijlagen van de moeder dan ook teruggestuurd zonder daar kennis van te nemen. Indien en voor zover nodig kan zij die later in de procedure nog inbrengen.
2.6.
Nu er door beide partijen geen bezwaar is gemaakt tegen de te benoemen deskundigen, zal de rechtbank het NIFP volgen waar het betreft de personen van de deskundigen en zal zij de voorlopig geformuleerde onderzoeksvragen definitief maken.
De rechtbank overweegt dat de moeder de verplichting heeft op grond van artikel 198, lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering mee te werken aan het onderzoek en dat als de moeder niet voldoet aan de verplichting, de rechtbank daaruit de gevolgtrekking maakt die haar geraden acht.
Voorts overweegt de rechtbank dat uit het deskundigenrapport moet blijken dat de moeder door de deskundigen in de gelegenheid is gesteld opmerkingen over het rapport te maken, met vermelding van de inhoud van de eventueel gemaakte opmerkingen.
2.7.
De griffier zal een afschrift van het procesdossier aan de deskundigen doen toekomen, alsmede de contactgegevens van de moeder.Indien de deskundigen voor het onderzoek gebruik maken van informatie van derden, dienen zij daarvan melding te maken in het rapport
2.8.
Ingevolge de overgelegde offertes zal het voorschot voor [naam GZ-psycholoog 1] worden bepaald op € 3.190,08 exclusief BTW en reiskostenvergoeding en het voorschot voor [naam GZ-psycholoog 2] op € 1.993,80 exclusief BTW en reiskostenvergoeding.Indien de deskundigen voorzien dat de kosten hoger uit gaan vallen, dient daartoe vooraf, met begroting van de meerkosten, schriftelijk toestemming van de rechtbank te worden verkregen.
In de eindbeschikking zal een definitieve beslissing worden genomen over de betaling van de kosten.
2.9.
De deskundigen hebben aangegeven dat verwacht wordt dat het gehele onderzoek medio september 2020 zal zijn afgerond. Gelet hierop zal de rechtbank de deskundigen verzoeken op uiterlijk 1 oktober 2020 het deskundigenbericht uit te brengen.
In afwachting van dit deskundigenbericht zal iedere beslissing worden aangehouden.
3. De beslissing
De rechtbank:
3.1.
benoemt tot deskundigen om onderzoek te verrichten:
- [naam GZ-psycholoog 1] , GZ-psycholoog
- [naam GZ-psycholoog 2] , GZ-psycholoog
Beiden geregistreerd in het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen en beiden domicilie kiezende te ’s-Hertogenbosch ten kantore van het NIFP;
3.2.
verzoekt de deskundigen een onderzoek in te stellen en een deskundigenbericht uit te brengen met betrekking tot de volgende vragen:
- 1.
Hoe is de persoonlijkheid en het functioneren van de moeder te beschrijven?- op basis van klinische impressies- op basis van psychologisch testonderzoek- eventuele aandachtspunten
- 2.
In hoeverre is er sprake van psychiatrische problemen bij de moeder?
- 3.
Is er sprake van malingering en in hoeverre is dat door een (neuropsychologisch) onderzoek vast te stellen, dan wel uit te sluiten?
- 4.
Wat is er te zeggen over de relatie tussen de moeder en [minderjarige] ?- op basis van klinische impressie- eventueel op basis van de observaties tijdens de interactieobservaties
- 5.
In hoeverre werken eventuele psychiatrische problemen belemmerend in het pedagogisch en affectief handelen ten opzichte van [minderjarige] ?
- 6.
Wat zijn de pedagogische en affectieve mogelijkheden en beperkingen van de moeder in relatie tot [minderjarige] ?- welk inzicht in de eigen pedagogische en affectieve mogelijkheden en beperkingen heeft de moeder?- eventuele aandachtspunten
- 7.
Hoe beleeft de moeder de relatie met [minderjarige] en welke factoren zijn van invloed op de relatie met [minderjarige] ?- hierbij dient in ieder geval vader mee te worden genomen
- 8.
Hoe worden de mogelijkheden en beperkingen van de moeder ingeschat om de omgang van het kind met de vader vorm te geven en te ondersteunen?- eventuele aandachtspunten
- 9.
Welke (contra)indicaties zijn er voor het opstarten van een omgangsregeling met de vader?- welke positieve en negatieve gevolgen kan dit hebben op de ontwikkelingsgang van het kind op de korte en de langere termijn?
- 10.
Is het opstarten van de omgangsregeling met de vader te realiseren dusdanig dat de huidige opvoedsituatie er niet onder lijdt, ofwel hoe kan dit vorm krijgen zodanig dat dit de ontwikkeling van [minderjarige] ten goede komt?- is hierbij professionele begeleiding nodig, en zo ja, aan welke begeleiding wordt gedacht?- is aan te geven op welke termijn de eventueel geïndiceerde hulp kan aanvangen
- 11.
Wat zijn (contra)indicaties op het gebied van hulpverlening, begeleiding en behandeling?- indien er indicaties zijn voor hulpverlening, begeleiding en behandeling: aan welke vorm wordt hierbij gedacht?- op wie zou deze hulpverlening, begeleiding en behandeling gericht moeten zijn?- wat zou de doelstelling van deze hulpverlening, begeleiding en behandeling moeten zijn?- in hoeverre is de moeder in staat en bereid van hulpverlening te profiteren?
- 12.
In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling van het kind en opvoeding van het kind door de ouder?
3.3.
begroot het voorschot ter zake van de kosten van de deskundigen conform de uitgebrachte offerte voor [naam GZ-psycholoog 1] op € 3.190,08 exclusief BTW en reiskosten, en voor [naam GZ-psycholoog 2] op € 1.993,80 exclusief BTW en reiskosten en bepaalt dat deze kosten door de Staat kunnen worden voorgeschoten;
3.4.
bepaalt dat uit het deskundigenrapport moet blijken dat de moeder door de deskundigen in de gelegenheid is gesteld opmerkingen over het rapport te maken, met vermelding van de inhoud van de eventueel gemaakte opmerkingen;
3.5.
verzoekt de deskundigen om uiterlijk 1 oktober 2020 het deskundigenbericht uit te brengen;
3.6.
bepaalt dat de griffier van de rechtbank een afschrift van deze beschikking alsmede een afschrift van het procesdossier aan de deskundigen zal toezenden;
3.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.Th.M. Raab (voorzitter), mr. C.M.J. van den Acker en mr. S.A.M.C. van de Winkel, allen kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van L. Reijnders-Verlinden, griffier, op 10 juni 2020. | ||
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch: a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak; b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden. | ||
Uitspraak 07‑02‑2020
Inhoudsindicatie
Vraag aan NIFP om deskundigen voor te dragen voor beantwoording van vragen
Partij(en)
Rechtbank Limburg
Familie en jeugd
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/244190 / FA RK 17-4892 en C/03/252323 / FA RK 18-2588
Beschikking van 7 februari 2020
in de zaak van:
[de vader] ,
wonende te [woonplaats 1] , [adres 1] ,
hierna te noemen de vader,
advocaat: mr. S.J.M.P. Hoppers;
tegen:
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats 2] , [adres 2] ,
hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. J.A.N. Lap,
betreffende de minderjarige:
[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2017.
Tevens is ter zitting uitgenodigd:
de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg, hierna te noemen de GI.
1. Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Dit blijkt uit het volgende:
- de tussen partijen gegeven beschikking, in beide zaken, van 11 juni 2019 waarbij is bepaald dat de omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] voorlopig zal plaatsvinden onder professionele begeleiding van de Mutsaersstichting (BOR) en de raad voor de kinderbescherming is verzocht uiterlijk 1 maart 2020 de rapportage over het verloop van de BOR in te dienen en tevens te rapporteren en adviseren over het verzoek van de vader betreffende de omgangsregeling en waarbij iedere verdere beslissing is aangehouden;
- het F9-formulier van 30 augustus 2019 van de vader waarin wordt verzocht een nieuwe mondelinge behandeling te bepalen;
- het door de raad voor de kinderbescherming ingediende BOR-verslag van de Mutsaersstichting, ingekomen op 24 september 2019;
- de brief van de moeder van 17 oktober 2019;
- de reactie van 21 oktober 2019 van de vader op de brief van de moeder;
- de brief van de raad voor de kinderbescherming van 24 oktober 2019;
- de ‘akte overlegging producties tevens verzoek tot aanhouding en/of separaat horen’ van de moeder, ingekomen op 31 oktober 2019;
- de brief van de GI, ingekomen op 4 november 2019;
- de brief van de vader van 5 november 2019;
- het bericht van de rechtbank van 5 november 2019 aan (de advocaten van) partijen, dat de zaak wordt verwezen naar de meervoudige kamer;
- de ‘akte overlegging producties tevens verzoek separaat horen (op andere dag) ‘, van de moeder, ingekomen op 13 november 2019;
- de akte overlegging producties 23 tot en met 25 van de moeder, ingekomen op 2 december 2019;
- de akte overlegging productie 26 van de moeder, ingekomen op 2 december 2019;
- de akte overlegging productie 27 van de moeder, ingekomen op 6 december 2019;
- de akte overlegging productie 28, tevens akte uitlating/ verzoek separaat horen (op andere dag) en benoemen gerechtelijk deskundige van de moeder, ingekomen op 9 december 2019;
- de nadere mondelinge behandeling, welke heeft plaatsgevonden op 10 december 2019 en waarbij zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door mr. Hoppers;
- mr. Lap namens de moeder;
- mw. [naam 1] , vertegenwoordigster van de raad voor de kinderbescherming(hierna: de raad);
- mw. [naam 2] en mw. [naam 3] , vertegenwoordigsters van de GI.
Ter zitting is door de vader een brief overgelegd.
1.2.
Na de mondelinge behandeling zijn de navolgende stukken nog ingekomen:
- de bij brief van 18 december 2019 opgestelde vragen van de raad aan een te benoemen deskundige;
- de bij brief van 31 december 2019 opgestelde vragen van de vader aan een te benoemen deskundige.
2. De oorspronkelijke verzoeken
2.1.
De vader heeft oorspronkelijk verzocht om aan hem vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] te erkennen. De rechtbank heeft bij beschikking van 21 juni 2018 toestemming verleend om [minderjarige] te erkennen. Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft deze beschikking bekrachtigd bij beschikking van 25 april 2019.
Daarnaast heeft de vader verzocht een (opbouwende) omgangsregeling vast te stellen en – nadat erkenning heeft plaatsgevonden – hem mede te belasten met het gezag over [minderjarige] en te bepalen dat de moeder de vader maandelijks dient te informeren over het welzijn van [minderjarige] , onder toezending van een recente foto.
De vader heeft voorts door middel van een provisionele voorziening gevraagd om een omgangsregeling vast te stellen. In die zaak is bij beschikking van 14 augustus 2018 aan de raad voor de kinderbescherming gevraagd om rapport en advies uit te brengen omtrent de omgangsregeling.
In beide zaken is vervolgens bij beschikking van 11 juni 2019 een BOR bepaald.
Iedere verdere beslissing is aangehouden.
2.2.
Ten slotte merkt de rechtbank op dat [minderjarige] met ingang van 24 juli 2019 onder toezicht is gesteld van de GI.
3. De nadere standpunten
3.1.
De raad heeft in zijn schrijven van 23 september 2019, met als bijlage het eindverslag van de BOR, aangegeven dat zo snel mogelijk gestart gaat worden met een onderzoek. Uit het BOR-verslag blijkt dat het de medewerkers van de Mutsaersstichting, ondanks meerdere pogingen, niet is gelukt om contact te krijgen met de moeder.
In zijn brief van 24 oktober 2019 heeft de raad medegedeeld dat de moeder op 8 augustus 2019 een klacht heeft ingediend tegen de raad.
3.2.
De GI heeft in haar schrijven van 29 oktober 2019 aangegeven dat [minderjarige] zich goed ontwikkelt en gehecht is aan belangrijke personen in zijn leven, de moeder en de grootvader (mz). Er zijn geen zorgen rondom de ontwikkeling van [minderjarige] .
De GI ziet een moeder die goed voor haar kind zorgt en waarin haar netwerk belangrijk is ter ondersteuning als het de moeder door haar PTSS niet lukt om voor [minderjarige] te zorgen. De moeder geeft aan graag te willen werken aan haar PTSS, maar dit lukt niet door de druk die er steeds ligt vanuit verschillende instanties. Het is zo niet mogelijk om de behandeling op te starten.
Vanuit [minderjarige] ziet de GI geen risico om in contact te komen met zijn vader. Wel heeft [minderjarige] een moeder nodig die stabiel is. Indien er een omgangsregeling bepaald zal worden, zal dit effect hebben op de psychische toestand van de moeder en daarmee ook op de ontwikkeling van [minderjarige] . De moeder zal minder/ niet meer in staat zijn voor [minderjarige] te zorgen, waardoor opa (mz) deze rol op zich moet nemen. De behandelaar vanuit de GGZ onderschrijft dit, maar kan geen voorspellingen doen welk effect dit heeft op de veiligheid van [minderjarige] .
De vader wil zijn zoon graag ontmoeten en staat open voor behandeling.
Het vertrouwen van de ouders in elkaar heeft veel schade opgelopen. De GI vraagt zich dan ook af of de BOR haalbaar is in deze situatie of dat er gekeken moet worden naar een andere begeleide omgangsregeling. Het is echter de vraag welke gevolgen dit kan hebben voor [minderjarige] , gelet op de psychische toestand/ gesteldheid van de moeder.
3.3.
De moeder heeft in haar schrijven van 17 oktober 2019 aangegeven geen meerwaarde te zien in een mondelinge behandeling. De raad dient immers eerst onderzoek te verrichten. Het BOR-traject is niet geslaagd, omdat de Mutsaersstichting herhaaldelijk het verkeerde telefoonnummer van de moeder heeft gebruikt.
Bij akte van 29 oktober 2019 zijn producties overgelegd. De moeder legt in een brief haar situatie uit en geeft aan waarom een omgangsregeling niet in het belang van [minderjarige] is. De moeder is gediagnosticeerd met PTSS. (Begeleide) omgang of de dreiging daarvan brengt bij de moeder grote spanningen teweeg en verergert de PTSS-klachten. De onduidelijkheid over de omgang heeft als gevolg dat de behandeling van de moeder steeds uitgesteld moet worden, tot het moment dat er een definitieve beslissing is. Dit heeft een grote negatieve weerslag op de moeder en daarmee op (de ontwikkeling van) [minderjarige] . Laatstgenoemde is in grote mate afhankelijk van de verzorging en opvoeding van zijn moeder.
Het feit dat deze zaak nu al zo lang speelt is gelegen in het onjuist handelen door de raad, waaronder het op eigen initiatief wijzigen van de diagnoses. In de eerdere rapporten van de raad staan grote fouten. De moeder is een klachtprocedure gestart en minstens een gedeelte van het onderzoek, waarschijnlijk het hele onderzoek, moet volgens de moeder worden overgedaan.
De moeder verzoekt ook om apart gehoord te worden, bij voorkeur op een andere dag zodat ze de vader zeker niet tegen zal komen in het gerechtsgebouw. Als de vader op hetzelfde moment aanwezig zal zijn, is het voor de moeder onmogelijk om aanwezig te zijn.
Bij akte van 13 november 2019, met productie, legt de moeder in een brief uit waarom zij haar verhaal niet kan doen in het bijzijn van de vader en/of zijn advocaat. Zelfs de aanwezigheid van de advocaat van de vader is al een trigger voor de moeder en kan leiden tot een paniekaanval.
Bij akte van 29 november 2019, met producties, is een beknopt puntsgewijs chronologisch overzicht van het medisch dossier van de moeder overgelegd. Hieruit blijkt een ernstige PTSS die tot op heden niet behandelbaar is, omdat de vader nog steeds in beeld is. Pas als er definitieve rust is, inhoudende afwijzing van de verzoeken van de vader, kan de moeder behandeling krijgen.
Een PTSS houdt in dat een minimale trigger (zoals het horen van dezelfde voornaam als de vader) er al voor zorgt dat de moeder in een herbeleving terecht komt. Hierbij voelt, hoort, ziet en beleeft de moeder weer alles als op het moment dat het daadwerkelijk geweld/ misbruik plaatsvond.Dit alles zorgt voor paniekaanvallen. De moeder had hier aanvankelijk medicatie voor, maar door complicaties is de medicatie gestaakt. Nu er geen beschermende werking meer uitgaat van de medicijnen, is de enige optie er voor te zorgen dat de klachten niet nog meer verergeren/behandeling krijgen, door middel van afwijzing van de verzoeken. Het laten voortduren zal er voor zorgen dat de PTSS onbehandelbaar wordt.
Bij akte van 9 december 2019 verzoekt de moeder nogmaals om apart gehoord te worden. Dit zou eenvoudig te realiseren moeten zijn, ook als de zaak door een meervoudige kamer behandeld moet worden. Processuele overwegingen van praktische aard behoren niet ten grondslag te liggen aan een inhoudelijke beoordeling van dit verzoek. Het proces zou niet eerlijk verlopen. De moeder heeft het recht gehoord te worden en zij wenst daarvan gebruik te maken.
Voorts wordt bij diezelfde akte verzocht om een gerechtelijk deskundige te benoemen die de medische situatie van de moeder onderzoekt, zodat hierover duidelijkheid zal ontstaan. Voor een juist beeld moet een psychiater worden benoemd.
Voor wat betreft het schrijven van de GI merkt de moeder op dat het niet zo is dat behandeling voor haar PTSS niet kan starten vanwege druk vanuit instanties, maar vanwege de directe of indirecte aanwezigheid van de vader.
Volgens de moeder zijn er wel risicofactoren bij de vader aanwezig en zijn dat contra-indicaties voor omgang. De GI had een nader onderzoek moeten starten.
Als er omgang komt zal dit inderdaad effect hebben op de psychische toestand van de moeder en op de ontwikkeling van [minderjarige] . Volgens de moeder is omgang in strijd met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] . De moeder zal niet meer in staat zijn voor [minderjarige] te zorgen en dat zal zeer grote negatieve consequenties hebben voor [minderjarige] .
Als gevolg van het handelen van de vader tijdens en na de relatie heeft de moeder een ernstige complexe PTSS opgelopen. Het is voor haar onmogelijk om nog enige vorm van vertrouwen in de vader te hebben of te krijgen.
Terecht vraagt de GI zich af of een BOR 3 haalbaar is. Een BOR 3 is echter de meest intensieve begeleide vorm van een omgangsregeling. Als dat al niet haalbaar is, is de vraag wat voor BOR dan wel.
De moeder merkt voorts op dat nergens uit blijkt dat [minderjarige] enig belang heeft bij omgang met zijn vader.
3.4.
De vader heeft bij schrijven van 5 november 2019 bezwaar gemaakt tegen het verzoek van de moeder om een separate mondelinge behandeling te plannen. De vader heeft de moeder nooit een strobreed in de weg gelegd. De moeder creëert haar eigen werkelijkheid. Indien en voor zover het verzoek wordt gehonoreerd, dient de advocaat van de vader wel aanwezig te zijn.
4. De mondelinge behandeling
4.1.
Ter zitting is door en namens de vader aangegeven dat de brief van de GI niet is ontvangen. Bij de vader rijst de vraag waar dit allemaal heen gaat. De moeder stelt dat alle verzoeken moeten worden afgewezen, anders is er geen behandeling voor haar PTSS mogelijk. Behandeling is niet mogelijk als de vader in beeld blijft. De vader is echter de vader en zal altijd in beeld blijven. [minderjarige] bestaat voor de helft uit zijn vader. Als alles zo doorgaat zal [minderjarige] nooit voor het deel van de vader erkend worden in zijn identiteit.
De moeder zet de vader als een dader neer, maar de vader heeft de moeder nooit mishandeld of verkracht. Voor de vader is nu wel een grens bereikt. De moeder wordt telkens een podium geboden. De vader is het slachtoffer, hij wacht al twee jaar om zijn zoon te mogen zien. Hij bewandelt de juridische wegen.
Het is de vader niet duidelijk op welk daadwerkelijk geweld en misbruik de moeder doelt. In november 2017 heeft de moeder, tijdens de zwangerschap, EDMR behandeling gehad. Dat was gericht op het misbruik van de moeder door haar moeder. Nu wordt ineens alles op de vader gegooid en veroorzaakt hij de PTSS. [minderjarige] groeit nu op met het idee dat zijn vader een crimineel is. De moeder doet er alles aan om te voorkomen dat de vader [minderjarige] kan zien; ze wil in het leven van [minderjarige] geen vader.
Aan de raad wordt verzocht om een onderzoek in te stellen of een uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is. Dit is weliswaar heel heftig, maar met de moeder gaat het duidelijk niet goed. De vader heeft alleen de juridische wegen bewandeld; hij triggert de moeder niet.
De vader weet niets van een door de moeder tegen hem gedane aangifte.
Het is een machtsspel geworden en de moeder speelt er mee. De trigger voor de moeder, de vader, zal er altijd blijven. Als de moeder naar [minderjarige] kijkt, zal ze een stukje van de vader zien. De moeder zal er mee om moeten leren gaan.
Voor wat betreft de benoeming van een deskundige wordt opgemerkt dat dit een lastig vraagstuk is. Er ligt een diagnose PTSS, althans dat stelt de moeder. De moeder creëert haar eigen werkelijkheid. Het is misschien wel een opening als een deskundige iets vaststelt, maar dat mag niet aan een omgangsregeling in de weg staan.
4.2.
Namens de moeder is aangegeven dat het correct is dat de moeder ergens afgelopen zomer aangifte heeft gedaan tegen de vader. Hier is de advocaat echter niet bij betrokken.
De moeder is ziek, ze heeft een zeer complexe PTSS. Als ze wordt getriggerd krijgt ze een herbeleving en kan ze niet goed functioneren.
PTSS is niet te zien. Men kan niet ‘de schouders er onder zetten’ en verder gaan. Een nader onderzoek is nodig voor de ernst van de PTSS, zodat duidelijk wordt wat er met de moeder aan de hand is en hoe ernstig het is. Er is sprake van een ernstige situatie, de moeder heeft veel last van de PTSS. Dit is ook nog erger geworden, omdat de moeder zich hier niet in gehoord voelt.
[minderjarige] behoeft er geen schade van te ondervinden dat er geen vader in zijn leven is.
Partijen ging tijdens de relatie op een respectloze wijze met elkaar om.
De BOR is niet van de grond gekomen en de vraag is hoe nu verder. Het rapport van de raad is gedateerd en de moeder wil dat rapport hersteld zien. Er moet een nieuw onderzoek komen. De raad heeft behandelaars van de moeder benaderd, maar slechts een deel in het rapport gezet. De moeder wil het hele verhaal op tafel hebben.
De moeder persisteert bij haar verzoek om apart gehoord te worden.
Voor nu zouden alle beslissingen aangehouden moeten worden en zou een deskundige benoemd moeten worden. Die kan de medische situatie in kaart brengen.
Deze procedure blijft hoe dan ook voor de moeder een trigger. De belangrijkste trigger is nu deze procedure en de dreiging die er van uitgaat en contact met de vader. De procedure moet verdwijnen, eerder kan de moeder niet met behandeling starten.
De procedure kan niet ‘uitgegumd’ worden, maar het kan wel dat de vader geen rol wordt gegeven in het leven van [minderjarige] . Nu niet en in de toekomst niet. Voor [minderjarige] is dat niet schadelijk.
Het kan natuurlijk zo zijn dat de vader over een jaar weer een procedure start; dat zou uitermate vervelend zijn. Er had geen erkenning moeten plaatsvinden. De moeder kan [minderjarige] alleen opvoeden, ze heeft de vader niet nodig. De moeder ontkent het bestaan van de vader niet en ze zal [minderjarige] ook vertellen over zijn vader, als hij de juiste leeftijd heeft. In de visie van de moeder is er geen vader.
Een omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige] zonder dat de moeder betrokken wordt is niet mogelijk. Dat de vader betrokken wordt is al een trigger voor de moeder en is voldoende voor een paniekaanval.
Over [minderjarige] zijn er geen zorgen, hij ontwikkelt zich goed. De moeder kan hem bieden wat hij nodig heeft. Een uithuisplaatsing zou inhouden dat [minderjarige] met het badwater wordt weggegooid. Hij is gehecht aan de moeder en het gaat goed met hem. Een uithuisplaatsing is dan ook niet in zijn belang; dan wordt hij uit zijn vertrouwde omgeving weggehaald.
4.3.
De raad heeft ter zitting aangegeven dat er in maart 2019 een onderzoek is geweest en dat daaruit naar voren is gekomen dat een BOR 3 nodig was. De moeder accepteert de volledige identiteit van [minderjarige] niet.
De raad blijft er bij dat de moeder niet handelt in het belang van [minderjarige] . De moeder ontkent één deel van [minderjarige] of labelt het deel van de vader negatief. Dit is zeer schadelijk voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] en de raad heeft hier grote zorgen over.
In zijn puberteit zal [minderjarige] willen weten wie hij is. Tot die tijd krijgt hij echter geen ruimte om zijn eigen identiteit te ontwikkelen. Het is niet te zeggen op welke leeftijd dit naar boven komt, maar het is in ieder geval zeer schadelijk voor zijn identiteitsontwikkeling.
De problemen zijn in dit geval zo extreem dat dit de ontwikkeling van [minderjarige] niet ten goede zal komen. Wellicht is een uithuisplaatsing de enige optie, maar ook dat is zeer schadelijk, met name voor de algehele ontwikkeling. Hier moet weloverwogen naar gekeken worden en bekeken worden wat het ‘minst slecht’ is.
Er komt een nieuw onderzoek. De moeder heeft een klacht ingediend en er heeft een bemiddelingsgesprek plaatsgevonden. Er komen in ieder geval twee nieuwe raadsonderzoekers.
De visie van behandelaars kan worden meegenomen. De ontwikkeling van [minderjarige] kan echter niet afhankelijk zijn van de vraag of een behandeling bij een ouder aanslaat. Het is duidelijk dat de moeder behandeling nodig heeft, maar het kan niet zo zijn dat [minderjarige] de komende jaren geen contact kan hebben met zijn vader, omdat dit voor de moeder nodig is. De moeder moet beide processen aangaan.
De aanvullende rapportage wordt rond maart 2020 verwacht, wellicht kan dat worden meegenomen in het deskundigen onderzoek.
4.4.
Namens de GI is aangegeven dat [minderjarige] zich nu goed ontwikkelt en dat er geen zorgen zijn. Hij heeft een goed contact met de familie van de moeder.
De GI ziet geen risico’s voor contact tussen de vader en [minderjarige] . De moeder vindt dat lastig en zal dat niet accepteren.
Als er een omgangsregeling wordt bepaald is de vraag in hoeverre de moeder stabiel blijft en of ze [minderjarige] kan blijven opvoeden.
Bij een BOR 3 wordt ouders gevraagd om samen te werken, maar dat is in dit geval onmogelijk. Er zou een (begeleide) omgangsregeling moeten komen, waarbij de ouders niet hoeven samen te werken, maar de vader [minderjarige] wel kan zien.
5. Het oordeel van de rechtbank
Verzoek om apart gehoord te worden
5.1.
Door de moeder is bij akte van 29 oktober 2019 verzocht om separaat gehoord te worden. Door de vader is hier, bij F-9 formulier van 5 november 2019, bezwaar tegen gemaakt. Aan (de advocaten van) partijen is op 8 november 2019 bericht dat de moeder op een ander (eerder) tijdstip gehoord kan worden, in aanwezigheid van haar advocaat en de advocaat van de vader.
Op 13 november 2019 heeft de moeder verzocht om separaat gehoord te worden, op een andere dag, welke dag en tijd dan onbekend moeten zijn voor de vader en zijn advocaat. Voorts wenst de moeder dat de advocaat van de vader niet aanwezig is bij het separaat verhoor. Aan de advocaten is bericht dat aan het verzoek van de moeder niet zal worden voldaan. In het kader van hoor en wederhoor acht de rechtbank het van belang dat de advocaat van de vader aanwezig is bij de separate behandeling.
Op 3 december 2019 is door de moeder een verzoek heroverweging separaat horen op een andere dag ingediend. Verzocht wordt om de moeder op een andere dag te horen, waarbij dan bepaald wordt dat de vader geen kennis zal hebben van het moment van apart horen en voorts om een beveiligingsmedewerker in de zaal aanwezig te laten zijn.
De rechtbank heeft de advocaat van de moeder in eerste instantie telefonisch bericht dat aan het eerste verzoek niet zal worden voldaan en dat een beveiligingsmedewerker in de zaal akkoord is.
De rechtbank heeft de advocaat van de moeder dit bevestigd bij e-mail van 6 december 2019, waarbij zij haar standpunt ten aanzien van de aanwezigheid van de beveiligingsmedewerker heeft gewijzigd. De rechtbank ziet daarin geen toegevoegde waarde en bovendien betekent dat iets voor de bezetting van beveiliging van de rechtbank. Aangegeven is dat het de moeder uiteraard vrij staat om haar eigen beveiliging mee te nemen.
Op 9 december 2019 is door de moeder een akte uitlating/verzoek separaat horen (op andere dag) ingediend. Aangegeven wordt dat de moeder heeft besloten niet aanwezig te zijn (op het andere tijdstip) op 10 december 2019. Zij heeft ter compensatie een persoonlijke brief geschreven. De moeder verzoekt om gehoord te worden buiten aanwezigheid van de vader, waarbij de vader geen kennis zal hebben van het moment van die mondelinge behandeling, en waarbij een beveiligingsmedewerker aanwezig is. Volgens de moeder is dit relatief eenvoudig te realiseren, zonder de goede procesorde te schaden. Zij beroept zich op artikel 6 EVRM; het is haar recht om gehoord te worden. Indien dit niet het geval is, verloopt het proces niet eerlijk. Hoor en wederhoor is een fundamenteel beginsel van het Nederlands procesrecht en dit wordt geschonden op het moment dat de moeder in deze zaak niet wordt gehoord, omdat er onvoldoende rekening wordt gehouden met de gevolgen van haar ziekte.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat zij zo veel als mogelijk aan de wensen van de moeder tegemoet is gekomen door haar (apart) te horen op een ander tijdstip op dezelfde dag. De moeder heeft hier, om haar moverende redenen, geen gebruik van gemaakt. Als eerder aangegeven door de rechtbank was het planningtechnisch onmogelijk om de moeder op een andere dag te horen. De beginselen van een goede procesorde, hoor en wederhoor, gelden uiteraard ook andersom. De vader, in ieder geval zijn advocaat, dient in de gelegenheid te zijn om te reageren op hetgeen de moeder aangeeft en dit was niet te realiseren op de wijze als door de moeder verzocht. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat, naast het eigen schrijven van de moeder, haar advocaat haar visie duidelijk heeft gemaakt. Op dit moment wordt er dan ook geen meerwaarde gezien in het (alsnog) apart horen van de moeder.
Benoeming deskundige
5.3.
Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft in haar beschikking van 25 april 2019 reeds overwogen:
“ Uit de nagekomen stukken van 14 maart 2019 en de ter zitting overgelegde stukken blijkt dat het momenteel niet goed gaat met de moeder: zij is kwetsbaar en ondervindt psychische problemen. De moeder kampt met spanningen, slaapproblemen en een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Sinds januari 2019 slikt zij antidepressiva. Voor het hof is voldoende vast komen te staan dat de moeder op dit moment op emotioneel gebied een zware periode in haar leven doormaakt. Wat echter niet is vast komen te staan, is dat dit direct te herleiden is tot de erkenning. Gezien de dossierinhoud, het daaruit vast te stellen verloop der gebeurtenissen in deze zaak en het verhandelde ter zitting stelt het hof vast dat de moeder haar verhaal in de loop der tijd is gaan bijstellen. Het hof wijst hiertoe op de inhoud van het verweerschrift in eerste aanleg, de punten 2 tot en met 27. Er is sprake van één door de vrouw gesteld en door de vader betwist incident, het trap incident, dat zich voordeed bij het einde van de relatie, nummers 14, 15 en 16. In het stuk ‘aantekeningen ten behoeve van de zitting’ van de kant van de advocaat van de moeder, komt er een beschuldiging bij: gedwongen seks. In de mail van de moeder aan haar advocaat van 14 mei 2018 wordt als beschuldiging toegevoegd het gewelddadig karakter van de vader. De moeder voert aan dat zij pas geleidelijk aan toe kon komen aan haar beschrijving van de daden van de vader door haar eigen verleden, waarin sprak is geweest van seksueel misbruik tijdens de jeugd van de moeder. De vader heeft de beschuldigingen aan zijn adres ontkend en er op gewezen dat de stellingen van de moeder niet door behoorlijke onderbouwing worden ondersteund. (..)
De raad heeft in zijn conceptrapportage op 28 februari 2019 geadviseerd om een begeleide proefomgangsregeling vast te stellen tussen de vader en [minderjarige] conform een BOR III traject. De moeder is op 1 maart 2019 – één dag nadat zij het conceptrapport had ontvangen – zo in paniek geraakt van dit advies dat zij bij de crisisdienst is beland. Sindsdien verkeert de moeder, zoals blijkt uit haar medisch dossier dat zij in het geding heeft gebracht, in een diepe crisis, waarbij zij zichzelf niet meer onder controle kan krijgen. Zij heeft paniekaanvallen en huilbuien waarbij zij last heeft van hyperventilatie. (..)
De vader is deze procedure in december 2017 gestart en die heeft er al die tijd niet toe geleid dat de moeder psychisch is ingestort, zoals nu het geval lijkt te zijn één dag nadat de raad het BOR III-advies uitbracht.
Alles overziende is het hof van oordeel dat de moeder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar psychische problemen direct verband houden met het feit dat de vader [minderjarige] wenst te erkennen. Het hof vindt in dit oordeel steun in de volgende ter zitting van het hof afgelegde verklaring van de bijzondere curator:
“De moeder is enorm gekwetst is door het einde van de relatie en zij wil erkenning voor het leed dat haar is aangedaan. Ik kwam daar niet doorheen. Zij gaf aan dat ze een vader voor [minderjarige] prettig zou vinden, maar echt nodig vindt ze dit niet. Mijn eerste gesprek met de moeder was heel anders dan de situatie nu: het werd steeds groter en erger. Mijn persoonlijke indruk bij het tweede gesprek dat ik met de moeder had, is dat de moeder het niet meer overzag. Ze schrok van wat er verder stond te gebeuren. De vader kwam steeds dichterbij en hij kwam terug in haar leven in de rol als vader van [minderjarige] . De moeder heeft zich hier met man en macht tegen verzet. Met alles wat haar ten dienst stond, heeft ze geprobeerd om hem weg te houden. Dat is wat me is opgevallen. Ik adviseerde de moeder om hulp te zoeken. Toen bracht de moeder verkrachtingen en mishandelingen ter sprake en haar trauma’s.”
Het hof kent gewicht toe aan deze verklaring en de indruk die de bijzondere curator heeft gekregen van beide ouders. Het hof acht het opvallend dat de beschuldigingen van de moeder aan het adres van de vader en de psychische problemen waarmee de moeder kampt steeds verder toenamen naarmate de rol van de vader groeide.”
De rechtbank is van oordeel dat van bovengenoemde nog immer sprake is. De moeder heeft in haar eigen brief, ingekomen op 5 november 2019, haar huidige situatie beschreven. Hieruit blijkt dat door het advies van de raad en de door de rechtbank opgelegde BOR de moeder zich ziek heeft moeten melden, vanaf 1 maart 2019, en dat haar contract niet verlengd gaat worden. Ze geeft aan dat ze naar de voedselbank zal moeten. Ze stelt dat zij nog niet behandeld kan worden voor haar PTSS, omdat duidelijkheid met betrekking tot de afwijzing van de verzoeken van de vader, noodzakelijk is. Door de PTSS klachten zou de moeder erg beperkt zijn in haar dagelijks functioneren.
De moeder stelt verder dat het in het belang van [minderjarige] en de moeder is dat de BOR definitief wordt stopgezet. Het mag niet zo zijn, aldus de moeder, dat een stabiel en goed functionerend gezin zo de dupe wordt van een dader (opmerking rechtbank: de vader) van huiselijk geweld, misbruik en geweld tegen het toen nog ongeboren kind.
De rechtbank stelt vast dat de moeder thans stelt dat de vader ook geweld zou hebben gebruikt tegen de toen nog ongeboren [minderjarige] . Dit volgt niet uit de eerder overgelegde producties. Uit productie 23, ingekomen op 2 december 2019, staat op pagina 3 bij 26 maart 2019 ‘(..) last van herbelevingen en paniekaanvallen door lichamelijk, geestelijk en seksueel misbruik door ex’. Uit productie 24 bijlage A volgt dat de moeder vindt dat de diagnose PTSS in zijn geheel is veroorzaakt door de vader.
Voorts legt de moeder bij dezelfde productie diverse WhatsApp berichten over uit 2016 en 2017. De rechtbank is van oordeel dat hieruit met name de beleving van de moeder blijkt, maar niet zozeer daadwerkelijke acties van de vader.
De rechtbank kan niet goed plaatsen dat de moeder zelf verklaart dat de aanwezigheid van de advocaat van de vader al een dermate trigger is voor haar angst, dat dit kan leiden tot een paniekaanval. Zelfs het horen van de naam van de vader kan hiertoe leiden. De rechtbank vraagt zich af waarom de moeder al die berichten nog heeft bewaard en zo kan overleggen. De rechtbank vraagt zich af hoe dit zich verhoudt tot haar stelling dat het horen/ vermelden van de naam van de vader de PTSS triggert.De moeder is zeer strijdbaar en dient klachten en aangiftes in. Daarnaast draagt zij uit dat een vader in het leven van [minderjarige] niet nodig is en dat zij zeer wel in staat is [minderjarige] zonder vader op te voeden. De rechtbank vraagt zich ook hier van af hoe dit zich verhoudt tot haar PTSS stoornis.
5.4.
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank een onderzoek door een deskundige aangewezen. Er dient duidelijkheid te komen over de vraag of het onwil van de moeder betreft of onmacht al dan niet veroorzaakt door psychiatrische problematiek. Onduidelijk is hoe de psychische problemen van de moeder zich gaan ontwikkelen.
De rechtbank zal het verzoek van de moeder om een deskundige te benoemen dan ook toewijzen. Aan het NIFP zal worden verzocht een deskundige voor te dragen, wellicht indien noodzakelijk door een dubbelrapportage van zowel een psychiater als een (neuro)psycholoog.
Door beide partijen en de raad zijn vragen, aan de te benoemen deskundige(n), ingediend. Na bestudering van deze vragen is de rechtbank tot de conclusie gekomen dat hierin enerzijds veel overlap bestaat en anderzijds dat het suggestieve vragen zijn. De vragen van zowel de vader als de moeder worden grotendeels gedekt door de vragen die de raad heeft voorgesteld. De rechtbank zal derhalve die vragen, met enkele toevoegingen en aanpassingen, overnemen.
De rechtbank is van oordeel dat de navolgende vragen aan de deskundige(n) dienen te worden voorgelegd:
- 1.
Hoe is de persoonlijkheid en het functioneren van de moeder te beschrijven?- op basis van klinische impressies- op basis van psychologisch testonderzoek- eventuele aandachtspunten
- 2.
In hoeverre is er sprake van psychiatrische problemen bij de moeder?
- 3.
Is er sprake van malingering en in hoeverre is dat door een (neuropsychologisch) onderzoek vast te stellen, dan wel uit te sluiten?
- 4.
Wat is er te zeggen over de relatie tussen de moeder en [minderjarige] ?- op basis van klinische impressie- eventueel op basis van de observaties tijdens de interactieobservaties
- 5.
In hoeverre werken eventuele psychiatrische problemen belemmerend in het pedagogisch en affectief handelen ten opzichte van [minderjarige] ?
- 6.
Wat zijn de pedagogische en affectieve mogelijkheden en beperkingen van de moeder in relatie tot [minderjarige] ?- welk inzicht in de eigen pedagogische en affectieve mogelijkheden en beperkingen heeft de moeder?- eventuele aandachtspunten
- 7.
Hoe beleeft de moeder de relatie met [minderjarige] en welke factoren zijn van invloed op de relatie met [minderjarige] ?- hierbij dient in ieder geval vader mee te worden genomen
- 8.
Hoe worden de mogelijkheden en beperkingen van de moeder ingeschat om de omgang van het kind met de vader vorm te geven en te ondersteunen?- eventuele aandachtspunten
- 9.
Welke (contra)indicaties zijn er voor het opstarten van een omgangsregeling met de vader?- welke positieve en negatieve gevolgen kan dit hebben op de ontwikkelingsgang van het kind op de korte en de langere termijn?
- 10.
Is het opstarten van de omgangsregeling met de vader te realiseren dusdanig dat de huidige opvoedsituatie er niet onder lijdt, ofwel hoe kan dit vorm krijgen zodanig dat dit de ontwikkeling van [minderjarige] ten goede komt?- is hierbij professionele begeleiding nodig, en zo ja, aan welke begeleiding wordt gedacht?- is aan te geven op welke termijn de eventueel geïndiceerde hulp kan aanvangen
- 11.
Wat zijn (contra)indicaties op het gebied van hulpverlening, begeleiding en behandeling?- indien er indicaties zijn voor hulpverlening, begeleiding en behandeling: aan welke vorm wordt hierbij gedacht?- op wie zou deze hulpverlening, begeleiding en behandeling gericht moeten zijn?- wat zou de doelstelling van deze hulpverlening, begeleiding en behandeling moeten zijn?- in hoeverre is de moeder in staat en bereid van hulpverlening te profiteren?
- 12.
In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling van het kind en opvoeding van het kind door de ouder?
De rechtbank zal het NIFP verzoeken om uiterlijk 21 februari 2020 een of twee deskundige(n) voor te dragen die bereid is (zijn) de onderzoeksopdracht te aanvaarden en vervolgens de kosten van het onderzoek te begroten. Voor deze kosten zal, in beginsel, geen voorschot ten laste van partijen worden gebracht, nu beide partijen op toevoeging procederen (artikel 195 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). Het voorschot zal, in beginsel, ten laste van ’s Rijks kas worden gebracht.Definitieve beslissingen over de kosten voor de deskundige(n) zullen later worden genomen.
Voorts zal de rechtbank het NIFP verzoeken eventuele nadere of andere vragen te formuleren, indien dit in de ogen van het NIFP dan wel de voorgestelde deskundige(n) (meer) aangewezen is voor het onderzoek dat de rechtbank voor ogen staat. Indien meer of andere informatie nodig is dan uit deze beschikking blijkt, kan het NIFP de rechtbank schriftelijk om nadere gegevens (uit het dossier) vragen alvorens een deskundige(n) voor te stellen en nadere of andere vragen te formuleren. Nadat een deskundige is voorgedragen en eventuele nadere of andere vragen zijn geformuleerd, zal de rechtbank een beschikking wijzen met daarin het verzoek om een deskundigenbericht uit te brengen omtrent de in die beschikking op te nemen vragen.
5.5.
Het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling, is naar het oordeel van de rechtbank, nu niet in belang van [minderjarige] . Gelet op hetgeen hiervoor reeds is overwogen, is overduidelijk dat de moeder hier nu niet aan gaat meewerken. Omdat de effecten hiervan op [minderjarige] niet in te schatten zijn, moet de vader (nog meer) geduld hebben. De rechtbank vindt het prijzenswaardig dat de vader hierin het belang van [minderjarige] voorop stelt. Voordat nadere beslissingen genomen kunnen worden, moet het onderzoek door de deskundige zijn afgerond. Het nadere raadsonderzoek dient in afwachting hiervan dan ook nog niet te starten zodat de uitkomsten van het deskundigenonderzoek worden meegenomen in het nadere raadsonderzoek.
6. De beslissing
De rechtbank:
6.1.
verzoekt het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP), locatie Zuid-Nederland, Postbus 26, 5201 AA, 's Hertogenbosch ,Telefoon: 088 071 03 00 (algemeen)
E-mail: NIFPZuidNederland@dji.minjus.nl
om te bemiddelen bij de benoeming van (een) onafhankelijke deskundige(n) voor het verrichten van een onderzoek ter beantwoording van de in rechtsoverweging 5.4 vermelde vragen;
6.2.
verzoekt het NIFP de rechtbank te berichten zoals bedoeld in rechtsoverweging 5.4. op uiterlijk 21 februari 2020;
6.3.
houdt iedere verdere beslissing aan;
6.4.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.Th.M. Raab (voorzitter), mr. C.M.J. van den Acker en mr. S.A.M.C. van de Winkel, allen kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van L. Reijnders-Verlinden, griffier, op 7 februari 2020. | ||
Uitspraak 11‑06‑2019
Inhoudsindicatie
Begeleide omgangsregeling opgelegd
Partij(en)
Rechtbank Limburg
Familie en jeugd
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/252323 / FA RK 18-2588 en C/03/244190 / FA RK 17-4892
Beschikking van 11 juni 2019
in de zaak van:
[de vader] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
hierna te noemen de vader,
advocaat: mr. S.J.M.P. Hoppers;
tegen:
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. J.A.N. Lap.
betreffende de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] .
1. De procedure
1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit het volgende:
- de beschikking van deze rechtbank van 24 januari 2018 in de zaak met nummer
C/03/244190 / FA RK 17-4892 waarin een bijzondere curator is benoemd;
- de tussen partijen gegeven beschikking van 21 juni 2018 in de zaak met nummer C/03/244190 / FA RK 17-4892, waarbij aan de vader vervangende toestemming is verleend tot erkenning van [minderjarige] en waarin iedere verdere beslissing is aangehouden voor de duur van een half jaar;
- de tussen partijen gegeven beschikking van 14 augustus 2018 in de zaak met kenmerk C/03/252323/ FA RK 18-2588, waarin de raad voor de kinderbescherming is verzocht rapport en advies uit te brengen omtrent de omgangsregeling;
- het op 13 maart 2019 ingekomen rapport en advies van de raad voor de kinderbescherming, op 15 maart 2019 aangevuld met de reactie van de moeder;
- het F9 formulier van respectievelijk 4 april en 16 april 2019 van mr. Lap, met bijlagen;
- het F9 formulier van 26 april 2019 van mr. Hoppers, met bijlagen;
- de nadere mondelinge behandeling, die heeft plaatsgevonden op 16 april 2019 en waarbij zijn verschenen:
- de vader, bijgestaan door mr. Hoppers,
- namens de moeder mr. Lap,
- mevrouw [naam] als vertegenwoordigster van de raad voor de kinderbescherming.
2. De Raad voor de Kinderbescherming
2.1.
De raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) adviseert om een begeleide proefomgangsregeling vast te stellen tussen [minderjarige] en de vader bij de Mutsaersstichting conform een BOR-3 traject en de beslissing voor een periode van negen maanden aan te houden. Daarbij merkt de raad op dat de Mutsaersstichting het direct bij de rechtbank en de raad moet melden indien zij vaststelt dat het BOR-traject stagneert of zelfs niet op gang komt omdat de ouders niet willen meewerken.
2.2.
De raad voert aan dat in hun ogen vader een belangrijke hechtingsfiguur is voor [minderjarige] . Voor een evenwichtige identiteitsontwikkeling heeft [minderjarige] er belang bij dat de omgang met vader, middels een BOR-3, zo snel mogelijk wordt opgestart. Hoe langer dit contact er niet is, hoe moeilijker het voor [minderjarige] wordt om zich aan zijn vader te hechten en een eigen vaderbeeld te ontwikkelen. Volgens de raad is de Mutsaersstichting qua kennis en expertise de meest geëigende zorginstelling om [minderjarige] en de ouders in dit traject goed te begeleiden. De raad maakt zich namelijk zorgen over de haalbaarheid van de BOR, omdat moeder het niet toe staat dat vader een plek krijgt in het leven van [minderjarige] . Moeder stelt ernstig getraumatiseerd te zijn door de relatie met vader en zolang vader in beeld is komt moeder niet aan traumaverwerking toe. Daar komt bij dat moeder er stellig van overtuigd is dat contact met vader ook schadelijk is voor [minderjarige] . Zij zal daarom alles in het werk stellen om omgang tegen de gaan. De raad is van mening dat moeder daarmee voorbij gaat aan de belangen van haar zoon.
Ter zitting licht de raad toe dat het voor hen vaststaat dat moeder persoonlijke problematiek heeft. Wat de onderliggende oorzaak daarvan is, is voor de raad niet duidelijk geworden. Dat moeder te labiel is om hier te verschijnen acht de raad zeer zorgelijk. De raad vraagt zich af wie er voor [minderjarige] zal zorgen indien moeder wordt opgenomen. Nu de zorgen rondom moeder zijn toegenomen, acht de raad alsnog een aanvullend onderzoek naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel geïndiceerd. Dit onderzoek staat echter los van de omgang tussen [minderjarige] en vader. De raad blijft dan ook bij zijn standpunt dat de BOR moet worden opgestart, zodat vader een rol krijgt in het leven van [minderjarige] en er zicht komt op zijn opvoedingsvaardigheden. Vader heeft toegezegd dat hij overal aan zal meewerken om moeder gerust te stellen. Ook de huisarts en de psycholoog van moeder hebben geen bezwaar indien dit traject al in gang wordt gezet. Mocht moeder door haar opname niet in staat zijn om mee te werken aan de BOR, dan dient opa (mz) die taak over te nemen.
3. De belanghebbenden
3.1.
De advocaat van moeder voert ter zitting aan dat moeder niet is verschenen omdat zij op dit moment te labiel is en omdat haar behandelaar dat heeft geadviseerd. De situatie van moeder is zeer kritiek geweest. Nu is moeder in zekere mate gestabiliseerd, maar zij zal nog een intensief behandeltraject ingaan inclusief een opname. Indien moeder wordt opgenomen dan zal opa (mz) de zorg voor [minderjarige] op zich nemen. De raad heeft geen zorgen geuit over de opvoedsituatie bij opa.
De raadsman acht het niet verantwoord om de druk op moeder op te voeren door nu al de BOR in te zetten. Dit zal de behandeling van moeders problematiek alleen maar in de weg staan. Mocht de behandeling bij moeder aanslaan dan biedt dat meer mogelijkheden voor vader en zijn wens om contact te hebben met [minderjarige] . Daarbij kan niet van opa worden verwacht dat hij in de plaats van moeder zal meewerken aan de BOR.
3.2.
De vader voert ter zitting aan dat hij kan instemmen met een BOR bij de Mutsaersstichting. Vader wil graag betrokken worden in het leven van [minderjarige] . Hij zal aan alle stappen binnen het traject meewerken om een goed contact te krijgen met [minderjarige] .
De beschuldigingen vanuit moeder jegens vader zijn onterecht en worden niet door moeder onderbouwd. Dat moeder nu plotsklaps instort is alleen maar toneelspel. Daarbij heeft moeder meer dan een jaar gewacht om hulp in te schakelen voor haar psychische klachten. Bovendien blijkt het behandeltraject van moeder een kortlopend traject te zijn. Het opstarten van een BOR traject zal veel meer tijd in beslag nemen. Nu er geen contra-indicaties zijn voor omgang is het noodzakelijk dat de BOR zo snel mogelijk wordt opgestart.
Ten slotte voert vader aan dat hij kan aansluiten bij het besluit van de raad om alsnog aanvullend onderzoek te doen naar een kinderbeschermingsmaatregel. Mocht die maatregel er komen, dan kan de GI meekijken en anticiperen welke hulp er nodig is voor [minderjarige] .
4. De verdere beoordeling
4.1.
Gelet op de inhoud van de gedingstukken -waarvan met name de rapportage van de raad voor de kinderbescherming- alsmede het verhandelde ter zitting overweegt de rechtbank als volgt.
De rechtbank stelt vast dat het hof bij beschikking van 25 april 2019 heeft bekrachtigd de beschikking van deze rechtbank van 21 juni 2018, waarin vervangende toestemming is verleend tot erkenning van [minderjarige] .
Zoals reeds in de beschikking van 14 augustus 2018 werd opgenomen heeft [minderjarige] op grond van artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW) recht op omgang met zijn beide ouders en heeft de (niet met gezag belaste) vader recht op en de verplichting tot omgang met [minderjarige] , tenzij de rechter van oordeel is dat die omgang aan de vader moet worden ontzegd.
Op grond van de raadsrapportage en het verhandelde ter zitting komt de rechtbank tot het oordeel dat op dit moment geen sprake is van één van de ontzeggingsgronden conform artikel 1:377a lid 3 BW.
De rechtbank overweegt verder dat in beginsel elke ouder recht heeft op omgang met zijn kind en vice versa. Voorts is van belang dat wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat het voor kinderen van groot belang is voor hun identiteitsontwikkeling dat zij contact (kunnen) hebben met hun beide ouders. Indien een kind geen contact heeft met een van zijn ouders kan dat zelfs schadelijk zijn voor zijn identiteitsontwikkeling.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat het voor [minderjarige] van belang is dat hij zijn vader leert kennen. Ook de raad concludeert dat het voor [minderjarige] en de vorming van zijn persoonlijkheid belangrijk is dat hij de vader leert kennen, zij het op een veilige en verantwoorde manier, zodat vader kan laten zien dat hij voorspelbaar en betrouwbaar kan zijn voor [minderjarige] .
Om contact tussen vader en [minderjarige] mogelijk te maken acht de rechtbank een omgangsregeling onder professionele begeleiding de beste optie. De rechtbank zal daarom – voorlopig althans - een begeleide omgangsregeling vastleggen zoals geadviseerd en daarin bepalen dat de contactmomenten tussen [minderjarige] en vader, zodra de BOR is gestart, onder professionele begeleiding van de Mutsaersstichting zullen plaatsvinden.
De rechtbank vindt het zeer zorgelijk dat moeder vanwege haar emotionele weerstand tegen vader niet onderkent dat [minderjarige] ook een vader nodig heeft. Moeder stelt daarmee haar eigen belang voorop en gaat voorbij aan een positieve identiteitsontwikkeling van [minderjarige] . Het feit dat de psychische klachten van moeder door de aanwezigheid van vader zijn verergerd en zelfs leiden tot een opname maakt dat niet anders. Daar komt bij dat [minderjarige] nog jong is en geen kwetsbaar of angstig kind dat in zijn ontwikkeling ernstige zorgsignalen afgeeft. Bovendien heeft vader uitdrukkelijk toegezegd dat hij zich coöperatief zal opstellen om omgang met [minderjarige] mogelijk te maken. De rechtbank ziet daarom geen belemmeringen om af te zien van omgang of om de omgang voor bepaalde tijd aan te houden om moeder de gelegenheid te geven aan zichzelf te werken en zich voor te bereiden op het omgangstraject. Deze visie wordt door de huisarts en de behandelaar van moeder bevestigd. De rechtbank acht het dan ook in het belang van [minderjarige] dat moeder deze kans aangrijpt en ondanks haar weerstand zal meewerken aan de BOR. De rechtbank verwacht verder van beide ouders dat zij onvoorwaardelijk zullen meewerken aan het BOR-traject en dat zij zich zullen inzetten voor het slagen van dit traject.
De rechtbank zal de raad reeds opdracht geven om, zodra de BOR is beëindigd, onderzoek te doen naar de mogelijkheden voor een definitieve omgangsregeling en de rechtbank daarover te adviseren. De definitieve beslissing over de omgangsregeling zal de rechtbank aanhouden in afwachting van de resultaten van de BOR en een nader advies van de raad.
5. De beslissing
De rechtbank:
5.1.
bepaalt dat de omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2017, voorlopig, totdat daar nader over wordt beslist, zal plaatsvinden onder professionele begeleiding van de Mutsaersstichting (BOR niveau 3), waarbij de invulling van de BOR wordt overgelaten aan de professionals;
5.2.
verzoekt de raad uiterlijk 1 maart 2020 (pro forma) de rapportage over het verloop van de BOR-3 bij de rechtbank in te dienen en tevens te rapporteren en adviseren over het verzoek van vader betreffende de omgangsregeling, waarna de rechtbank partijen zal informeren over het verdere verloop van de procedure;
5.3.
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.TH.M. Raab, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van S.C.J. Dullens-Servais, griffier, op 11 juni 2019. | ||
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch: a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak; b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden. | ||
Uitspraak 14‑08‑2018
Inhoudsindicatie
Onderzoek door Rvdk gelast
Partij(en)
Rechtbank Limburg
Familie en jeugd
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/252323 / FA RK 18-2588
Beschikking van 14 augustus 2018 betreffende een provisionele voorziening
in de zaak van:
[de man] ,
wonende te [woonplaats 1] , [adres 1] ,
hierna te noemen de man,
advocaat: mr. S.J.M.P. Hoppers;
tegen:
[de vrouw] ,
wonende te [woonplaats 2] , [adres 2] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat: mr. J.A.N. Lap.
1. Het verloop van de procedure
1.1.
Bij de rechtbank is een bodemprocedure met zaaknummer 244190 / FA RK 17-4892 aanhangig, waarbij aan de man toestemming is verleend tot erkenning van het kind van partijen en waarbij de beslissing omtrent het gezag, de omgang en een informatieplicht is aangehouden.
1.2.
Op 9 juli 2018 is ter griffie ingekomen een verzoekschrift van de man met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
De man heeft verzocht:
- -
primair: vaststelling van een omgangsregeling;
- -
subsidiair: vaststelling van een begeleide omgangsregeling onder leiding van AnaCare;
- -
meer subsidiair: een onderzoek door de raad voor de kinderbescherming.
1.3.
Op 6 augustus 2018 is ter griffie ingekomen een verweerschrift van de vrouw met het verzoek de man niet ontvankelijk te verklaren althans zijn verzoeken af te wijzen.
Voor zover er toch omgang zou moeten komen dan kan dat enkel onder begeleiding.
1.4.
Op 7 augustus 2018 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De griffier heeft van de inhoud daarvan aantekening gehouden.
Bij deze behandeling zijn verschenen:
- de man, bijgestaan door mr. Zanders;
- de vrouw, bijgestaan door mr. Lap;
- mevrouw [naam] , vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming.
2. De vaststellingen en overwegingen
2.1.
De verdeling van de zorg- en de opvoedingstaken.
2.1.1.
De man verzoekt een voorlopige voorziening te treffen aangaande de omgang.
De man voert aan dat de vrouw er alles aan doet om hem buiten het leven van [minderjarige] te houden. De man krijgt geen enkele informatie over [minderjarige] en hij heeft [minderjarige] nog nooit gezien. De vrouw doet er alles aan om de man het contact met [minderjarige] te ontzeggen, zij gaat zelfs zover dat zij de man valselijk beschuldigt van ernstige misdrijven.
In de bodemprocedure heeft de rechtbank de toestemming voor de erkenning uitgesproken maar alle overige beslissingen aangehouden, omdat de vrouw heeft aangegeven in hoger beroep te zullen gaan. Het gevolg is dat de man nog heel lang zal moeten wachten voordat er gestart kan worden met een omgangsregeling dan wel een onderzoek door de raad voor de kinderbescherming naar een omgangsregeling. [minderjarige] groeit op zonder zijn vader te kennen. De man acht dit niet in het belang van [minderjarige] . Het is van groot belang dat er met spoed gestart wordt met de opbouw van een omgang.
Voorts stelt de man zich op het standpunt dat hij, ondanks dat de erkenning nog niet formeel is vastgelegd, toch kan worden ontvangen in zijn verzoek. Doordat de man enkel en alleen door toedoen van de vrouw tot op heden niet de kans heeft gekregen om een nauwe persoonlijke betrekking tussen hem en [minderjarige] te doen ontwikkelen, is de man van mening dat er sprake is van family life in de zin van artikel 8 EVRM. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt namelijk dat het recht op toegang van de vader tot zijn kind een belangrijk deel van de identiteit en daarmee zijn private life kan betreffen. De nauwe banden waar de wet op duidt kunnen wel onder de bescherming van artikel 8 EVRM vallen.
Ter zitting heeft de man verweer gevoerd tegen het gestelde in het verweerschrift. De vrouw doet er alles aan om de zaak te rekken. Het kan niet van de man of [minderjarige] gevergd worden dat de uitkomst in de bodemprocedure afgewacht wordt. Het is niet aan de man te wijten dat er nog geen family life is. Op grond van private life heeft de man het recht om [minderjarige] te leren kennen. Mocht er nu niet gestart worden met omgang dan verzoekt de man om een raadsonderzoek. Daarbij kan ook gekeken worden naar de erkenning.
De man maakt zich ernstige zorgen over het welzijn van [minderjarige] bij de vrouw. De vrouw is labiel en zij heeft, mocht het fout gaan, niemand om op terug te vallen. Daarnaast handelt de vrouw niet in het belang van [minderjarige] doordat zij een deel van de identiteit van [minderjarige] ontkent. Er dient zo spoedig mogelijk gestart te worden met een raadsonderzoek, eventueel uit te breiden met een beschermingsonderzoek.
2.1.2.
De vrouw heeft het volgende gesteld:
In de bodemprocedure is onderhavig verzoek reeds aan de orde geweest en er is op dit verzoek beslist. Nu er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn gesteld, is de vrouw van mening dat de man niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn verzoek.
De vrouw heeft in het verleden, maar ook tijdens de relatie met de man en de periode na de bevalling, veel traumatische ervaringen gehad. Deze feiten en omstandigheden zijn in de bodemprocedure onvoldoende meegewogen en de vrouw is voornemens hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van de rechtbank.
De vrouw betwist dat er sprake is van family life in de zin van artikel 8 EVRM. De man heeft geen band met [minderjarige] , zodat artikel 8 EVRM niet van toepassing is. Er kan sprake zijn van family life tussen een kind en de biologische vader, maar dan moet er sprake zijn van bijkomende omstandigheden. Deze zijn in deze zaak gesteld noch gebleken. Er zijn zelfs contra indicaties om dit aan te nemen nu partijen geen voornemen hadden de relatie voort te zetten, de zwangerschap niet gepland was en door de man ook niet gewenst was, er al voor de geboorte van [minderjarige] geen contact meer tussen partijen was en de man heeft aangegeven niets met het kind te maken te willen hebben.
Voor zover de man ontvankelijk zou zijn, heeft de vrouw gesteld dat omgang in strijd is met de zwaarwegende belangen van [minderjarige] . Zij voert daartoe aan dat contact schadelijk is, al was het maar omdat het contact ook weer zal worden verbroken wanneer de erkenning toch niet tot stand komt. Daarnaast is de verstandhouding tussen partijen zodanig slecht dat er op dit moment geen rustige situatie kan worden gecreëerd. De met de omgang gepaard gaande spanningen zullen dermate negatief werken dat de kans klein is dat de man en [minderjarige] een band kunnen opbouwen die nodig is voor een goede omgang.
Ter zitting heeft de vrouw aangegeven dat zij nog geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de vervangende toestemming tot erkenning. De vrouw heeft zich inmiddels wel gewend tot een psycholoog en deze heeft geconstateerd dat de vrouw waarschijnlijk lijdt aan PTSS. Dat is op dit moment niet goed te behandelen, gelet op de druk waar de vrouw onder staat.
De vrouw is van mening dat deze procedure zich niet leent voor onderhavig verzoek. Er moet eerst duidelijkheid komen over de erkenning. De vrouw kan dan ook niet instemmen met een onderzoek door de raad voor de kinderbescherming op dit moment.
2.1.3.
De vertegenwoordiger van de raad voor de kinderbescherming is van mening dat er gronden zijn voor de raad om een onderzoek te starten. Bij beide ouders is sprake van een belaste voorgeschiedenis, hetgeen voor [minderjarige] in de toekomst zeker een rol zal gaan spelen. Het betreft een complexe situatie en de raad is dan ook terughoudend in het op voorhand starten met contacten tussen de man en [minderjarige] . Eerst zal er gedegen onderzoek moeten worden gedaan naar wat in het belang van [minderjarige] is.
2.1.4.
Ingevolge artikel 223, eerste lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan tijdens een aanhangig geding iedere partij vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Een voorlopige voorziening als hier bedoeld kan pas worden gevorderd indien en nadat de bodemprocedure aanhangig is gemaakt, terwijl de incidentele vordering moet samenhangen met de vordering in de hoofdzaak.
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de onderhavige incidentele vordering aan deze criteria wordt voldaan, zodat de man ontvankelijk is in zijn vordering.
Bij de beantwoording van de vraag of plaats is voor toewijzing van het verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] in het kader van een voorlopige voorziening als bedoeld in het eerste lid van artikel 223 Rv dient de rechter allereerst te onderzoeken of een voldoende belang bij het treffen van een voorlopige voorziening bestaat. Van een voldoende belang bij toewijzing van een dergelijk verzoek is sprake indien van de verzoekende partij niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de bodemprocedure afwacht. De rechter dient daarbij de belangen van alle betrokkenen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.
De man heeft gesteld dat het van belang is dat er, gelet op de leeftijd van [minderjarige] , zo snel mogelijk gestart wordt met omgang. [minderjarige] is inmiddels ruim zeven maanden en heeft zijn vader nog nooit gezien. Mocht de vrouw hoger beroep aantekenen tegen de beslissing van de rechtbank betreffende de erkenning, dan zal het nog maanden duren eer er zal worden geoordeeld over het verzoek tot omgang. De rechtbank is van oordeel dat de man, van wie vaststaat dat hij de biologische vader van [minderjarige] is, voldoende belang heeft bij zijn verzoek en dat niet kan worden gevergd dat de beslissing in hoger beroep wordt afgewacht. Gebleken is immers dat de vrouw nog steeds geen hoger beroep heeft ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank van 21 juni 2018.
Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of de man kan worden ontvangen in zijn verzoek tot omgang.
Ingevolge artikel 1:377a van het Burgerlijk Wetboek (BW ) stelt de rechter op verzoek van degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
Voor het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking is het bestaan van een familierechterlijke verwantschap, het biologische vaderschap in deze, niet voldoende. Er dienen bijkomende omstandigheden te worden gesteld.
Artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) bepaalt dat een ieder recht heeft op eerbiediging van zijn privéleven en familie- en gezinsleven (‘private and family life’) en dat inmenging daarin van enig openbaar gezag slechts is toegestaan voor zover dat bij de wet is voorzien en noodzakelijk is in een democratische samenleving.
In onderhavige procedure staat onbetwist vast dat er tussen de man en [minderjarige] geen sprake is van family life in de zin van artikel 8 EVRM. De samenwoning van partijen was reeds ruim voor de geboorte van [minderjarige] beëindigd. De man heeft na de geboorte nooit voor [minderjarige] gezorgd; hij heeft hem zelfs nog nooit gezien.
Uit jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM), (Schneider/Duitsland, EHRM 15 september 2011, 17080/07) volgt dat de vaststelling van de juridische betrekkingen tussen de biologische vader en het kind en daarmee de vraag of de biologische vader het recht heeft tot toegang tot het kind, een belangrijk deel kan betreffen van de identiteit van de vader en daarmee van zijn ‘private life’.
Nauwe banden (‘close relationships’) kunnen volgens het EHRM in gevallen waarin het bestaan van ‘family life’ niet kan worden aangenomen, wèl binnen de reikwijdte van het privéleven (‘private life’) van de biologische vader vallen en aldus eveneens onder de bescherming van artikel 8 EVRM. De beslissing om een biologische vader op voorhand te weigeren contact te hebben met zijn kind en hem derhalve niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling, betekent in dat geval een inmenging in zijn recht op ‘private life’. Ter beantwoording van de vraag of deze inmenging noodzakelijk is in een democratische samenleving, dient een inhoudelijke belangenafweging te worden gemaakt waarin alle betrokken belangen, waaronder het belang van het kind als voornaamste, dienen te worden meegewogen.
Een niet-ontvankelijkverklaring zonder inhoudelijke belangenafweging van het verzoek tot omgang kan in strijd zijn met het in artikel 8 EVRM beschermde recht op privéleven.
Aan de ontvankelijkheid van een biologische vader in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling dienen wel eisen te worden gesteld. Immers, voor het slagen van een beroep op de bescherming van privéleven ex artikel 8 EVRM is het enkele feit dat de man de biologische vader is, niet voldoende.
Er dient sprake te zijn van bijkomende feiten of omstandigheden die maken dat het contact met en toegang tot het kind een belangrijk deel betreffen van de identiteit van de biologische vader en daarmee van zijn privéleven.
De rechtbank is van oordeel dat hiervan in het onderhavige geval sprake is. De rechtbank neemt hierbij het volgende in aanmerking.
Uit de stukken en het gestelde ter zitting is gebleken dat, hoewel de man in eerste instantie niet blij was met de (ongeplande) zwangerschap, hij – nadat hij psychische hulp heeft gezocht – heeft getracht om in contact te komen met de vrouw en [minderjarige] . Nadat de vrouw de man het contact met [minderjarige] ontzegd heeft, heeft de man al twee procedures aanhangig gemaakt om te komen tot contact met [minderjarige] . De rechtbank is van oordeel dat genoegzaam is komen vast te staan dat de man een oprechte intentie heeft om een rol in het leven van [minderjarige] te willen spelen. De man is derhalve ontvankelijk in zijn verzoek.
De rechtbank acht het, gelet op de slechte verstandhouding tussen partijen en de opstelling van de vrouw, wat daar ook de oorzaak van is, wenselijk dat de raad voor de kinderbescherming rapport en advies uitbrengt omtrent een omgangsregeling.
Nu de rechtbank reeds heeft beslist op het verzoek tot vervangende toestemming tot erkenning is het niet meer mogelijk om in het kader van deze procedure de raad voor de kinderbescherming te verzoeken om onderzoek te doen naar de erkenning zoals door de man ter zitting is verzocht. De rechtbank wijst dat verzoek dan ook af.
3. De beslissing
De rechtbank:
3.1.
verzoekt de raad voor de kinderbescherming uiterlijk op 13 maart 2019 rapport en advies uit te brengen omtrent de omgangsregelingonderwerp onderzoek , waarna de rechtbank partijen zal informeren over de verdere voortgang van de procedure.
3.2.
houdt aan de beslissing omtrent de (begeleide) omgangsregeling;
3.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.TH.M. Raab, kinderrechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.D. Bücker, griffier op 14 augustus 2018. | ||
Tegen deze uitspraak staat voor partijen geen hogere voorziening open. | ||
Uitspraak 21‑06‑2018
Inhoudsindicatie
Vervangende toestemming voor erkenning verleend
Partij(en)
Rechtbank Limburg
Familie en jeugd
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/244190 / FA RK 17-4892
Beschikking van 21 juni 2018
in de zaak van:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats 1] , [adres 1] ,
hierna te noemen verzoeker,
advocaat: mr. S.J.M.P. Hoppers;
tegen:
[verweerster] ,
wonende te [woonplaats 2] , [adres 2] ,
hierna te noemen verweerster,
advocaat: mr. J.A.N. Lap.
Betreffende de minderjarige [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2017.
1. Het verdere verloop van de procedure
1.1.
Dit blijkt uit het volgende:
- het verweerschrift van de moeder, binnengekomen op 16 januari 2018;
- de uitspraak van de rechtbank van 24januari 2018 waarbij een bijzondere curator is benoemd;
- het op 7 maart 2018 binnengekomen verslag van de bijzondere curator;
- de mondelinge behandeling, welke heeft plaatsgevonden op 24 april 2018 en bij welke behandeling zijn verschenen:- verzoeker, bijgestaan door mr. S.J.M.P. Hoppers;- de moeder, bijgestaan door rnr. J.A.N. Lap;- mevrouw [naam 1] , vertegenwoordigster van de raad voor de kinderbescherming;- [naam 2] , bijzondere curator;
- de advocaat van de moeder heeft ter zitting een pleitnota overgelegd;
- het aanvullend verslag d.d. 8 mei 2018 van de bijzondere curator;
- de brief d.d. 18 mei 2018 van de advocaat van de moeder, met bijlagen;
- het faxbericht d.d. 22 mei 2018 van de advocaat van verzoeker.
2. Het verzoek
2.1.
Het verzoek houdt in dat de rechtbank, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij
voorraad, zal bepalen:
- 1.
dat aan verzoeker vervangende toestemming zal worden verleend om namens de moederde minderjarige [minderjarige] te erkennen;
- 2.
dat tussen verzoeker en [minderjarige] omgang zal plaatsvinden gedurende een tweetal dagen per week (voor drie uurtjes per keer), welke regeling na verloop van tijd verder uitgebreid zal worden naar uiteindelijk een weekend per veertien dagen, dan wel een andere regeling die de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;
- 3.
dat nadat de erkenning heeft plaatsgevonden beide partijen worden belast met het gezag over de minderjarige [minderjarige] ;
- 4.
dat nadat de erkenning heeft plaatsgevonden de moeder verzoeker iedere maand zal dienen te informeren omtrent het welzijn van [minderjarige] , zulks onder toezending van een recente foto.
2.2.
Verzoeker heeft, kort samengevat, het volgende gesteld:
De moeder heeft tot op heden geen enkele inhoudelijke reden opgegeven waarom verzoeker zijn zoon niet zou mogen erkennen. Volgens verzoeker is daarvoor ook geen enkele inhoudelijke reden te bedenken. Verzoeker is de vader en zowel het kind als verzoeker hebben aanspraak op dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Verzoeker wenst onderdeel uit te maken van het leven van zijn zoon, zodat hij weet wie zijn vader is en waarbij zij samen een band kunnen opbouwen.
3. Het verweerschrift
3.1.
De moeder concludeert primair tot afwijzing van de verzoeken van verzoeker en subsidiair tot het gelasten van een onderzoek door de raad voor de kinderbescherming naar de vraag of:
- -
vervangende toestemming voor erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind schaadt of een evenwichtige sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van het kind in het gedrag komt;
- -
gezamenlijk gezag in het belang van [minderjarige] is en of er grond is te vrezen dat [minderjarige] klem raakt tussen verzoeker en de moeder;
- -
een omgangsregeling c.q zorg- en contactregeling tussen verzoeker en [minderjarige] tot de mogelijkheden behoort en niet in strijd is met het belang van [minderjarige] .
3.2.
De moeder heeft gesteld dat verzoeker onvoorspelbaar is en dat verzoeker haar op straat heeft gezet. De moeder heeft er geen vertrouwen in dat verzoeker dergelijke gedrag niet ook bij een kind zal vertonen. Erkenning zou de rol van verzoeker groter maken met de mogelijkheid van een nog grotere rol door gezag voor verzoeker en omgang tussen verzoeker en [minderjarige] in de toekomst. De moeder heeft hiervan veel stress en de verhouding tussen haar en [minderjarige] zal hierdoor onder druk komen te staan. Daarnaast heeft de moeder op grond van haar ervaringen met verzoeker in het verleden grote zorgen over de sociaalpsychologische en emotionele ontwikkeling van [minderjarige] als hij in contact zou komen met verzoeker. Ter zitting heeft de moeder gesteld dat zij tijdens de relatie door verzoeker zou zijn mishandeld en verkracht. De belangen van [minderjarige] verzetten zich dan ook tegen erkenning.
4. Het (aanvullend) verslag van de bijzondere curator
4.1.
De bijzondere curator concludeert tot toewijzing van het verzoek tot vervangende
toestemming.
Uit het verslag blijkt dat er volgens de moeder en verzoeker geen twijfel over bestaat dat
verzoeker de biologische vader is van [minderjarige] . De moeder heeft in het gesprek aangegeven vooral emotionele bezwaren te hebben tegen de erkenning. Het is voor haar moeilijk te verteren dat verzoeker eerst niets van het kind wilde weten en haar vervolgens zelfs tot abortus heeft willen dwingen en nu kennelijk een rol wil spelen in het leven van [minderjarige] .
Daaraan heeft zij nog toegevoegd dat zij ook psychische bezwaren heeft, inhoudende dat zij vreest dat verzoeker zijn recht komt halen en geweld gaat gebruiken. De moeder stelt dat verzoeker in de relatie veelvuldig geweld heeft gebruikt. De moeder geeft aan dat zij door verzoeker tijdens de relatie zou zijn mishandeld en verkracht. Zij heeft hiervan nooit aangifte gedaan en er zijn ook geen medische verklaringen/rapportages waaruit afgeleid kan worden dat er sprake was van geweld en verkrachting. Verzoeker wijst de beschuldigingen van de moeder over (seksueel) geweld af.
De moeder heeft op de zitting van 24 april 2018 voor het eerst aangegeven dat zij seksueel misbruikt zou zijn door haar moeder. Zij zou hiervoor een behandeltraject hebben doorlopen dat op enig moment is afgesloten. Of er aangifte is gedaan tegen de moeder van de moeder is door de moeder niet vermeld. Ook zijn er geen stukken ingebracht waaruit blijkt van het behandeltraject door de psycholoog en/of rapportages van de raad voor de kinderbescherming.
De bezwaren van de moeder tegen de erkenning worden volgens de bijzonder curator grotendeels ingegeven door de beëindiging van de relatie en de wijze waarop dit is gebeurd.
Met de professionele hulp die de moeder nu heeft gezocht, zal de moeder met deze emotionele bezwaren moeten leren omgaan. Het gebrek aan vertrouwen en de vrees voor de onveiligheid van [minderjarige] bij verzoeker zal aan de orde kunnen komen in een hulpverleningstraject aan beide ouders, bijvoorbeeld bij de Mutsaersstichting.
Het is niet gebleken dat er aanwijzingen zijn dat de psychische toestand van de moeder door de erkenning zodanig zou worden ontwricht dat er sprake is van een situatie waarin zij niet meer in staat is om [minderjarige] adequaat te kunnen opvoeden. Ook is niet gebleken dat de erkenning tot gevolg zou hebben dat de ontwikkeling van [minderjarige] zou worden belemmerd.
[minderjarige] heeft het recht om te weten van wie hij afstamt, een goede identiteitsontwikkeling door te maken en een band met zijn biologische vader in stand te houden. Het is voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] van groot belang dat de biologische werkelijkheid juridisch wordt geformaliseerd.
5. De reactie van partijen op het aanvullend verslag van de bijzondere curator
5.1.
De moeder heeft gesteld dat bij het begin van de zwangerschap de aanstaande moeder bevraagd wordt over haar medische en psychische verleden. Zij heeft bij die gelegenheid verklaard en de verloskundige heeft daarover het volgende op de overgelegde zwangerschapskaart genoteerd: “Psych problemen 2012 2014 2012 2014 ivm PTSs na NSE en huiselijk geweld. Hierdoor traumaverwerking en EMDR”. NSE staat voor negatieve seksuele ervaring. Hieruit blijkt dat de moeder al lang voordat de procedure betreffende erkenning aan de orde was al verteld heeft over haar negatieve seksuele ervaringen en huiselijk geweld. Er is dus geen reden om aan de waarheid van deze verklaringen te twijfelen. De bijzonder curator geeft aan dat er nooit aangifte is gedaan van geweld en verkrachting en dat er ook geen medische verklaringen zijn. Het hoeft geen betoog dat de feiten waar het hier om gaat zeer gevoelig liggen en de ervaring leert dat de slachtoffers hier moeilijk over kunnen praten. Het feit dat er geen aangifte is gedaan en er geen medische verklaringen zijn wil dan ook niet zeggen dat deze feiten zonder meer kunnen worden gepasseerd. De moeder acht het onbegrijpelijk dat de bijzonder curator oordeelt dat erkenning in het belang van [minderjarige] is, zonder dat alle van belang zijnde feiten voldoende bekend zijn.
Indien en voor zover de rechter in hoogste instantie beslist dat vervangende toestemming
wordt verleend dan zal zij zich daarbij neerleggen en proberen om zo goed mogelijk invulling te geven aan de omstandigheden zoals die dan zijn. Mocht de vervangende toestemming verleend worden dan verzoekt de moeder de uitvoerbaarheid bij voorraad af te wijzen en geen verdere beslissingen te nemen over de overige verzoeken totdat in een eventueel hoger beroep is beslist over de erkenning.
5.2.
Verzoeker heeft gesteld dat hij zich kan verenigen met de inhoud van het (aanvullend) rapport van de bijzonder curator.
6. Het oordeel
Vervangende toestemming erkenning
6.1.
Voor vervangende toestemming van erkenning door de rechtbank is ingevolge artikel 1:204 lid 3 BW nodig:
dat verzoeker de verwekker van het kind is;
dat de erkenning de belangen van het kind niet zou schaden;
dat de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind
niet zou schaden.
6.2.
Indien aan deze voorwaarden is voldaan, dient naar het oordeel van de rechtbank de verzochte vervangende toestemming te worden verleend.
6.3.
Vaststaat dat verzoeker de verwekker van het kind is, waarmee aan de eerste voorwaarde is voldaan.
6.4.
De rechtbank overweegt dat bij de beoordeling of de erkenning de belangen van het kind zal schaden en of door de erkenning de belangen van de moeder bij een ongestoorde verhouding met het kind worden geschaad, de belangen van alle betrokkenen in aanmerking dienen te worden genomen. Uitgangspunt is dat zowel het kind als de verwekker er aanspraak op heeft dat hun relatie in rechte wordt erkend als een familierechtelijke betrekking, tenzij zwaarwegende belangen zich daartegen verzetten.
De moeder heeft er belang bij dat zij een ongestoorde relatie met haar kind kan hebben.
Emotionele weerstand van de moeder is op zich zelf onvoldoende om de vervangende toestemming tot erkenning te weigeren. Van schade aan de belangen van het kind is sprake indien er ten gevolge van de erkenning door verzoeker voor het kind reële risico’s zijn dat het wordt belemmerd in een evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling. Dit zou mogelijk kunnen zijn wanneer de moeder ten gevolge van de erkenning in een zodanig onevenwichtige psychische toestand komt te verkeren dat zij niet in staat moet worden geacht het kind het stabiele opvoedingsklimaat te bieden dat hij nodig heeft. Het enkele feit dat het kind van de erkenning (enige) weerslag kan ondervinden in het gezinsleven met de moeder, kan niet worden aanvaard als zodanige schade aan de belangen van het kind dat dat aan erkenning in de weg staat.
De rechtbank is van oordeel dat aan de mededeling van de moeder, dat zij tijdens de relatie door verzoeker is mishandeld en verkracht, niet de waarde kan worden toegekend die de moeder daaraan toegekend wenst te zien, niet de vader deze feiten heeft ontkend en de moeder nooit aangifte heeft gedaan tegen de vader en er ook geen medische
verklaringen/rapportages zijn overgelegd waaruit dit kan worden afgeleid. De rechtbank kan enkel vaststellen dat de moeder emotionele weerstand heeft tegen de erkenning van [minderjarige] door verzoeker. Zowel uit het verslag d.d. 6 maart 2018 als uit het aanvullend verslag d.d. 8 mei 2018 van de bijzonder curator blijkt dat de moeder vooral heel veel moeite heeft met de vader als ex partner en dat zij erkenning wenst voor het leed dat hij haar heeft aangedaan. Zij is vooral ook bang voor de rol die de vader in het leven van [minderjarige] wenst te spelen. Dat de moeder emotionele weerstand heeft tegen de erkenning acht de rechtbank begrijpelijk, nu de relatie tussen partijen op stormachtige wijze is verlopen en de onverwachte zwangerschap van de moeder op zowel de vader als de moeder een enorme impact heeft gehad. Beiden hebben een belast verleden. Het is dan ook goed dat beiden inmiddels professionele hulp hebben gezocht. Vooralsnog is niet gebleken dat de moeder met professionele hulp haar weerstand en negatieve gevoelens ten opzichte van de vader niet zodanig zou kunnen beheersen dat [minderjarige] daarvan geen nadelige gevolgen ondervindt.
Ter zitting is ook niet aan de orde aan geweest dat het momenteel niet goed gaat met [minderjarige] , die overigens nog maar 7 maanden oud is. Dat blijkt ook niet uit het verslag van de bijzonder curator. Met andere woorden: van een reëel risico dat [minderjarige] door de erkenning wordt belemmerd in een evenwichtige sociaal-psychologische en emotionele ontwikkeling is niet gebleken.
De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat de bijzondere curator, als belangenbehartiger van het kind, zich achter het verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning van het kind heeft geschaard.
6.5.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de verzochte toestemming dient te worden verleend. Het verzoek van verzoeker om aan hem vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige] zal de rechtbank dan ook toewijzen.
De rechtbank overweegt dat met betrekking tot het verzoek van de vader hem samen met de moeder met het gezamenlijk gezag over [minderjarige] te belasten en een omgangsregeling vast te stellen een onderzoek door de Raad gewenst is zodat de raad hierover advies kan uitbrengen.
De rechtbank zal, nu de moeder heeft aangekondigd tegen de beslissing van de rechtbank hoger beroep te zullen instellen, iedere verdere beslissing aanhouden voor de duur van een halfjaar in afwachting van de beslissing in hoger beroep. Indien de moeder besluit af te zien van voornoemd rechtsmiddel dient zij de rechtbank daarover te informeren zodat de rechtbank de Raad kan verzoeken onderzoek te doen zoals hiervoor omschreven. Een beslissing over de uitvoerbaarheid bij voorraad is niet aan de orde nu de aard van de procedure zich hiertegen verzet.
7. De beslissing
De rechtbank:
7.1.
verleent aan verzoeker toestemming tot erkenning van de minderjarige
[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2017.
7.2.
houdt iedere verdere beslissing aan tot 19 december 2018 (pro forma).
Deze beschikking is gegeven door mr. W.TH.M. Raab, plaatsvervangend kinderrechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van H.V.M. Smeets, griffier op 21 juni 2018. | ||
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch: a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak; b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden. | ||