NJB 2026/310:Uitleveringsprocedure en specialiteitsbeginsel art. 15 lid 1 Uitleveringsverdrag Nederland-Verenigde Staten: de beantwoording van de vraag of de verzochte uitlevering moet afstuiten op wat namens de opgeëiste persoon is aangevoerd over de dreigende berechting of bestraffing voor andere feiten dan waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, komt in beginsel niet toe aan de rechter die op grond van de Uitleveringswet oordeelt over de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering. Wel kan deze rechter zijn oordeel hierover tot uitdrukking te brengen in het advies dat hij op grond van art. 30 lid 2 van de Uitleveringswet uitbrengt aan de Minister van Justitie en Veiligheid. Het vorenstaande kan slechts anders zijn als naar aanleiding van een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek op de zitting voldoende onderbouwd verweer komt vast te staan dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op door art. 6 lid 1 EVRM en/of 14 lid 1 IVBPR gewaarborgde rechten, en na zijn uitlevering voor hem met betrekking tot die inbreuk niet een rechtsmiddel openstaat als bedoeld in art. 13 EVRM resp. 2 lid 3, aanhef en onder a, IVBPR. In casu kon de rechtbank het specialiteitsverweer verwerpen, mede in aanmerking genomen dat uit wat de raadsman heeft aangevoerd niet kan blijken dat voornoemde situatie zich voordoet.