De rechtbank heeft de in het uitleveringsverzoek omschreven feiten naar Nederlands recht gekwalificeerd als:“1. artikel 47 jo. artikel 138ab van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), te weten medeplegen van computervredebreuk, welk feit wordt bedreigd met een vrijheidsbenemende straf van ten hoogste twee jaren;2. artikel 47 jo. artikel 326 Sr, te weten medeplegen van oplichting, welk feit wordt bedreigd met een vrijheidsbenemende straf van ten hoogste vierjaren;3. artikel 47 jo. 420bis Sr, te weten medeplegen van witwassen, welk feit wordt bedreigd met een vrijheidsbenemende straf van ten hoogste zes jaren;4. artikel 231 Sr, te weten een aan hem of een ander verstrekt reisdocument ter beschikking stellen van een derde, met het oogmerk het door deze te doen gebruiken als ware het aan hem verstrekt, welk feit wordt bedreigd met een vrijheidsbenemende straf van ten hoogste zes jaren.”
HR, 27-01-2026, nr. 25/03473
ECLI:NL:HR:2026:116
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27-01-2026
- Zaaknummer
25/03473
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:116, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑01‑2026; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1301
ECLI:NL:PHR:2025:1301, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 16‑12‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:116
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2026-0029
Uitspraak 27‑01‑2026
Inhoudsindicatie
Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Mexicaanse nationaliteit) naar Verenigde Staten t.z.v. verdenking van medeplegen computervredebreuk, medeplegen oplichting, medeplegen witwassen en het ter beschikking stellen van reisdocument aan ander. Specialiteitsbeginsel, art. 15.1 Uitleveringsverdrag Nederland-Verenigde Staten. Verweer dat opgeëiste persoon mogelijk zal worden vervolgd voor andere strafbare feiten dan die in uitleveringsverzoek zijn opgenomen. Art. 15.1 Uitleveringsverdrag Nederland-Verenigde Staten houdt in dat krachtens dit Verdrag uitgeleverde persoon op grondgebied van verzoekende Staat niet mag worden berecht of gestraft voor ander feit dan feit waarvoor uitlevering werd toegestaan. Beantwoording van vraag of verzochte uitlevering moet afstuiten op wat namens opgeëiste persoon is aangevoerd over dreigende berechting of bestraffing voor andere feiten dan waarvoor uitlevering toelaatbaar is verklaard, komt in beginsel niet toe aan rechter die o.g.v. Uitleveringswet oordeelt over toelaatbaarheid van gevraagde uitlevering. Dat doet niet af aan bevoegdheid van deze rechter om zijn oordeel hierover tot uitdrukking te brengen in advies dat hij o.g.v. art. 30.2 Uitleveringswet uitbrengt aan minister. Voorgaande kan slechts anders zijn als naar aanleiding van een bij behandeling van uitleveringsverzoek op zitting voldoende onderbouwd verweer komt vast te staan dat opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan risico van flagrante inbreuk op door art. 6.1 EVRM en/of art. 14.1 IVBPR gewaarborgde rechten en na zijn uitlevering voor hem m.b.t. die inbreuk niet rechtsmiddel a.b.i. art. 13 EVRM resp. art. 2.3.1 IVBPR openstaat (vgl. HR:2000:ZD1791 en HR:2017:463). Verwerping door Rb van verweer getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is (mede in aanmerking genomen dat uit wat raadsman heeft aangevoerd, niet kan blijken dat zich hiervoor genoemde situatie voordoet) toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/03473 U
Datum 27 januari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 juli 2025, nummer UTL-I-2025000795, op verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering
van
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Mexico) op [geboortedatum] 1986,
hierna: de opgeëiste persoon.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft de advocaat J.W. Ebbink bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2. Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de toelaatbaarverklaring van de uitlevering van de opgeëiste persoon en klaagt over de verwerping van het verweer dat, kort gezegd, de opgeëiste persoon mogelijk zal worden vervolgd voor andere strafbare feiten dan die in het uitleveringsverzoek zijn opgenomen.
2.2.1
De rechtbank heeft de uitlevering van de opgeëiste persoon toelaatbaar verklaard “ter strafvervolging ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals omschreven in het Affidavit van 3 februari 2025”. De inhoud van deze Affidavit is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.5.
2.2.2
Volgens het proces-verbaal van de behandeling van het uitleveringsverzoek heeft de raadsman van de opgeëiste persoon daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt onder meer in:
“Uit de Request for the Provisonal Arrest van het U.S. Department of Justice van 7 januari 2025 blijkt dat er in Florida een strafrechtelijk onderzoek tegen cliënt loopt terzake van het gezamenlijk plegen van tele-fraude en mail-fraude; het gezamenlijk beschadigen van een beveiligde computer; het gezamenlijk witwassen en het gezamenlijk overdragen van valse identiteitsdocumenten.
Er is een onderliggend bevel tot arrestatie van de [rechter] d.d. 7 januari 2025.
In genoemd Request wordt de aanhouding verzocht ten behoeve van de uitlevering alsmede de inbeslagname van laptops, telefoons en andere elektronische apparaten die cliënt bij zich zou hebben.
Onder cliënt is door het IRC Noord-Holland inderdaad een Iphone, zwarte e-reader en een Apple laptop in beslaggenomen.
Hiernaast is door de autoriteiten van de VS verzocht alle mogelijke andere goederen in beslag te nemen die als bewijs gebruikt kunnen worden ten aanzien van de thans verweten feiten alsmede goederen die als bewijs kunnen dienen voor andere strafbare feiten.
Deze zijn ook door Justitie in beslag genomen waaronder:
kaarten, Visa cards (blauw en zwart), gegevens van Belastingaangiften en een formulier voor tijdelijke verblijfsvergunning.
De verdediging stelt reeds hier vast dat het verzoek van de VS een verzoek is dat niet is beperkt tot de thans verweten feiten, maar dat het mogelijk is dat cliënt, bij uitlevering naar de VS, in de VS geconfronteerd gaat worden met andere thans niet bekend gemaakte strafbare feiten.
In de laatste alinea van pagina 1 van het Request staat immers:
‘The United States makes this evidentiairy request in order to further the investigation of both [opgeëiste persoon] and the criminal conspiracy with which he is associated.’
Dit dient te leiden tot het ontoelaatbaar verklaren van het verzoek tot uitlevering. Immers uw Rechtbank moet weten om welke feiten het gaat en ook welke straffen voor deze feiten opgelegd kunnen worden.
Dit weet U nu niet. Ik wijs U er op dat in Florida nog steeds de doodstraf geldt voor bepaalde misdrijven en dat deze middels een zeer inhumane dodelijke injectie wordt uitgevoerd. Het behoort thans tot de mogelijkheden dat cliënt bij uitlevering naar de VS, in de VS pas wordt geconfronteerd met andere feiten die tot een dergelijke vreselijke straf zouden kunnen leiden. Hierover dient minimaal zekerheid te worden verkregen en indien deze zekerheid niet door de VS kan of wil worden gegeven, zal de uitlevering naar de VS ontoelaatbaar moeten worden verklaard.”
2.2.3
De rechtbank heeft dit verweer als volgt verworpen:
“Voor zover de raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon in de VS mogelijk nog voor andere feiten zal worden vervolgd, waarbij zelfs het opleggen van de doodstraf niet kan worden uitgesloten, wijst de rechtbank op het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van het Verdrag waarin het volgende is bepaald: ‘De krachtens dit Verdrag uitgeleverde persoon wordt niet in hechtenis gesteld, berecht of gestraft op het grondgebied van de verzoekende Staat ter zake van een ander feit dan datgene waarvoor uitlevering werd toegestaan.’”
2.3.1
Artikel 15 lid 1 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika houdt onder meer in dat de krachtens dit Verdrag uitgeleverde persoon op het grondgebied van de verzoekende Staat niet mag worden berecht of gestraft voor een ander feit dan het feit waarvoor uitlevering werd toegestaan.
2.3.2
De beantwoording van de vraag of de verzochte uitlevering moet afstuiten op wat namens de opgeëiste persoon is aangevoerd over de dreigende berechting of bestraffing voor andere feiten dan waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, komt in beginsel niet toe aan de rechter die op grond van de Uitleveringswet oordeelt over de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering. Dat doet niet af aan de bevoegdheid van deze rechter om zijn oordeel hierover tot uitdrukking te brengen in het advies dat hij op grond van artikel 30 lid 2 van de Uitleveringswet uitbrengt aan de minister van Justitie en Veiligheid.
2.3.3
Het vorenstaande kan slechts anders zijn als naar aanleiding van een bij de behandeling van het uitleveringsverzoek op de zitting voldoende onderbouwd verweer komt vast te staan dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zal worden blootgesteld aan het risico van een flagrante inbreuk op door artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) en/of artikel 14 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) gewaarborgde rechten, en na zijn uitlevering voor hem met betrekking tot die inbreuk niet een rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM respectievelijk artikel 2 lid 3, aanhef en onder a, IVBPR openstaat.
(Vgl. HR 28 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1791, rechtsoverweging 3.3-3.5 en HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, rechtsoverweging 3.5 en 3.6, onder B.)
2.4
De verwerping door de rechtbank van het onder 2.2.2 weergegeven verweer getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is – mede in aanmerking genomen dat uit wat de raadsman heeft aangevoerd, niet kan blijken dat zich de onder 2.3.3 genoemde situatie voordoet – toereikend gemotiveerd.
3. Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2026.
Conclusie 16‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Vervolgingsuitlevering aan VS. Twee middelen. M1: specialiteitsbeginsel. Middel klaagt over de verwerping van het verweer dat de VS de o.p. mogelijk ook voor andere feiten zal vervolgen. M2: genoegzaamheid van de stukken. Middel klaagt dat de rechtbank ten onrechte geen acht heeft geslagen op inhoudelijke verschillen tussen het voorlopig aanhoudingsverzoek en het uitleveringsverzoek. Beide middelen falen volgens de AG (81 RO). Conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/03473 U
Zitting 16 december 2025
CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[opgeëiste persoon] ,
geboren in [geboorteplaats] (Mexico) op [geboortedatum] 1986,
hierna: de opgeëiste persoon
1. Inleiding
1.1
De rechtbank Noord-Holland, zittingsplaats Haarlem (parketnr. 15-013735-25) heeft bij uitspraak van 17 juli 2025 de uitlevering van de opgeëiste persoon aan de Verenigde Staten van Amerika (hierna: de VS) toelaatbaar verklaard “ter strafvervolging ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de feiten zoals omschreven in het Affidavit van 3 februari 2025” (zie daarvoor nader hieronder in randnummer 2.4).
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de opgeëiste persoon. J.W. Ebbink, advocaat in Haarlem, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
2. De zaak
2.1
De opgeëiste persoon wordt er door de Amerikaanse autoriteiten van verdacht samen met anderen te hebben samengezworen om (kort gezegd) Amerikaanse bedrijven op te lichten door onder valse voorwendselen op afstand voor deze bedrijven als IT-medewerker werkzaamheden te verrichten om opbrengsten te genereren voor de Democratische Volksrepubliek Korea (hierna: Noord-Korea). De opgeëiste persoon zou in dat kader zijn identiteitsgegevens en bankrekening ter beschikking hebben gesteld.
2.2
Op 10 januari 2025 is de opgeëiste persoon op Schiphol aangehouden naar aanleiding van een voorlopig aanhoudingsverzoek (“Request for the Provisional Arrest”) van de VS van 7 januari 2025, dat onder meer inhoudt (met weglating van voetnoten):
“Pursuant to Article 11 of the Annex to the 2004 U.S.-Netherlands Extradition Agreement, the United States requests the provisional arrest of [opgeëiste persoon] (“ [opgeëiste persoon] ”) in the Netherlands in furtherance of [opgeëiste persoon] ’s extradition. The United States also requests that any items in [opgeëiste persoon] ’s possession at the time of his arrest that may serve as evidence of the offenses be seized and surrendered at the time of extradition, pursuant to Article 17 of the Annex. This includes but is not limited to any computers, laptops, mobile phones, or other electronic devices. The United States is also submitting a mutual legal assistance request, under separate cover, for the seizure and prompt surrender to U.S. authorities of items on [opgeëiste persoon] ’s person at the time of his arrest, which may serve as evidence of the charged offenses or other offenses. If those items cannot be surrendered during the pendency of the extradition proceedings, the United States requests that such items be surrendered at the time of extradition pursuant to Article 17 of the Annex The United States makes this evidentiary request in order to further the investigation of both [opgeëiste persoon] and the criminal conspiracy with which he is associated.
(…)
Indictment and Arrest Warrant Information:
[opgeëiste persoon] is wanted to stand trial in U.S. District Court for the Southern District of Florida. [opgeëiste persoon] is the subject of a criminal complaint, Case Number 1:25-MJ-02023- [rechter] , filed on 7 January 2025, charging him with the following offenses:
- Conspiracy to Commit Wire Fraud and Mail Fraud in violation of Title 18, United States Code, Section 1349. The maximum sentence for this offense is twenty (20) years’ imprisonment, a fine, or both.
- Conspiracy to Damage a Protected Computer in violation of Title 18, United States Code, Sections 371 and 1030. The maximum sentence for this offense is five (5) years’ imprisonment, fine, or both.
- Conspiracy to Commit Money Laundering in violation of Title 18, United States Code, Section 1956(h). The maximum sentence for this offense is twenty (20) years’ imprisonment, a $10,000 fine, or both.
- Conspiracy to Transfer False Identification Documents in violation of 18 United States Code § 1028(a)(2)and (f). The maximum sentence for this offense is fifteen (15) years’ imprisonment, a fine, or both.
Following the filing of the complaint on 7 January 2025, a warrant for [opgeëiste persoon] ’s arrest was issued by the Hon. [rechter] of the U.S. District Court of the Southern District of Florida. This warrant for [opgeëiste persoon] ’s arrest remains valid and executable and is appended to this request.”
2.3
Bij het verzoek tot voorlopige aanhouding is een aanhoudingsbevel (“Arrest Warrant”) van US Chief Magistrate Judge [rechter] , gedateerd 7 januari 2025, gevoegd. De feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht worden zijn daarin als volgt uiteengezet:
“Conspiracy to Commit Wire Fraud and Mail Fraud, in violation of Title 18, United States Code, Section 1349; Conspiracy to Damage a Protected Computer, in violation of Title 18, United States Code, Sections 371, 1030(a)(5)(A); Conspiracy to Commit Money Laundering, in violation of Title 18, United States Code, Section1956(h); and Conspiracy to Transfer False Identification Documents, in violation of Title 18, United States Code, Section 1028(a)(2) and(f).”
2.4
Op 5 maart 2025 hebben de Amerikaanse autoriteiten een verzoek tot uitlevering ingediend, waarin de feiten waarvoor uitlevering is verzocht en waarvoor uitlevering door de rechtbank toelaatbaar is verklaard1.als volgt worden omschreven:
“ [opgeëiste persoon] is wanted to stand trial in the United States District Court for the Southern District of Florida. On 21 January 2025, a federal grand jury sitting in Miami, Florida, returned an indictment in case number 25-CR-20021- [betrokkene 1] / [betrokkene 2] (also referred to as case: 1:25-cr-20021-DPG), charging [opgeëiste persoon] with the following offenses:
Count 1: Conspiracy to commit an offense against the United States, in violation of Title 18, United States Code, Section 371;
Count 2: Conspiracy to commit wire fraud and mail fraud, in violation of Title 18, United States Code, Section 1349;
Count 3: Conspiracy to commit money laundering, in violation of Title 18, United States Code, Section 1956(h); and
Count 4: Conspiracy to transfer false identification documents, in violation of Title 18, United States Code, Section 1028(a)(2) and (f).
The United States seeks the extradition of [opgeëiste persoon] for the offenses for which he is charged in the indictment.”
2.5
Bij het verzoek tot uitlevering is gevoegd een “Affidavit” van de Assistant United States Attorney [betrokkene 3] van het Southern District of Florida, gedateerd 3 februari 2025, waarin bovengenoemde feiten nader worden toegelicht. Deze (Nederlandse vertaling van de) toelichting houdt onder meer het volgende in (met weglating van de voetnoten):
“6. Een onderzoek door de United States Federal Bureau of Investigation (“FBI”) heeft onthuld dat het onderwerp van dit verzoek, [opgeëiste persoon] (“ [opgeëiste persoon] ”), al vanaf april 2018 tot ten minste augustus 2024, betrokken is geweest bij een plan om frauduleus IT-werk op afstand van Amerikaanse bedrijven te verkrijgen met gebruik van gestolen of valse identiteitsdocumenten, om opbrengsten te genereren voor de Democratische Volksrepubliek Korea (“DVK” of “Noord-Korea”). [opgeëiste persoon] en zijn mede-samenzweerders hebben daarna in de opbrengsten van dit onwettige plan gedeeld en de opbrengsten wit gewassen, waaronder door het doen van transacties die geheel of gedeeltelijk ontworpen zijn om de onwettige activiteit te bevorderen en/of de aard of bron daarvan te verhullen of verbergen. Er zijn in totaal door het plan ten minste vierenzestig (64) Amerikaanse bedrijven opgelicht met betalingen van tien (10) Amerikaanse bedrijven voor in totaal $ 866.255.
SAMENVATTING VAN DE FEITEN
7. De Verenigde Staten (“V.S.”) handhaaft uitgebreide handels-en economische sancties tegen Noord-Korea als gevolg van de nationale veiligheidsbedreigingen door Noord-Korea, waaronder diens kernwapenprogramma. Noord-Korea heeft als gevolg daarvan duizenden hoogopgeleide IT-medewerkers over de hele wereld ingezet om opbrengst te genereren die bijdraagt aan de wapenprogramma's van Noord-Korea, in strijd met sancties van de V.S. en de Verenigde Naties. Deze Noord-Koreaanse IT-medewerkers hebben zich voorgedaan als telewerkers met een andere nationaliteit dan de Noord-Koreaanse nationaliteit, woonachtig in de V.S., en hebben heimelijk contracten bemachtigd voor IT-werk op afstand van bedrijven rond de hele wereld, inclusief in de Verenigde Staten. Noord-Koreaanse IT-medewerkers hebben volgens een advies van de FBI van mei 2024 hun identiteiten verdoezelt door, wetende en onwetende, personen te gebruiken, om frauduleus werk en toegang te krijgen tot Amerikaanse bedrijfsnetwerken. [opgeëiste persoon] en zijn mede-samenzweerders hebben vanaf of omstreeks april 2018 tot ten minste augustus 2024 deelgenomen aan en uitvoering gegeven aan een plan om frauduleus werk te krijgen van Amerikaanse bedrijven voor Noord-Koreaanse IT-werkers op afstand.
8. [opgeëiste persoon] is in of omstreeks april 2018 een zakelijke relatie begonnen met mede-samenzweerder 1, een Noord-Koreaanse IT-medewerker, woonachtig in [plaats] , China. Mede-samenzweerder 1 heeft zich in deze gesprekken aan [opgeëiste persoon] voorgesteld als ‘“ [alias betrokkene 4] ” en het lijkt erop dat [opgeëiste persoon] dacht dat hij communiceerde met “ [alias betrokkene 4] ”, de persona gebruikt door mede-samenzweerder 1. De FBI heeft aan de hand van een beoordeling van via een gerechtelijk huiszoekingsbevel verkregen elektronische communicatie tussen [opgeëiste persoon] en mede-samenzweerder 1, vastgesteld dat [opgeëiste persoon] in of omstreeks 2018 ermee heeft ingestemd om mede-samenzweerder 1 toegang te geven tot de legitieme email en PayPal-accounts van [opgeëiste persoon] en heeft verder toegestaan dat mede-samenzweerder 1 nieuwe accounts op naam van [opgeëiste persoon] zou openen die vervolgens door mede-samenzweerder 1 gebruikt zijn om werk te krijgen van nietsvermoedende Amerikaanse bedrijven. [opgeëiste persoon] begreep vanaf het begin dat mede-samenzweerder 1 van plan was om de identiteit van [opgeëiste persoon] en de accounts, en nieuwe accounts (geopend door mede-samenzweerder 1) op naam van [opgeëiste persoon] te gebruiken ter bevordering van het krijgen van IT-werk op afstand. Zo heeft mede-samenzweerder 1 op 19 april 2018 [opgeëiste persoon] verteld dat hij van plan was dat ze “samen” geld zouden verdienen via Upwork, een freelanceplatform voor mensen die op zoek zijn naar werk, door [opgeëiste persoon] TeamViewer te laten installeren, populaire remote desktop software, die mede-samenzweerder 1 vervolgens zou gebruiken om IT-werk op afstand te verrichten. [opgeëiste persoon] heeft mede-samenzweerder 1 in of omstreeks juli 2018 ook toegestaan om zijn beeltenis (d.w.z. een foto) en identiteitsdocumenten te gebruiken ter bevordering van het plan.
9. [opgeëiste persoon] heeft mede-samenzweerder 1 in juni 2020 via een door de FBI met een rechterlijk huiszoekingsbevel bemachtigd elektronisch bericht aan mede-samenzweerder 2 voorgesteld, een Amerikaanse staatsburger, woonachtig in [plaats] . [opgeëiste persoon] gaf aan dat hij mede-samenzweerder 1 had toegestaan om met gebruik van zijn naam frauduleus IT-werk op afstand te bemachtigen via Upwork. Mede-samenzweerder 1 en mede-samenzweerder 2 hebben de samenzwering in mei 2021 bevorderd door een plan te ontwikkelen om frauduleus IT-werk op afstand te bemachtigen van nietsvermoedende Amerikaanse bedrijven via contracten tussen bedrijven (corporation-to-corporation, C2C). Ze zijn in of omstreeks juni 2021 met de uitvoering van deze strategie begonnen.
10. Mede-samenzweerder 1 heeft op of omstreeks 25 juni 2021 als een Apple iOS applicatieontwikkelaar werk gekregen als een contractant met Amerikaans bedrijf 1, een groot winkelbedrijf. Mede-samenzweerder 1 heeft op de vacature gesolliciteerd met gebruik van [opgeëiste persoon] ’s naam, een nepvisum onder de Overeenkomst tussen de Verenigde Staten, Mexico en Canada (“USMCA”), en het adres in [plaats] van mede-samenzweerder 2. Een Amerikaans softwareontwikkelingsbedrijf, dat gecontracteerd was om de iOS-applicatie van Amerikaans bedrijf 1 te bouwen, heeft op of omstreeks 28 juni 2021 een MacBook Pro, geadresseerd aan [opgeëiste persoon] naar het adres van mede-samenzweerder 2 gestuurd. Mede-samenzweerder 2 heeft in of omstreeks juli 2021 AnyDesk, een andere populaire remote desktop software, gedownload op de MacBook waardoor mede-samenzweerder 1 toegang kon krijgen tot de MacBook en op afstand kon werken.
11. De FBI heeft op 16 december 2021 een kopie ontvangen van de broncode van de toepassing van Amerikaans bedrijf 1, en een analyse van de code heeft onthuld dat “ [opgeëiste persoon] ” in de periode van mei 2021 tot augustus 2021 werd genoemd als maker van de code. De FBI heeft ook een kopie bemachtigd van het curriculum vitae dat mede-samenzweerder 1 gebruikt heeft om op de vacature te solliciteren. Hoewel het curriculum vitae beweerde toe te behoren aan [opgeëiste persoon] , blijkt uit de metadata van het curriculum vitae dat de titel van het document “ [alias betrokkene 4] ’s curriculum vitae” was en dat de auteur “ [alias betrokkene 4] ” was. Bovendien heeft Amerikaans bedrijf 1 en het Amerikaanse softwareontwikkelingsbedrijf de naam “ [alias betrokkene 4] ” ontdekt als de gebruikersnaam gebruikt door [opgeëiste persoon] tijdens een virtuele vergadering. Mede-samenzweerder 1 heeft tussen augustus 2021 en maart 2022 ten minste $ 75.625 verdiend aan loon van Amerikaans bedrijf 1 met gebruik van de persona van [opgeëiste persoon] . Het loon van mede-samenzweerder 1 werd betaald op een Amerikaanse bankrekening gecontroleerd door mede-samenzweerder 2. Mede-samenzweerder 2 heeft na ontvangst een deel van hel geld overgemaakt op de Payoneer-account van [opgeëiste persoon] , een online betalingsplatform, die toegankelijk was voor zowel [opgeëiste persoon] als mede-samenzweerder 1. Het is onduidelijk hoeveel geld [opgeëiste persoon] precies verdiend heeft per betaling, maar [opgeëiste persoon] heeft, op basis van zakelijke gegevens verstrekt door Payoneer, vanaf december 2018 tot en met augustus 2022 regelmatig geld van zijn Payoneer-account overgemaakt naar zijn bankrekening in Zweden.
12. Mede-samenzweerder 1 heeft al vanaf april 2024 frauduleus werk gekregen van een Amerikaans bedrijf en mede-samenzweerder 2 heeft al vanaf januari 2025 post geadresseerd aan [opgeëiste persoon] ontvangen op hun woonadres.
13. De mede-samenzweerders hebben, op grond van een beoordeling van Payoneer en andere financiële gegevens, tijdens de samenzwering werk gekregen van ten minste 64 bedrijven en hebben ten minste $ 886.255 in salarisbetalingen verdiend voor het Noord-Koreaanse regime. Tot slot hebben de acties van de gedaagden bovendien schade veroorzaakt voor de slachtoffer-bedrijven voor een bedrag van minimaal $ 1.013.150, bestaande uit herstel- en juridische kosten. Herstel verwijst hier, onder andere, naar het forensisch beoordelen van de getroffen applicaties, netwerken en apparaten op kwaadaardige code, data-exfiltratie en andere indicatoren van compromitteren.
DE TENLASTELEGGINGEN EN RELEVANTE WETGEVING V.S.
(…)
16. Een Amerikaanse grand jury, zitting houdende in het Zuidelijk district van Florida heeft op 21 januari 2025 een tenlastelegging met vier (4) strafbare feiten uitgevaardigd tegen [opgeëiste persoon] (de “Tenlastelegging”), waarmee de volgende strafbare feiten aan hem ten laste gelegd worden:
Strafbaar feit één: Samenzwering tot het plegen van een strafbaar feit tegen de Verenigde Staten, in strijd met Titel 18, United States Code, Artikel 371, waarop een maximale gevangenisstraf van vijfjaar staat;
Strafbaar feit twee: Samenzwering tot het plegen van post- en elektronische fraude, in strijd met Titel 18, United States Code, Artikel 1349, waarop een maximale gevangenisstraf van 20 jaar staat;
Strafbaar feit drie: Samenzwering tot witwassen, in strijd met Titel 18, United States Code, Artikel 1956(h), waarop een maximale gevangenisstraf van 20 jaar staat; en
Strafbaar feit vier: Samenzwering tot het overdragen van valse identificatiedocumenten, in strijd met Titel 18. United States Code, Artikel 1028(a)(2) en (f), waarop een maximale gevangenisstraf van 15 jaar staat.
17. De federale rechtbank voor het Zuidelijk district van Florida heeft op basis van de strafbare feiten in de Tenlastelegging op 21 januari 2025 een bevel uitgevaardigd voor de arrestatie van [opgeëiste persoon] . Het arrestatiebevel blijft op grond van Amerikaanse wetgeving geldig en uitvoerbaar om [opgeëiste persoon] aan te houden om terecht te staan voor de strafbare feiten die in de tenlastelegging aan hem ten laste gelegd worden.
(…)
20. Met elk van de vier strafbare feiten in de Tenlastelegging wordt aan [opgeëiste persoon] het strafbaar feit van samenzwering ten laste gelegd. Een samenzwering is ingevolge wetgeving van de Verenigde Staten een overeenkomst om andere strafwetgeving te overtreden. Met andere woorden, de handeling van het combineren en afspreken met één of meer personen om wetgeving van de Verenigde Staten te overtreden is op zichzelf een strafbaar feit. Dergelijke overeenstemming hoeft niet formeel te zijn en kan eenvoudig uit een verbaal of niet-verbaal begrip bestaan. Een samenzwering wordt geacht een partnerschap voor criminele doeleinden te zijn waarin elk lid of deelnemer de vertegenwoordiger of partner wordt van ieder ander lid. Iemand kan lid van een samenzwering worden zonder volledige kennis te hebben van alle details van het onwettige plan of de namen en identiteiten van al de andere beweerdelijke mede-samenzweerders. Als een gedaagde derhalve begrip heeft van de onwettige aard van een plan en willens en wetens ten minste één keer meedoet aan dat plan, dan is dat voldoende om hem voor medesamenzwering te veroordelen, zelfs als hij nog niet eerder deelnam en zelfs als hij slechts een kleine rol speelde. Een gedaagde hoeft evenzo niet op de hoogte te zijn van alle handelingen van zijn mede-samenzweerders om aansprakelijk gehouden te worden voor deze handelingen, mits hij een wetend lid is van de samenzwering en de handelingen van de mede-samenzweerders voorzienbaar waren en binnen de omvang van de samenzwering vallen.
21. Met de Tenlastelegging onder één wordt aan [opgeëiste persoon] ten laste gelegd de samenzwering tot de beschadiging van een beschermde computer, in strijd met Titel 18, United States Code, Artikel 371. Om [opgeëiste persoon] te veroordelen voor de strafbare feiten die met de Tenlastelegging onder één ten laste gelegd worden moet de Verenigde Staten buiten redelijke twijfel aantonen dat: (i) er een overeenkomst bestond tussen twee of meer personen om een gemeenschappelijk en onwettig plan uit te voeren zoals ten laste gelegd in de Tenlastelegging onder één; (ii) [opgeëiste persoon] willens en wetens lid van dergelijke samenzwering werd; (iii) één van de mede-samenzweerders tijdens de samenzwering zich bewust heeft beziggehouden met ten minste één openlijke handeling zoals omschreven in de Tenlastelegging; en (iv) de openlijke handeling verricht werd op of omstreeks het beweerdelijke moment en met doel van het uitvoeren of bereiken van enig doel van de samenzwering.
22. Het beweerdelijk doel van de samenzwering die met de Tenlastelegging onder één ten laste gelegd wordt is de beschadiging van een beschermde computer, in strijd met Titel 18, United States Code, Artikelen 1030(a)(5)(A), 1030(c)(4)(B), en 1030(c)(4)(A)(i)(I). De elementen van dit onderliggende strafbaar feit zijn: (1) de gedaagde heeft willens een programma, informatie, code, of opdracht zonder toestemming naar een beveiligde computer overgedragen; (2) de gedaagde had de intentie om zonder toestemming toegang te krijgen tot een beschermde computer; en (3) de schade resulteerde in verliezen van meer dan $ 5.000 gedurende een periode van één jaar.
(…)
2.6
De bij de Affidavit gevoegde tenlastelegging (“Indictment”)2.van 21 januari 2025 houdt ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit in:
“TENLASTELEGGING ONDER 1
Samenzwering tot beschadiging van een beschermde computer (18 U.S.C. § 371)
(…)
2. Al vanaf of omstreeks april 2018. de exacte datum is onbekend aan de Grand Jury, en voortdurend tot of omstreeks augustus 2024 in de districten Miami-Dade en Broward, in het Zuidelijk district van Florida en elders hebben de gedaagden,
(…)
willens en wetens gecombineerd, samengespannen, samengewerkt en met elkaar en andere, aan de Grand Jury bekende en onbekende, personen overeengekomen, om strafbare feiten tegen de Verenigde Staten te plegen, te weten de beschadiging van beschermde computers, in strijd met Titel 18, United States Code, Artikelen 1030(a)(5)(A), 1030(c)(4)(B), en 1030(c)(4)(A)(i)(I), die willens en wetens de onbevoegde overdracht van een programma, informatie, code en opdracht naar een beschermde computer heeft veroorzaakt, en als gevolg van dergelijk gedrag, die opzettelijk schade heeft veroorzaakt aan een beschermde computer en computersysteem, resulterend in verlies voor een of meer personen gedurende een periode van een jaar en als gevolg van samenhangend gedrag met betrekking tot een of meerdere andere beschermde computers met een totale waarde van ten minste $ 5.000.
VOORWERP EN DOEL VAN DE SAMENZWERING
3. Het was het voorwerp en doel van de samenzwering voor [medeverdachte 1] , [opgeëiste persoon] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4], en hun mede-samenzweerders (gezamenlijk de “mede-samenzweerders”) om zichzelf onwettig te verrijken en opbrengsten te generen voor het Noord-Koreaanse regime door: (a) het bemachtigen van werk bij Amerikaanse bedrijven voor IT-medewerkers op afstand onder valse en frauduleuze voorwendselen, verklaringen, beloftes en door materiële omissies; (b) het veroorzaken van onbevoegde overdracht van een programma, informatie, code of opdracht op beschermde computers van Amerikaanse bedrijven; (c) het verrichten van IT-werk op afstand om frauduleuze salarisbetalingen te ontvangen van Amerikaanse slachtofferbedrijven; (d) het doen van valse verklaringen en het zich inlaten met andere frauduleuze activiteiten ontworpen om het plegen van het strafbaar feit te verbergen; en (e) het witwassen van de frauduleus verkregen salarisbetalingen door het verrichten van financiële transacties ontworpen om het uitvoeren van onwettige activiteiten te bevorderen en de aard of bron van de opbrengsten van een onwettige activiteit te verbergen of verhullen.
MANIER EN MIDDELEN VAN DE SAMENZWERING
De manier en middelen waarmee de mede-samenzweerders het voorwerp en doel van de samenzwering wilde bereiken bestond onder andere uit het volgende:
4. [medeverdachte 1] [sic], [opgeëiste persoon] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4], en hun mede samenzweerders hebben Amerikaanse bedrijven, waaronder [A] Inc. en [B] Inc. opgericht om arbeidsovereenkomsten tussen bedrijven (d.w.z. een dienstverleningsovereenkomst tussen twee (of meer) bedrijven, in plaats van een dienstverleningsovereenkomst tussen een bedrijf en een medewerker (of contractant)) te verkrijgen.
(…)
OPENLIJKE HANDELINGEN
Ter bevordering van deze samenzwering en om diens doel en voorwerp te bereiken hebben ten minste één mede-samenzweerder in het Zuidelijk district van Florida en elders ten minste een van de volgende handelingen gepleegd of doen laten plegen:
Frauduleuze tewerkstelling bij Bedrijf A
1. Tussen in of omstreeks juni 2021 tot of omstreeks maart 2022 hebben [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [opgeëiste persoon] de identiteit van [opgeëiste persoon] gebruikt om frauduleus IT-werk van Bedrijf A, als ontwikkelaar van applicaties voor mobiele telefoons, op afstand te bemachtigen en behouden om inkomsten te verdienen van dergelijke frauduleuze tewerkstelling en om dergelijk geld ter bevordering van de samenzwering wit te wassen.
2. [medeverdachte 1] heeft in of omstreeks juni 2021 gesolliciteerd op een positie bij Amerikaans IT-bedrijf 1 waarvoor [medeverdachte 1] uiteindelijk werk zou verrichten op het mobiele platform van Bedrijf A, met gebruik van de identiteit van [opgeëiste persoon], met toestemming van [opgeëiste persoon], een van de adressen in [plaats] van [medeverdachte 2], en het valse visum voor professionals onder de United States-Mexico-Canada Agreement ("USMCA"), zoals hieronder afgebeeld: (…)
3. [medeverdachte 1] heeft op of omstreeks juni 2021 de volgende documenten getekend met gebruik van de identiteit van [opgeëiste persoon]: (1) een aanbod voor tewerkstelling bij Amerikaans Uitzendbureau 1 als ontwikkelaar van mobiele toepassingen; (2) een
geheimhoudingsovereenkomst voor Amerikaans IT-bedrijf 1; en (3) een overeenkomst met Amerikaanse IT-bedrijf 1 om voor een door de Amerikaanse IT-bedrijf verstrekte laptop te zorgen en deze te retourneren.
(…)
6. [medeverdachte 2] heeft op of omstreeks augustus 2021 en voortdurende tot of omstreeks maart 2022 zijn bedrijf [A] Inc. gebruikt om ongeveer acht keer facturen te sturen naar Amerikaans Uitzendbureau 1 voor in totaal ongeveer $ 75.709,00 voor IT-werk verricht door [medeverdachte 1] die zich voordeed als [opgeëiste persoon] . [medeverdachte 2] heeft kort na ontvangst van de gelden een deel overgemaakt naar een rekening op naam van [opgeëiste persoon] bij Online Betalingsplatform 1, welke door wel [medeverdachte 1] als [opgeëiste persoon] toegankelijk waren.
(…)
Frauduleuze tewerkstelling bij Bedrijf D
(…) 31. [medeverdachte 4] heeft in of omstreeks januari 2023 en mei 2024 zijn bedrijf [B] Inc. gebruikt om Amerikaans IT-bedrijf 2 ten minste 10 keer te factureren voor door [medeverdachte 1], die zich voordeed als [alias medeverdachte 1] , verricht werk bij Bedrijf D. Amerikaans IT-bedrijf 2 heeft [medeverdachte 1] via [B] Inc $ 206.080 betaald. [medeverdachte 4] heeft in ten minste enkele gevallen een deel van deze betalingen overgemaakt naar een rekening bij Online Betalingsplatform 2 op naam van [opgeëiste persoon]
, die toegankelijk was voor zoweI [medeverdachte 1] als .
(…)
FEDERALE RECHTBANK
ZUIDELIJK DISTRICT VAN FLORIDA
STRAFFENLIJST
Naam gedaagde: [opgeëiste persoon]
Zaaknr.:
Strafbaar feit: 1
Samenzwering tot beschadiging van een beschermde computer
Titel 18, United States Code Artikel 371
* Max. gevangenisstraf: vijf jaar gevangenisstraf
* Verplichte minimale gevangenisstraf (indien van toepassing): n.v.t
* Max. invrijheidsstelling onder toezicht: 3 jaar
* Max. boete: $ 250.000
Strafbaar feit: 2
Samenzwering tot elektronische fraude en postfraude
Titel 18, United States Code Artikel 1349
* Max. gevangenisstraf: twintig jaar gevangenisstraf
* Verplichte minimale gevangenisstraf (indien van toepassing): n.v.t
* Max. invrijheidsstelling onder toezicht: 3 jaar
* Max. boete: $ 250.000
Strafbaar feit: 3
Samenzwering tot witwassen
Titel 18, United States Code Artikel 1956(h)
* Max. gevangenisstraf: twintig jaar gevangenisstraf
* Verplichte minimale gevangenisstraf (indien van toepassing): n.v.t
* Max. invrijheidsstelling onder toezicht: 3 jaar
* Max. boete: $ 500.000
Strafbaar feit: 4
Samenzwering tot de overdracht van valse identiteitsdocumenten
Titel 18, United States Code Artikel 1028(a)(2) en (f)
* Max. gevangenisstraf: vijftien jaar gevangenisstraf
* Verplichte minimale gevangenisstraf (indien van toepassing): n.v.t
* Max. invrijheidsstelling onder toezicht: 3 jaar
* Max. boete: $ 250.000”
2.7
Voorts is bij de Affidavit gevoegd een aanhoudingsbevel (“Arrest Warrant”) van 21 januari 20253.ten aanzien van de opgeëiste persoon. Daarin worden de strafbare feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht als volgt omschreven:
“Samenzwering tot het beschadigen van een beschermde computer, in strijd met Titel 18 United States Code, Artikel 371;
Samenzwering tot het plegen van elektronische fraude en postfraude, in strijd met Titel 18, United States Code, Artikel 1349;
Samenzwering tot witwassen in strijd met Titel 18, United States Code, Artikel 1956(h);
Samenzwering tot het overdragen van valse identificatiedocumenten, in strijd met Titel 18, United States Code, Artikel 1028(a)(2) en (f)”
2.8
De bij de Affidavit gevoegde relevante wettelijke bepalingen4.houden tot slot onder meer het volgende in:
“TEN LASTE GELEGDE STRAFBARE FEITEN
Titel 18, United States Code, Artikel 371 – Samenzwering tot beschadiging van een beschermde computer
Als twee of meer personen samenzweren ... om een overtreding te begaan tegen de Verenigde Staten ... en een of meer van deze personen een handeling pleegt om het voorwerp van de samenzwering te bewerkstelligen, zal elk een boete onder deze titel of gevangenisstraf van niet meer dan vijf jaar of beide krijgen.”
3. De bestreden beslissing van de rechtbank
3.1
De uitspraak van de rechtbank houdt – voor zover voor de bespreking van de middelen van belang – het volgende in:
“3. De beoordeling van het verzoek tot uitlevering
(…)
3.4
Door de raadsman gevoerd verweren
Voor zover de raadsman heeft betoogd dat de opgeëiste persoon in de VS mogelijk nog voor andere feiten zal worden vervolgd, waarbij zelfs het opleggen van de doodstraf niet kan worden uitgesloten, wijst de rechtbank op het bepaalde in artikel 15, eerste lid, van het Verdrag waarin het volgende is bepaald: “De krachtens dit Verdrag uitgeleverde persoon wordt niet in hechtenis gesteld, berecht of gestraft op het grondgebied van de verzoekende Staat ter zake van een ander feit dan datgene waarvoor uitlevering werd toegestaan.”
(…)
Met betrekking tot het door de raadsman genoemde verschil tussen de omschrijving van de feiten zoals vermeld in het aanhoudingsbevel en zoals vermeld in het Affidavit overweegt de rechtbank als volgt. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat in uitleveringszaken bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van een uitleveringsverzoek het Affidavit, en niet het aanhoudingsbevel, als uitgangspunt wordt genomen. Dit brengt mee dat de opgeëiste persoon ook kan worden uitgeleverd voor de verdenking van computer hacking.”
4. Het verweer van de verdediging
4.1
Op de zitting van 3 juli 2025 heeft de raadsman van de opgeëiste persoon het woord gevoerd aan de hand van een door hem overgelegde en aan het proces-verbaal van die zitting gehechte pleitnotitie, die onder meer inhoudt:
“Uit de Request for the Provisonal Arrest van het U.S. Department of Justice van 7 januari 2025 blijkt dat er in Florida een strafrechtelijk onderzoek tegen cliënt loopt terzake van het gezamenlijk plegen van tele-fraude en mail-fraude; het gezamenlijk beschadigen van een beveiligde computer;
het gezamenlijk witwassen en het gezamenlijk overdragen van valse identiteitsdocumenten.
Er is een onderliggend bevel tot arrestatie van de [rechter] d.d. 7 januari 2025.
In genoemd Request wordt de aanhouding verzocht ten behoeve van de uitlevering alsmede de inbeslagname van laptops, telefoons en andere elektronische apparaten die cliënt bij zich zou hebben.
Onder cliënt is door het IRC Noord-Holland inderdaad een Iphone, zwarte e-reader en een Apple laptop in beslaggenomen.
Hiernaast is door de autoriteiten van de VS verzocht alle mogelijke andere goederen in beslag te nemen die als bewijs gebruikt kunnen worden ten aanzien van de thans verweten feiten alsmede goederen die als bewijs kunnen dienen voor andere strafbare feiten.
Deze zijn ook door Justitie in beslag genomen waaronder:
kaarten, Visa cards (blauw en zwart), gegevens van Belastingaangiften en een formulier voor tijdelijke verblijfsvergunning.
De verdediging stelt reeds hier vast dat het verzoek van de VS een verzoek is dat niet is beperkt tot de thans verweten feiten, maar dat het mogelijk is dat cliënt, bij uitlevering naar de VS, in de VS geconfronteerd gaat worden met andere thans niet bekend gemaakte strafbare feiten.
In de laatste alinea van pagina 1 van het Request staat immers:
“The United States makes this evidentiairy request in order to further the investigation of both [opgeëiste persoon] and the criminal conspiracy with which he is associated.”
Dit dient te leiden tot het ontoelaatbaar verklaren van het verzoek tot uitlevering. Immers uw Rechtbank moet weten om welke feiten het gaat en ook welke straffen voor deze feiten opgelegd kunnen worden.
Dit weet U nu niet. Ik wijs U er op dat in Florida nog steeds de doodstraf geldt voor bepaalde misdrijven en dat deze middels een zeer inhumane dodelijke injectie wordt uitgevoerd. Het behoort thans tot de mogelijkheden dat cliënt bij uitlevering naar de VS, in de VS pas wordt geconfronteerd met andere feiten die tot een dergelijke vreselijke straf zouden kunnen leiden. Hierover dient minimaal zekerheid te worden verkregen en indien deze zekerheid niet door de VS kan of wil worden gegeven, zal de uitlevering naar de VS ontoelaatbaar moeten worden verklaard.
(…)
De verdediging verzoekt tenslotte uw Rechtbank extra aandacht te besteden aan de verschillen tussen de Request for the Provisonal Arrest en de Request for extradition. Beide behoren tot het dossier.
In het verzoek tot voorlopige arrestatie van 7 januari 2025 wordt melding gemaakt van een arrest warrant van [rechter] eveneens van 7 januari 2025. In de zaak die tegen cliënt met nummer 1;25-MJ-02023- [rechter] tegen hem aanhangig is gemaakt staan 4 eerder genoemde feiten, te weten internetfraude; computer hacking; witwassen en ID-fraude.
Enkel voor deze feiten is de arrest warrant afgegeven. In het verzoek tot uitlevering d.d. 5 maart 2025 staat vermeld dat cliënt ingevolge een zitting van de grand jury zich in een zaak met nummer 25-CR-20021 [betrokkene 1] / [betrokkene 2] zal moeten verdedigen tegen een andere tenlastelegging. Immers computer hacking is niet meer ten laste gelegd, maar er is een nieuw feit bijgekomen, te weten:
18 U.S.C. § 371 definieert het misdrijf van samenzwering om een misdrijf tegen de Verenigde Staten te plegen of de Verenigde Staten te bedriegen. Het maakt het in wezen illegaal voor twee of meer personen om overeen te komen een federale misdaad te plegen of een rechtmatige functie van de overheid te belemmeren.
Het verzoek tot uitlevering vervolgt dat op basis van de tenlastelegging van 21 januari 2025 de rechtbank van Florida op 21 januari 2025 een nieuwe arrest warrant zou hebben afgegeven.
Deze laatste arrest warrant zit als bijlage b bij het verzoek.
Hierop staan echter dezelfde feiten als op de arrest warrant van 7 januari 2025 en niet het zojuist besproken artikel 371 van titel 18.
Mocht U tot het toelaatbaar verklaren van de uitlevering komen verzoek ik U nadrukkelijk te bepalen dat dit enkel geldt voor de feiten waarvoor de arrest warrant tot tweemaal toe door een Rechtbank is afgegeven en met bepaling dat in het verzoek tot uitlevering niet meer gesproken wordt het feit van computer hacking (het beschadigen van een beschermde computer), zodat hiervoor ook niet kan worden uitgeleverd.”
4.2
In aanvulling op de voorgedragen pleitnotitie heeft de raadsman op zitting het volgende aangevoerd:
“In de meeste uitleveringszaken wordt geen onderzoek gedaan naar feiten die niet in het uitleveringsverzoek staan. In deze zaak heeft de Verenigde Staten expliciet verzocht om ook andere goederen in beslag te nemen, waarmee duidelijk wordt aangegeven dat zij ook ander onderzoek willen verrichten. Het vertrouwensbeginsel gaat niet zo ver dat ook die goederen onderzocht kunnen worden. Er ligt een ‘provisional arrest warrant’ waarin andere onderwerpen staan dan in het uitleveringsverzoek.”
5. Het eerste cassatiemiddel
5.1
Het eerste middel klaagt in de kern over de verwerping van het verweer dat het uitleveringsverzoek niet beperkt is tot de daarin genoemde feiten (zie hiervoor onder randnummer 2.4), maar dat de opgeëiste persoon bij uitlevering aan de VS mogelijk ook vervolgd kan worden voor andere strafbare feiten die mogelijk zelfs tot de doodstraf zouden kunnen leiden. In het verlengde daarvan wordt geklaagd dat de rechtbank garanties had moeten vragen over de mogelijkheid dat de opgeëiste persoon in het nader te verrichten strafrechtelijk onderzoek kan worden geconfronteerd met de doodstraf.
5.2
Het gevoerde verweer steunt op twee passages uit het hiervoor aangehaalde verzoek tot voorlopige aanhouding van 7 januari 2025, die luiden:
“The United States is also submitting a mutual legal assistance request, under separate cover, for the seizure and prompt surrender to U.S. authorities of items on [opgeëiste persoon] ’s person at the time of his arrest, which may serve as evidence of the charged offenses or other offenses.
(…)
The United States makes this evidentiairy request in order to further the investigation of both [opgeëiste persoon] and the criminal conspiracy with which he is associated.”
5.3
De verdediging maakt daaruit op dat opgeëiste persoon na uitlevering in de VS mogelijk geconfronteerd gaat worden met andere thans niet bekend gemaakte strafbare feiten.
5.4
De rechtbank heeft dit verweer verworpen onder verwijzing naar art. 15 lid 1 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (hierna: het Uitleveringsverdrag). Art. 15 Uitleveringsverdrag luidt als volgt:
“1. De krachtens dit Verdrag uitgeleverde persoon wordt niet in hechtenis gesteld, berecht of gestraft op het grondgebied van de verzoekende Staat ter zake van een ander feit dan datgene waarvoor uitlevering werd toegestaan, noch wordt hij door die Staat aan een derde Staat uitgeleverd, tenzij:
a. die persoon na zijn uitlevering het grondgebied van de verzoekende Staat heeft verlaten en vrijwillig daarheen is teruggekeerd;
b. die persoon het grondgebied van de verzoekende Staat niet heeft verlaten binnen 30 dagen na daartoe de vrijheid te hebben gehad; of
c. de uitvoerende autoriteit van de aangezochte Staat heeft ingestemd met zijn hechtenis, berechting of bestraffing ter zake van een ander feit dan datgene waarvoor uitlevering werd toegestaan, of met uitlevering aan een derde Staat. Met het oog hierop kan de aangezochte Staat de overlegging verlangen van in artikel 9 vermelde stukken of verklaringen, met inbegrip van door de uitgeleverde persoon afgelegde verklaringen met betrekking tot het desbetreffende feit.
Deze bepalingen zijn niet van toepassing op na uitlevering gepleegde feiten.
2. Indien de tenlastelegging op grond waarvan de persoon was uitgeleverd in de loop van de procedure op wettelijke wijze wordt gewijzigd, kan die persoon worden vervolgd of berecht, mits het strafbare feit volgens zijn nieuwe wettelijke omschrijving:
a. is gebaseerd op hetzelfde samenstel van feiten dat is vervat in het verzoek tot uitlevering en de stukken ter ondersteuning daarvan; en
b. op dat feit volgens zijn nieuwe wettelijke omschrijving een zelfde maximumstraf is gesteld als of een lagere maximumstraf is gesteld dan op het feit waarvoor die persoon was uitgeleverd.”
5.5
Het in deze bepaling neergelegde specialiteitsbeginsel brengt mee dat een opgeëiste persoon na uitlevering niet voor andere, vóór de uitlevering begane feiten kan worden vervolgd of gestraft dan voor de feiten waarvoor de uitlevering is toegestaan. Het specialiteitsbeginsel brengt voorts beperkingen aan in de vrijheid om de tenlastelegging op grond waarvan de opgeëiste persoon is uitgeleverd in de loop van de procedure te wijzigen (lid 2).
5.6
Bij de uitleveringsrechter kan de opgeëiste persoon zich niet met succes op een dreigende schending van het specialiteitsbeginsel beroepen gelet op het vertrouwensbeginsel, waaruit volgt dat de verzoekende staat zich na uitlevering van de opgeëiste persoon bij de vervolging of tenuitvoerlegging zal beperken tot de feiten waarvoor de uitlevering is toegestaan.5.De Hoge Raad overwoog reeds in 1977 dat het specialiteitsbeginsel zich richt tot de verzoekende staat en de uitleveringsrechter geen grondslag biedt “om een gevraagde uitlevering ontoelaatbaar te verklaren uit vrees dat de opgeëiste persoon zal worden gestraft of op andere wijze in zijn persoonlijke vrijheid beperkt ter zake van feiten waarvoor hij niet is uitgeleverd”.6.Dat is slechts anders indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan een dreigende flagrante schending van enig hem ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht en tegen die schending in de verzoekende staat geen daadwerkelijk rechtsmiddel openstaat in de zin van art. 13 EVRM.7.
5.7
Door de verdediging is niet nadrukkelijk het standpunt ingenomen dat sprake is van een dreigende flagrante schending van art. 6 EVRM. Uit hetgeen is aangevoerd kan zulks naar mijn inzicht evenmin blijken. Ik zie niet in hoe de genoemde passages in het verzoek tot voorlopige aanhouding erop wijzen dat de Amerikaanse autoriteiten de opgeëiste persoon wensen te vervolgen voor andere feiten, laat staan voor feiten waarop de doodstraf staat. De enkele kennisgeving dat de Amerikaanse autoriteiten ook een verzoek doen tot inbeslagname van voorwerpen bij de aanhouding van de opgeëiste persoon die als bewijs kunnen dienen voor de ten laste gelegde feiten of “andere” feiten, lijkt mij daarvoor onvoldoende. Daarbij weeg ik mee dat het hier ging om een verzoek tot voorlopige aanhouding – een spoedvoorziening om te voorkomen dat een persoon het land verlaat en uitlevering niet meer mogelijk is8.– en het verzoek tot uitlevering en het onderliggende feitenrelaas nog niet waren opgesteld en uitgevaardigd door de Amerikaanse autoriteiten. Bovendien staat zoals gezegd het specialiteitsbeginsel er niet aan in de weg dat de tenlastegelegde feiten in een verzoek tot uitlevering op een later moment worden gewijzigd, mits die feiten zijn gebaseerd op hetzelfde samenstel van feiten dat is vervat in het uitleveringsverzoek en die nieuwe feiten niet worden bedreigd met een hogere maximale gevangenisstraf (art. 15 lid 2 Uitleveringsverdrag). De verwerping door de rechtbank van het gevoerde verweer is tegen deze achtergrond niet onbegrijpelijk en genoegzaam gemotiveerd. Het eerste middel faalt.
5.8
Ten overvloede merk ik nog het volgende op. In de toelichting op het middel wordt de stelling geponeerd dat uit het verzoek tot uitlevering ook het voornemen van de Amerikaanse autoriteiten tot verder onderzoek naar andere strafbare feiten blijkt, nu daarin melding wordt gemaakt van “het misdrijf van samenzwering om een misdrijf tegen de Verenigde Staten te plegen of de Verenigde Staten te bedriegen”. Die gevolgtrekking kan ik niet plaatsen. In het uitleveringsverzoek staat weliswaar dat de opgeëiste persoon wordt verdacht van (count 1) “Conspiracy to commit an offense against the United States, in violation of Title 18, United States Code, Section 371”, maar uit de onder randnummers 2.4 tot en met 2.8 aangehaalde onderdelen uit het uitleveringsverzoek en de onderliggende stukken blijkt dat dat een samenzwering tot de beschadiging van een beschermde computer betreft, hetgeen valt onder de strafbaarstelling van “samenzwering tot het plegen van een strafbaar feit tegen de Verenigde Staten” als bedoeld in Titel 18, United States Code, Artikel 371, waarop een maximale gevangenisstraf van vijf jaren staat.
6. Het tweede cassatiemiddel
6.1
Het tweede middel behelst de klacht dat de rechtbank art. 18 lid 3 Uitleveringswet (hierna: Uw) heeft geschonden door (i) inhoudelijke verschillen tussen het voorlopig aanhoudingsverzoek van 7 januari 2025 enerzijds en het uitleveringsverzoek anderzijds niet mee te wegen in haar oordeel en (ii) in strijd met deze bepaling het bij het voorlopig aanhoudingsverzoek gevoegde aanhoudingsbevel van 7 januari 2025 niet als leidend heeft genomen bij de beoordeling van het uitleveringsverzoek.
6.2
Op zitting bij de rechtbank is door de verdediging naar voren gebracht dat in het verzoek tot voorlopige aanhouding en het bijbehorende aanhoudingsbevel van 7 januari 2025 staat vermeld dat de opgeëiste persoon wordt verdacht van vier feiten, waaronder “computer hacking” (het beschadigen van een computer) en dat het uitleveringsverzoek van 5 maart 2025 is gebaseerd op een andere tenlastelegging waaraan een nieuw feit is toegevoegd, te weten het “misdrijf van samenzwering om een misdrijf tegen de Verenigde Staten te plegen of de Verenigde Staten te bedriegen”. De verdediging heeft de rechtbank verzocht om bij een toelaatbaarverklaring van de uitlevering, het feit “computer hacking” daarvan uit te sluiten.
6.3
De rechtbank heeft hieromtrent overwogen dat in uitleveringszaken bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van een uitleveringsverzoek het Affidavit, en niet het aanhoudingsbevel, als uitgangspunt wordt genomen, zodat de opgeëiste persoon ook kan worden uitgeleverd voor de verdenking van computer hacking.
6.4
Art. 18 lid 3 Uw schrijft voor dat het uitleveringsverzoek vergezeld gaat van:
“a. het origineel of een authentiek afschrift
hetzij van een, voor tenuitvoerlegging vatbaar, tegen de opgeëiste persoon gewezen strafvonnis,
hetzij van een door de daartoe bevoegde autoriteit van de verzoekende staat gegeven bevel tot zijn aanhouding, of van een stuk dat dezelfde rechtskracht heeft,
een en ander opgemaakt in de vorm voorgeschreven door het recht van die staat, en betrekking hebbende op de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd;
(…)”
6.5
Vooropgesteld moet worden dat het voorliggende uitleveringsverzoek van de VS in de eerste plaats wordt beheerst door het Uitleveringsverdrag, dat – in geval van strijdigheid – voorgaat op de bepalingen van de Uw.9.Art. 9 lid 3 Uitleveringsverdrag luidt:
“Bij een verzoek tot uitlevering met betrekking tot een persoon die wordt gezocht met het oog op vervolging dienen te worden gevoegd:
a. het origineel of een gewaarmerkt afschrift van het bevel tot aanhouding, opgemaakt door een rechter of andere bevoegde rechterlijke autoriteit van de verzoekende Staat; en
b. het bewijsmateriaal dat, volgens het recht van de aangezochte Staat, de aanhouding en dagvaarding van die persoon zou rechtvaardigen indien het feit in die Staat zou zijn gepleegd, met inbegrip van bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de persoon wiens uitlevering wordt verzocht degene is op wie het bevel tot aanhouding betrekking heeft.”
6.6
De aan het middel ten grondslag liggende stelling dat de rechtbank het verzoek tot voorlopige aanhouding en het daarbij gevoegde aanhoudingsbevel in ogenschouw had moeten nemen bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering, vindt geen steun in het recht. Art. 9 lid 3 Uitleveringsverdrag vereist – in min of meer vergelijkbare bewoordingen als art. 18 lid 3 Uw – dat een verzoek strekkende tot vervolgingsuitlevering wordt vergezeld van een (kopie) van een bevel tot aanhouding. Aan die eis is in het onderhavige geval voldaan. De Amerikaanse autoriteiten hebben bij het uitleveringsverzoek van 5 maart 2025 namelijk een aanhoudingsbevel (“Arrest Warrant”) van 21 januari 2025 bijgesloten (zie hiervoor onder randnummer 2.7). Het verzoek tot voorlopige aanhouding en het bijbehorende aanhoudingsbevel van 7 januari 2025 waarop de steller van het middel doelt (zie hiervoor onder randnummers 2.2-2.3) dateren van vóór het uitleveringsverzoek en maken daarvan in zoverre geen deel uit. Reeds hierop stuit het middel in beide onderdelen af.
6.7
Daaraan voeg ik ten overvloede toe dat de door de verdediging gestelde verschillen tussen de stukken bij het verzoek tot voorlopige aanhouding enerzijds en de stukken bij het verzoek tot uitlevering anderzijds mij niet zijn gebleken, zodat het middel ook wegens gebrek aan feitelijke grondslag zijn doel mist. In het verzoek tot voorlopige aanhouding en het bijbehorende aanhoudingsbevel wordt als een van de vier feiten waarvan de opgeëiste persoon wordt verdacht genoemd “conspiracy to damage a protected computer, in violation of Title 18, United States Code, Sections 371, 1030(a)(5)(A)” (zie hiervoor onder randnummers 2.2 en 2.3). In het uitleveringsverzoek van 5 maart 2025 wordt in plaats van dat feit gesproken van “conspiracy to commit an offense against the United States, in violation of Title 18, United States Code, Section 371”. Zoals ik hiervoor onder randnummer 5.8 reeds signaleerde, is dit feit in de Affidavit, de tenlastelegging en het aanhoudingsbevel dat bij het uitleveringsverzoek is gevoegd vervolgens nader gespecificeerd als “de samenzwering tot de beschadiging van een beschermde computer in strijd met titel 18, USC artikel 371” (zie randnummers 2.5-2.7). Zo wordt in de Affidavit nader toegelicht dat het beweerdelijk doel van de onder 1 ten laste gelegde samenzwering het in strijd met onder meer Titel 18, United States Code, Artikel 1030(a)(5)(A) beschadigen van een beschermde computer is.10.Het voorlopig aanhoudingsverzoek en het uitleveringsverzoek zien aldus zowel op dezelfde strafbepaling(en) als op hetzelfde feitencomplex.
7. Slotsom
7.1
Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met een aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
7.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 16‑12‑2025
Productie A.
Productie B.
Productie C.
V.H. Glerum & N. Rozemond, ‘Uitlevering’, in: R. van Elst & E. van Sliedregt, Handboek internationaal strafrecht. Internationaal en Europees strafrecht vanuit Nederlands perspectief, Deventer: Kluwer 2022, p. 202-203 en V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering. Een vergelijking en kritische evaluatie in het licht van het beginsel van wederzijdse erkenning, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2013, p. 634.
HR 15 februari 1977, ECLI:NL:HR:1977:AD6931, NJ 1977/619.
Glerum & Rozemond, a.w., p. 203 en Glerum, a.w., p. 634. Vgl. HR 28 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:ZD1791, NJ 2000/367, waarin eveneens een uitleveringsverzoek van de VS centraal stond. De verdediging had in eerste aanleg aangevoerd dat gevreesd moet worden dat de Amerikaanse rechter zich niet zal houden aan het in art. 15 Uitleveringsverdrag neergelegde specialiteitsbeginsel. De rechtbank verwierp dit verweer met een beroep op het vertrouwensbeginsel. Dat oordeel hield in cassatie stand. De Hoge Raad overwoog onder meer dat “de beantwoording van de vraag of de verzochte uitlevering moet afstuiten op hetgeen namens de opgeëiste persoon is aangevoerd omtrent de dreigende bestraffing voor andere feiten dan waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard”, in beginsel niet toekomt aan de rechter die “ingevolge de Uitleveringswet heeft te oordelen over de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering, onverminderd diens bevoegdheid om van zijn oordeel dienaangaande blijk te geven in het door hem op de voet van het bepaalde in art. 30, tweede lid, UW aan de Minister van Justitie uit te brengen advies”.
S.M.A. Lestrade, T&C Internationaal Strafrecht, commentaar op afd. A UW, aant. 1 (bijgewerkt t/m 1 september 2025).
Zie hierover meer bijv. J. Remmelink, Uitlevering, Arnhem: Gouda Quint 1990, p. 32-33.
Zie randnummer 22 van de Affidavit.