HR, 19-11-2024, nr. 22/02163
ECLI:NL:HR:2024:1681
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-11-2024
- Zaaknummer
22/02163
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1681, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑11‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:959
ECLI:NL:PHR:2024:959, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑09‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1681
- Vindplaatsen
Uitspraak 19‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Verstoren van orde, rust en veiligheid of goede bedrijfsgang, art. 72 Wet personenvervoer 2000. Verzet tegen strafbeschikking. Heeft verdachte afstand gedaan van bevoegdheid om verzet in te stellen tegen strafbeschikking doordat strafbeschikking is voldaan door bewindvoerder? Art. 257e.1 Sv. Om redenen vermeld in HR:2024:1677 slaagt middel. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 22/02159, 22/02160, 22/02161 en 22/02162.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02163
Datum 19 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 juni 2022, nummer 21-002845-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat in Arnhem, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen het oordeel van het hof dat het tegen de strafbeschikking gedane verzet niet-ontvankelijk is.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 22/02159, ECLI:NL:HR:2024:1677.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2024.
Conclusie 17‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie A-G. Niet-ontvankelijkverklaring in verzet tegen strafbeschikking na betaling (art. 257e lid 1, derde volzin, Sv). Slagende klacht dat het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte vrijwillig heeft voldaan aan de strafbeschikking getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing. Samenhang met de zaken 22/02159, 22/02160, 22/02161 en 22/02162.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/02163
Zitting 17 september 2024
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De enkelvoudige strafkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 10 juni 2022 het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 22 mei 2019 vernietigd en de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het verzet tegen de strafbeschikking van 29 november 2018 onder het CJIB-nummer 2132542003431887.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 22/02159, 22/02160, 22/02161 en 22/02162. In die zaken concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is op 14 juni 2022 ingesteld namens de verdachte. S.F.W. van ‘t Hullenaar, advocaat te Arnhem, heeft één middel van cassatie voorgesteld dat zich richt tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het verzet tegen de strafbeschikking.
2. Het middel
2.1
In het middel wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat de verdachte “door betaling van de bij de strafbeschikking opgelegde boete afstand heeft gedaan van de bevoegdheid tot het doen van verzet”, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat “de beslissing van het hof tot niet-ontvankelijkverklaring van [de verdachte] in het verzet tegen de strafbeschikking – in het licht van hetgeen door de raadsman van [de verdachte] is aangevoerd [A-G: over de onderbewindstelling van de verdachte en de betaling van de aan hem opgelegde geldboete door de bewindvoerder] – niet begrijpelijk [is].”
2.2
Het middel slaagt om de redenen die ik daarvoor heb opgegeven in mijn conclusie in de zaak tegen de verdachte onder het griffienummer 22/02159.
3. Slotsom
3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G