In de in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 juni 2022 opgenomen aantekening van het mondeling arrest is vermeld dat de strafbeschikking dateert van 2 november 2018. Uit het bij de stukken gevoegde zaakoverzicht van het CJIB van 12 mei 2019 blijkt echter dat de overtreding waarvoor de strafbeschikking is uitgevaardigd is begaan op 9 november 2018 en dat de strafbeschikking met het CJIB-nummer 9132542003437076 dateert van 6 december 2018. Derhalve wordt in deze conclusie ervan uitgegaan dat de strafbeschikking dateert van 6 december 2018 en dat de in de aantekening van het mondeling arrest genoemde datum van 2 november 2018 een kennelijke misslag is.
HR, 19-11-2024, nr. 22/02159
ECLI:NL:HR:2024:1677
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-11-2024
- Zaaknummer
22/02159
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
Strafprocesrecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2024:1677, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑11‑2024; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:955
ECLI:NL:PHR:2024:955, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑09‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1677
ECLI:NL:PHR:2024:970, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑09‑2024
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2024:1679
Beroepschrift, Hoge Raad, 31‑01‑2023
- Vindplaatsen
SR-Updates.nl 2024-0284
Uitspraak 19‑11‑2024
Inhoudsindicatie
Verstoren van orde, rust en veiligheid of goede bedrijfsgang, art. 72 Wet personenvervoer 2000. Verzet tegen strafbeschikking. Heeft verdachte afstand gedaan van bevoegdheid om verzet in te stellen tegen strafbeschikking doordat strafbeschikking is voldaan door bewindvoerder? Art. 257e.1 Sv. In art. 257e.1 (derde volzin) Sv is bepaald dat verzet niet kan worden gedaan als verdachte afstand heeft gedaan van bevoegdheid daartoe door vrijwillig aan strafbeschikking te voldoen. Volgens wetsgeschiedenis van deze bepaling mag uit omstandigheid dat aan strafbeschikking wordt voldaan, in algemeen worden afgeleid dat verdachte vrijwillig aan strafbeschikking heeft voldaan. Als echter door of namens verdachte gemotiveerd wordt aangevoerd dat in concrete omstandigheden van geval voldoen aan strafbeschikking niet vrijwillig was, moet rechter onderzoeken of sprake was van vrijwilligheid en moet hij van dat onderzoek blijk geven in uitspraak. Hof heeft (onder verwijzing naar standpunt AG in hoger beroep) tegen strafbeschikking gedaan verzet n-o verklaard. Die beslissing berust op kennelijk oordeel van hof dat verdachte met betaling van sanctiebedrag vrijwillig aan strafbeschikking heeft voldaan. Hof heeft dat oordeel echter ontoereikend gemotiveerd, nu namens verdachte gemotiveerd is aangevoerd dat vanwege zijn onderbewindstelling geen sprake was van vrijwillige voldoening door verdachte aan strafbeschikking, en hof geen blijk heeft gegeven van hiervoor bedoeld onderzoek. Volgt vernietiging en terugwijzing. Samenhang met 22/02160, 22/02161, 22/02162 en 22/02163.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02159
Datum 19 november 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 juni 2022, nummer 21-002839-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat in Arnhem, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen het oordeel van het hof dat het tegen de strafbeschikking gedane verzet niet-ontvankelijk is.
2.2
Ten laste van de verdachte is een strafbeschikking uitgevaardigd met een betalingsverplichting van € 95 in verband met overtreding van artikel 72 van de Wet personenvervoer 2000. Tegen die strafbeschikking heeft de verdachte verzet gedaan. Het hof heeft het verzet niet-ontvankelijk verklaard en daartoe onder meer overwogen:
“De advocaat-generaal voert het woord tot requisitoir als volgt:
(...)Het verzet tegen de strafbeschikking in deze zaak is blijkens het zaakoverzicht ruim na het betalen van de boete ingesteld. Ingevolge artikel 257e van het Wetboek van Strafvordering doet verdachte afstand van het recht van verzet indien hij de strafbeschikking voldoet. Dat is hier ontegenzeggelijk gebeurd. Hij had dit kunnen weten gelet op de toelichting op de strafbeschikking. Naar mijn oordeel moet in deze zaak het vonnis van de kantonrechter vernietigd worden en het verzet niet-ontvankelijk verklaard worden. De betaalde strafbeschikking blijft daardoor in stand.(...)
De raadsman voert het woord tot verdediging als volgt:
Ik had er geen rekening mee gehouden dat de ontvankelijkheid van het verzet nog aan bod zou komen vandaag, nu de zaak voor de tweede keer op zitting staat bij het hof. Ik vind het twijfelachtig of je dat nu moet gaan aanvoeren, zeker als je subsidiaire standpunt vrijspraak is. Ik weet niet of, hoe en wanneer cliënt de strafbeschikking heeft betaald. Ik denk ook niet dat dat zo belangrijk is. Het verzet is niet meer mogelijk als er vrijwillig is voldaan aan de inhoud van de strafbeschikking. Cliënt staat onder bewind. Bij mijn weten al sinds 15 jaar. De post komt bij de bewindvoerder binnen en de bewindvoerder betaalt ook de strafbeschikkingen. Daar heeft cliënt niets over te zeggen. Dat is dus geen vrijwillige voldoening aan de inhoud van de strafbeschikking. Toen hij kennis kreeg van de strafbeschikking heeft hij verzet ingesteld. Ik ben dus van mening dat het verzet ontvankelijk is.(...)
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede onmiddellijk uitspraak te zullen doen.
De voorzitter spreekt het arrest ter openbare terechtzitting uit en overweegt daarbij dat ongeacht wat er zij van hetgeen door de raadsman en de advocaat-generaal verder naar voren is gebracht, in de eerste plaats de vraag dient te worden beantwoord of de verdachte ontvankelijk is in het verzet tegen de uitgevaardigde strafbeschikking, welke vraag overeenkomstig hetgeen door de advocaat-generaal primair naar voren is gebracht ontkennend dient te worden beantwoord.
(...)
AANTEKENING VAN HET MONDELING ARREST
(...)
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het verzet tegen de strafbeschikking van 2 november 2018 (de Hoge Raad begrijpt: 6 december 2018) onder CJIB-nummer 9132542003437076.”
2.3.1
Artikel 257e lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) luidt:
“Tegen een strafbeschikking kan de verdachte verzet doen binnen veertien dagen nadat het afschrift in persoon aan hem is uitgereikt, dan wel zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de strafbeschikking hem bekend is. Onverminderd de vorige zin kan tegen een strafbeschikking waarin een geldboete van niet meer dan € 340 is opgelegd, wegens een overtreding welke ten hoogste vier maanden voor toezending is gepleegd, verzet worden gedaan tot uiterlijk zes weken na toezending. Verzet kan niet worden gedaan indien de verdachte afstand heeft gedaan van de bevoegdheid daartoe door vrijwillig aan de strafbeschikking te voldoen. Verzet kan voorts niet worden gedaan indien de verdachte, bijgestaan door een raadsman, schriftelijk afstand heeft gedaan van de bevoegdheid daartoe.”
2.3.2
De geschiedenis van de totstandkoming van de Wet van 7 juli 2006 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met de buitengerechtelijke afdoening van strafbare feiten (Stb. 2006, 330) houdt onder meer in:
“Het voorgestelde artikel 257e, eerste lid, Sv leidt uit voldoening aan (de straffen, maatregelen en aanwijzingen van) de strafbeschikking af, dat afstand wordt gedaan van het recht, verzet aan te wenden. Uit de omstandigheid dat aan de strafbeschikking wordt voldaan mag immers door de bank genomen worden afgeleid dat de verdachte zich daarbij neerlegt.
(...)
Daarnaast maakt de constructie van de strafbeschikking het mogelijk om ook rechtsgeldig afstand te doen van het recht, verzet te doen tegen een strafbeschikking zonder dat daar onmiddellijk aan wordt voldaan. Die mogelijkheid dient evenwel, mede gelet op artikel 6 EVRM, van waarborgen te worden voorzien. Verzekerd dient te zijn dat de verdachte de implicaties van zijn beslissing overziet. Indien de verdachte vrijwillig aan de strafbeschikking voldoet, mag worden aangenomen dat dit het geval is.”(Kamerstukken II 2004/2005, 29 849, nr. 3, p. 43.)
2.4
In artikel 257e lid 1, derde volzin, Sv is bepaald dat verzet niet kan worden gedaan als de verdachte afstand heeft gedaan van de bevoegdheid daartoe door vrijwillig aan de strafbeschikking te voldoen. Volgens de onder 2.3.2 weergegeven wetsgeschiedenis mag uit de omstandigheid dat aan de strafbeschikking wordt voldaan, in het algemeen worden afgeleid dat de verdachte vrijwillig aan de strafbeschikking heeft voldaan. Als echter door of namens de verdachte gemotiveerd wordt aangevoerd dat in de concrete omstandigheden van het geval het voldoen aan de strafbeschikking niet vrijwillig was, moet de rechter onderzoeken of sprake was van vrijwilligheid en moet hij van dat onderzoek blijk geven in de uitspraak.
2.5
Het hof heeft – onder verwijzing naar het standpunt van de advocaat-generaal in hoger beroep – het tegen de strafbeschikking gedane verzet niet-ontvankelijk verklaard. Die beslissing berust op het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte met de betaling van het sanctiebedrag vrijwillig aan de strafbeschikking heeft voldaan. Het hof heeft dat oordeel echter ontoereikend gemotiveerd, nu namens de verdachte gemotiveerd is aangevoerd dat vanwege zijn onderbewindstelling geen sprake was van vrijwillige voldoening door de verdachte aan de strafbeschikking, en het hof geen blijk heeft gegeven van het onder 2.4 bedoelde onderzoek.
2.6
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2024.
Conclusie 17‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Niet-ontvankelijkverklaring in verzet tegen strafbeschikking na betaling (art. 257e lid 1, derde volzin, Sv). Slagende klacht dat het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte vrijwillig heeft voldaan aan de strafbeschikking getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing. Samenhang met de zaken 22/02160, 22/02161, 22/02162 en 22/02163.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/02159
Zitting 17 september 2024
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De enkelvoudige strafkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 10 juni 2022 het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 22 mei 2019 vernietigd en de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het verzet tegen de strafbeschikking van 6 december 20181.onder het CJIB-nummer 9132542003437076.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 22/02160, 22/02161, 22/02162 en 22/02163. In die zaken concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is op 14 juni 2022 ingesteld namens de verdachte. S.F.W. van ‘t Hullenaar, advocaat te Arnhem, heeft één middel van cassatie voorgesteld dat zich richt tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het verzet tegen de strafbeschikking.
1.4
Het middel is terecht voorgesteld. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak.
2. Het middel
2.1
In het middel wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat de verdachte “door betaling van de bij de strafbeschikking opgelegde boete afstand heeft gedaan van de bevoegdheid tot het doen van verzet”, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat “de beslissing van het hof tot niet-ontvankelijkverklaring van [de verdachte] in het verzet tegen de strafbeschikking – in het licht van hetgeen door de raadsman van [de verdachte] is aangevoerd [A-G: over de onderbewindstelling van de verdachte en de betaling van de aan hem opgelegde geldboete door de bewindvoerder] – niet begrijpelijk [is].”
Het zaakoverzicht van het CJIB
2.2
Het zaakoverzicht van het CJIB van 12 mei 2019 houdt onder meer in:
“
Gegevens strafbeschikking | |
CJIB-nummer | 9132542003437076 |
(…)
Status zaak: (NE, EX, OH) | Onherroepelijk |
Datum onherroepelijk: | 05-12-2018 |
Datum overdracht aan OM: | 11-02-2019 |
Overdragen OM: | Parket Centrale Verwerking OM |
Reden overdracht OM: | Verzet |
(…)
Feitgegevens
(…)
Pleegdatum: | 09-11-2018 |
(…)
Verzet | |
Datum verzet SB: | 18-12-2018 |
(…)
Overzicht ontvangen bedragen | ||||
Bedrag | Datum ontvangst | Rekeningnummer | Betaald aan | Ontvangstnummer |
104,00 euro | 05-12-2018 | [001] | [nummer] | |
”
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 juni 2022
2.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 10 juni 2022 houdt onder meer in:
“De advocaat-generaal voert het woord tot requisitoir als volgt:
(…)
Het verzet tegen de strafbeschikking in deze zaak is blijkens het zaakoverzicht ruim na het betalen van de boete ingesteld. Ingevolge artikel 257e van het Wetboek van Strafvordering doet verdachte afstand van het recht van verzet indien hij de strafbeschikking voldoet. Dat is hier ontegenzeggelijk gebeurd. Hij had dit kunnen weten gelet op de toelichting op de strafbeschikking. Naar mijn oordeel moet in deze zaak het vonnis van de kantonrechter vernietigd worden en het verzet niet-ontvankelijk verklaard worden. De betaalde strafbeschikking blijft daardoor in stand.
(…)
De raadsman voert het woord tot verdediging als volgt:
Ik had er geen rekening mee gehouden dat de ontvankelijkheid van het verzet nog aan bod zou komen vandaag, nu de zaak voor de tweede [A-G: lees derde] keer op zitting staat bij het hof. Ik vind het twijfelachtig of je dat nu moet gaan aanvoeren, zeker als je subsidiaire standpunt vrijspraak is. Ik weet niet of, hoe en wanneer cliënt de strafbeschikking heeft betaald. Ik denk ook niet dat dat zo belangrijk is. Het verzet is niet meer mogelijk als er vrijwillig is voldaan aan de inhoud van de strafbeschikking. Cliënt staat onder bewind. Bij mijn weten al sinds 15 jaar. De post komt bij de bewindvoerder binnen en de bewindvoerder betaalt ook de strafbeschikkingen. Daar heeft cliënt niets over te zeggen. Dat is dus geen vrijwillige voldoening aan de inhoud van de strafbeschikking. Toen hij kennis kreeg van de strafbeschikking heeft hij verzet ingesteld. Ik ben dus van mening dat het verzet ontvankelijk is.
(…)
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede onmiddellijk uitspraak te zullen doen.
De voorzitter spreekt het arrest ter openbare terechtzitting uit en overweegt daarbij dat ongeacht wat (…) door de raadsman en de advocaat-generaal verder naar voren is gebracht, in de eerste plaats de vraag dient te worden beantwoord of de verdachte ontvankelijk is in het verzet tegen de uitgevaardigde strafbeschikking, welke vraag overeenkomstig hetgeen door de advocaat-generaal primair naar voren is gebracht ontkennend dient te worden beantwoord.
(…)
AANTEKENING VAN HET MONDELING ARREST
(…)
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het verzet tegen de strafbeschikking van 2 november 2018 [A-G: lees 6 december 2018] onder CJIB-nummer 9132542003437076.”
Het juridisch kader
i. de relevante wettelijke bepalingen
2.4
Voor de beoordeling van het middel zijn in verband met de ontvankelijkheid van het verzet en de betaling van de strafbeschikking door de bewindvoerder de volgende strafvorderlijke en civielrechtelijke wettelijke bepalingen van belang:
- Art. 257e lid 1, derde en vierde volzin, Sv:
“Verzet kan niet worden gedaan indien de verdachte afstand heeft gedaan van de bevoegdheid daartoe door vrijwillig aan de strafbeschikking te voldoen. Verzet kan voorts niet worden gedaan indien de verdachte, bijgestaan door een raadsman, schriftelijk afstand heeft gedaan van de bevoegdheid daartoe.”
- Art. 257f lid 4 Sv:
“Indien het verzet niet tijdig of onbevoegdelijk is gedaan dan wel niet aan de vereisten van artikel 257e, vierde lid, is voldaan, wordt het niet ontvankelijk verklaard. Indien de rechter de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie uitspreekt, dan wel de verdachte vrijspreekt, ontslaat van alle rechtsvervolging of veroordeelt, vernietigt hij de strafbeschikking.”
- Art. 1:431 lid 1 onder b BW:
“1. De kantonrechter kan een bewind instellen over één of meer van de goederen die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren
a. (…)
b. voor een bepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden.”
- Art. 1:438 BW:
“1. Tijdens het bewind komt het beheer over de onder bewind staande goederen niet toe aan de rechthebbende maar aan de bewindvoerder.
2. Tijdens het bewind kan de rechthebbende slechts met medewerking van de bewindvoerder of, indien deze weigerachtig is, met machtiging van de kantonrechter over de onder het bewind staande goederen beschikken.”
- Art. 1:441 lid 1 BW:
“Tijdens het bewind vertegenwoordigt de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte. De bewindvoerder draagt zorg voor een doelmatige belegging van het vermogen van de rechthebbende, voor zover dit onder het bewind staat en niet besteed behoort te worden voor een voldoende verzorging van de rechthebbende. De bewindvoerder kan voorts voor de rechthebbende alle handelingen verrichten die aan een goed bewind bijdragen.”
- Art. 1:443 BW:
“De bewindvoerder kan alvorens in rechte op te treden zich te zijner verantwoording doen machtigen door de rechthebbende of, indien deze daartoe niet in staat of weigerachtig is, door de kantonrechter.”
ii. geen verzet mogelijk bij vrijwillig voldoen aan de strafbeschikking
2.5
In art. 257e lid 1, derde volzin, Sv is bepaald dat verzet niet meer kan worden gedaan als de verdachte de strafbeschikking vrijwillig heeft voldaan. Volgens de wetgever mag uit de omstandigheid dat de strafbeschikking is voldaan “door de bank genomen” worden afgeleid dat de verdachte zich daarbij neerlegt. Bovendien mag in dat geval worden aangenomen dat de verdachte de implicaties van zijn beslissing overziet.2.Afstand van de bevoegdheid tot het doen van verzet betekent in wezen dat de verdachte afstand doet van zijn recht op beoordeling van zijn zaak door een onafhankelijke rechter.3.Voorwaarde daarvoor is wel dat de verdachte vrijwillig aan de strafbeschikking heeft voldaan.4.
2.6
Wat onder vrijwillige voldoening aan de strafbeschikking moet worden verstaan, is kennelijk zo vanzelfsprekend dat daarover in de wetsgeschiedenis en in de literatuur nauwelijks iets is te vinden. Voor zover ik heb kunnen nagaan, heeft ook de Hoge Raad zich hierover niet eerder uitgelaten. Kessler verstaat onder vrijwillige voldoening dat de verdachte uit eigen beweging aan de strafbeschikking voldoet.5.Daarmee lijkt te kunnen worden gelijkgesteld het geval waarin een derde (al dan niet in opdracht of op verzoek en) met medeweten en instemming van de verdachte namens hem aan de strafbeschikking voldoet, hetgeen bij een opgelegde geldboete wel voorstelbaar is en bij een opgelegde taakstraf niet. Van vrijwilligheid is volgens Kessler geen sprake als verhaal wordt genomen op het vermogen van de verdachte, waardoor de in de strafbeschikking opgelegde geldboete geheel wordt voldaan.6.Van vrijwilligheid zal in de regel evenmin kunnen worden gesproken in het geval een derde zonder medeweten en instemming van de verdachte de strafbeschikking voldoet. Overigens is het in die situatie ook nog maar de vraag of dan kan worden gesproken van voldoening aan de strafbeschikking door de verdachte.
2.7
Blijkens de wetsgeschiedenis kan uit de omstandigheid dat aan de strafbeschikking is voldaan in het algemeen (“door de bank genomen”) worden afgeleid dat de verdachte zich bij de aan hem opgelegde straf neerlegt.7.Hieruit volgt dat ook in de ogen van de wetgever gevallen denkbaar zijn waarin weliswaar aan de strafbeschikking is voldaan, maar daaruit niet zonder meer kan worden afgeleid dat sprake is van vrijwillige voldoening. In een dergelijk geval ligt het op de weg van de rechter om te onderzoeken of de verdachte vrijwillig heeft voldaan aan de strafbeschikking.8.
2.8
Het verzet wordt door de rechter op grond van art. 257f lid 4 Sv niet-ontvankelijk verklaard als het niet tijdig is gedaan, het onbevoegdelijk is gedaan of als niet aan de vormvereisten van art. 257e lid 4 Sv is voldaan. Als aan een strafbeschikking vrijwillig is voldaan, is een daarna ingesteld verzet per definitie niet tijdig en dus niet ontvankelijk. Het gevolg van de niet-ontvankelijkverklaring van het verzet is dat de strafbeschikking in stand blijft.
iii. de onder bewind gestelde verdachte
2.9
Raadpleging van het openbare Centraal Curatele- en bewindregister wijst uit dat de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland bij beschikking van 11 augustus 2017 met ingang van 12 augustus 2017 een bewind heeft ingesteld over de (toekomstige) goederen van de verdachte wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft bij beschikking van 5 februari 2019 de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd. Dat betekent dus onmiskenbaar dat op het moment dat aan de strafbeschikking werd voldaan, sprake was van ‘beschermingsbewind’ als bedoeld in art. 1:431 lid 1 onder b BW.
2.10
Het beschermingsbewind leidt niet tot handelingsonbekwaamheid of -onbevoegdheid van de onderbewindgestelde, maar leidt er wel toe dat de onderbewindgestelde onbevoegd is tot beheer over de onder bewind gestelde goederen (art. 1:438 lid 1 BW). Onder beheer wordt verstaan al datgene wat gedaan moet worden om de onder bewind staande goederen in stand te houden en de opbrengst ervan te verwerven, en omvat alles wat moet worden gedaan in het kader van de normale exploitatie van de onder bewind staande goederen. Onder de normale exploitatie van een goed vallen feitelijke handelingen, zoals het doen van onderhoud, het vervangen van onderdelen, het innen van huur of rente, maar ook rechtshandelingen zoals het sluiten van koopovereenkomsten, het sluiten van arbeidsovereenkomsten of huurovereenkomsten voor zover dit past binnen de normale exploitatie.9.Onder goederen worden volgens art. 3:1 BW begrepen alle (stoffelijke) zaken en alle vermogensrechten. Vermogensrechten zijn op grond van art. 3:6 BW rechten die overdraagbaar zijn, of er toe strekken de rechthebbende stoffelijk voordeel te verschaffen, ofwel verkregen zijn in ruil voor verstrekt of in het vooruitzicht gesteld stoffelijk voordeel.10.Chartaal en giraal geld zijn goederen in de zin van het Burgerlijk Wetboek en zijn daarmee vatbaar voor het beschermingsbewind. Chartaal geld is immers een voor menselijke beheersing vatbaar stoffelijk object en is daarmee een (roerende) zaak en dus een goed (vgl. art. 3:2 BW in verbinding met art. 3:3 lid 2 BW en art. 3:1 BW). Giraal geld is een vordering op de bank. Het is een overdraagbaar vorderingsrecht en daarmee een vermogensrecht en een goed (vgl. art. 3:83 lid 1 BW in verbinding met art. 3:6 BW en art. 3:1 BW).11.
2.11
Verder leidt het beschermingsbewind ertoe dat de onderbewindgestelde in beginsel enkel met medewerking van de bewindvoerder kan beschikken over de onder bewind staande goederen (art. 1:438 lid 2 BW). Met beschikken wordt gedoeld op goederenrechtelijke rechtshandelingen, zoals het vervreemden of het bezwaren van de onder bewind staande goederen.12.De onderbewindgestelde kan dus in beginsel alleen door, althans met medewerking van, de bewindvoerder betalingen verrichten.13.Weigert de bewindvoerder medewerking te verlenen, dan kan de onderbewindgestelde de kantonrechter om een machtiging verzoeken om alsnog over de onder bewind gestelde goederen te beschikken (art. 1:438 lid 2 BW).
2.12
De bewindvoerder is tijdens het bewind bij de vervulling van zijn taak vertegenwoordigingsbevoegd (art. 1:441 lid 1 BW in verbinding met art. 1:443 BW). Gaat het om een rechtszaak waarbij niet-vermogensrechtelijke belangen voorop staan, dan moet de onderbewindgestelde voor zichzelf opkomen en komt aan de bewindvoerder geen vertegenwoordigingsbevoegdheid toe. De onderbewindgestelde blijft ten aanzien van die aangelegenheden dus zelf, en in elk geval met uitsluiting van de bewindvoerder, procesbevoegd. Dit is bijvoorbeeld het geval in het straf(proces)recht.14.
De bespreking van het middel
2.13
Het hof heeft de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het verzet tegen de strafbeschikking. Het hof heeft door te verwijzen naar hetgeen primair door de advocaat-generaal bij het hof naar voren is gebracht kennelijk overwogen dat de verdachte overeenkomstig art. 257e Sv afstand heeft gedaan van het recht van verzet doordat hij de strafbeschikking heeft voldaan. Het wettelijk criterium is echter strikter doordat daarin expliciet wordt vereist dat de verdachte vrijwillig aan de strafbeschikking heeft voldaan. In zoverre ben ik het met de steller van het middel eens dat de wijze waarop het hof de ontvankelijkheid van de verdachte heeft beoordeeld niet getuigt van een juiste rechtsopvatting.
2.14
Voor zover de Hoge Raad dat anders ziet, dringt zich de vraag op of het hof voldoende oog heeft gehad voor de mogelijkheid dat er sprake is van een situatie waarin weliswaar aan de strafbeschikking is voldaan, maar van een vrijwillige – in casu – betaling geen sprake is geweest.
2.15
De raadsman van de verdachte heeft het vrijwillige karakter van de voldoening aan de strafbeschikking gemotiveerd betwist. Hij heeft aangevoerd dat de verdachte niet uit eigen beweging aan de strafbeschikking heeft voldaan, maar dat zijn bewindvoerder zonder zijn medeweten en instemming de bij de strafbeschikking opgelegde geldboete heeft betaald. Volgens de raadsman (i) staat de verdachte al 15 jaren onder bewind, (ii) komt de post van de verdachte binnen bij zijn bewindvoerder, (iii) betaalt de bewindvoerder de strafbeschikkingen van de verdachte, (iv) heeft de verdachte daarover niets te zeggen en (v) heeft de verdachte verzet gedaan tegen de strafbeschikking zodra hij daarvan kennis heeft gekregen.
2.16
Daarmee doet zich een situatie voor waarin uit de enkele omstandigheid dat aan de strafbeschikking is voldaan niet zonder meer kan worden afgeleid dat sprake is van vrijwillige voldoening door de verdachte, zodat het op de weg van het hof ligt om daar onderzoek naar te doen, waarbij in het bijzonder kan worden gedacht aan het horen van de bewindvoerder. Uit de stukken die in cassatie beschikbaar zijn, blijkt echter niet van enig nader onderzoek naar de gang van zaken rond de betaling van de strafbeschikking. Het moet er daarom voor worden gehouden dat het hof – en in de fase daarvoor: het Openbaar Ministerie – dat niet heeft gedaan. Daar komt bij dat het hof zich in het geheel niet heeft uitgelaten over hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht over het (on)vrijwillige karakter van de betaling van de geldboete die bij de strafbeschikking is opgelegd. Mijns inziens was het hof daartoe wel gehouden, niet alleen gelet op de onderbouwing en de indringendheid van de namens de verdachte aangevoerde argumenten, maar vooral ook gelet op het daaraan verbonden gevolg: geen mogelijkheid meer van verzet. Dat gevolg is alleen verbonden aan een vrijwillige betaling.
2.17
Ik voeg daar nog het volgende aan toe. Aan het niet ‘door een betaling’, maar ‘door een verklaring’ doen van afstand van de bevoegdheid tot het doen van verzet worden in de vierde volzin van art. 257e lid 1 Sv serieuze eisen gesteld. Dat moet schriftelijk gebeuren en met bijstand van een raadsman. Tegen die achtergrond ligt het voor de hand dat in de situatie van de derde volzin van art. 257e lid 1 Sv eveneens secuur moet worden omgegaan met onderbouwde verweren dat van een vrijwillige betaling van de strafbeschikking geen sprake is geweest. Een andere benadering zou vanuit systematisch oogpunt erg onevenwichtig zijn. In beide gevallen gaat het om hetzelfde ingrijpende juridisch gevolg.
2.18
De gang van zaken bij het hof klemt te meer nu de verdachte vanwege het beschermingsbewind onbevoegd is tot beheer over zijn onder bewind gestelde goederen, hij enkel met medewerking van zijn bewindvoerder (of machtiging van de kantonrechter) betalingen kan verrichten en de bewindvoerder niet vertegenwoordigingsbevoegd is als het gaat om straf(proces)rechtelijke procedures, waaronder ook moet worden begrepen het doen (van afstand van het recht) van verzet tegen een strafbeschikking door vrijwillig aan die strafbeschikking te voldoen.
2.19
Gelet op het voorgaande getuigt het kennelijke oordeel van het hof dat door de verdachte vrijwillig is voldaan aan de strafbeschikking van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dat oordeel niet zonder meer begrijpelijk.
3. Slotsom
3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 17‑09‑2024
Kamerstukken II 2004/05, 29 849, nr. 3, p. 42-43.
M. Kessler, De strafbeschikking (Studiepockets Strafrecht, nr. 38), Deventer: Wolters Kluwer 2015, p. 56; M. Kessler, in: J. Boksem e.a. (red.), Handboek Strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer, par. 65.5.1 en 65.5.2.5.b (online, bijgewerkt tot en met 1 januari 2020).
Overigens vervalt een eenmaal gedaan verzet niet enkel door daarna vrijwillig te voldoen aan de strafbeschikking. Zie HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3220, NJ 2018/295, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 2.4 en HR 5 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:116, rov. 2.4.
Kessler, a.w., p. 56 en Kessler, a.w., 65.5.2.5.b (online, bijgewerkt tot en met 1 januari 2020).
Kessler, a.w., p. 56 en Kessler, a.w., 65.5.2.5.b (online, bijgewerkt tot en met 1 januari 2020).
Het Openbaar Ministerie is hier steeds voorzichtiger mee geworden. Er is flink gesneden in de mogelijkheid tot het direct betalen van een opgelegde strafbeschikking. “Men kan zich afvragen hoe vrijwillig de voldoening is als de verdachte zonder voorzien te zijn van rechtsbijstand de opgelegde boete direct na uitreiking van de strafbeschikking betaalt”, aldus Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Beproefd Verzet. Over de naleving van de wet door het openbaar ministerie bij de afhandeling van het verzet tegen een OM-strafbeschikking, Den Haag 2017, p. 9, noot 32.
In die zin: A-G Hofstee in zijn conclusie vóór HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3220, NJ 2018/295, m.nt. P.A.M. Mevis, randnr. 9, waarin Hofstee de situatie bespreekt van een verdachte die mogelijk verontschuldigbaar heeft gedwaald over een verplichting tot betaling voor het instellen van verzet.
Zie de conclusie van A-G De Bock, randnrs. 4.3-4.4, vóór HR 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:429, NJ 2023/117.
Zie ook de conclusie van A-G Wesseling-van Gent, randnr. 2.27 vóór HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525, NJ 2015/69, m.nt. H.B. Krans. De zaak betreft een prejudiciële beslissing over beschermingsbewind.
Zie ook B. Bierens, Geld in het vermogensrecht (Monografieën BW nr. A17), Deventer: Wolters Kluwer 2020, p. 30 en p. 49-50.
Zie de conclusie van A-G De Bock, randnr. 4.5, vóór HR 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:429, NJ 2023/117.
M.P.M. van Lierop, Praktijkboek beschermingsbewind. Taken en verantwoordelijkheden van de beschermingsbewindvoerder, Weert: Celsus juridische uitgeverij 2022, p. 45-46.
M.P.M. van Lierop, Praktijkboek beschermingsbewind. Taken en verantwoordelijkheden van de beschermingsbewindvoerder, Weert: Celsus juridische uitgeverij 2022, p. 113, 117.
Conclusie 17‑09‑2024
Inhoudsindicatie
Conclusie A-G. Niet-ontvankelijkverklaring in verzet tegen strafbeschikking na betaling (art. 257e lid 1, derde volzin, Sv). Slagende klacht dat het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte vrijwillig heeft voldaan aan de strafbeschikking getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk is. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing. Samenhang met de zaken 22/02159, 22/02160, 22/02162 en 22/02163.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/02161
Zitting 17 september 2024
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte
1. Het cassatieberoep
1.1
De enkelvoudige strafkamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij arrest van 10 juni 2022 het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 22 mei 2019 vernietigd en de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het verzet tegen de strafbeschikking van 6 december 2018 onder het CJIB-nummer 6132542003437099.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 22/02159, 22/02160, 22/02162 en 22/02163. In die zaken concludeer ik vandaag ook.
1.3
Het cassatieberoep is op 14 juni 2022 ingesteld namens de verdachte. S.F.W. van ‘t Hullenaar, advocaat te Arnhem, heeft één middel van cassatie voorgesteld dat zich richt tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het verzet tegen de strafbeschikking.
2. Het middel
2.1
In het middel wordt geklaagd dat het oordeel van het hof dat de verdachte “door betaling van de bij de strafbeschikking opgelegde boete afstand heeft gedaan van de bevoegdheid tot het doen van verzet”, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat “de beslissing van het hof tot niet-ontvankelijkverklaring van [de verdachte] in het verzet tegen de strafbeschikking – in het licht van hetgeen door de raadsman van [de verdachte] is aangevoerd [A-G: over de onderbewindstelling van de verdachte en de betaling van de aan hem opgelegde geldboete door de bewindvoerder] – niet begrijpelijk [is].”
2.2
Het middel slaagt om de redenen die ik daarvoor heb opgegeven in mijn conclusie in de zaak tegen de verdachte onder het griffienummer 22/02159.
3. Slotsom
3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Beroepschrift 31‑01‑2023
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
SCHRIFTUUR, houdende één middel van cassatie in de zaak van:
[verdachte] verzoeker van cassatie van een hem betreffend arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 10 juni 2022 waarbij verzoeker niet-ontvankelijk is verklaard in het verzet tegen de strafbeschikking.
Middel
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming uitdrukkelijk met nietigheid is bedreigd of zodanige nietigheid voortvloeit uit de aard van de niet in acht genomen vorm. In het bijzonder heeft het hof de naleving verzuimd van artikel 257e lid 1 Sv, omdat de beslissing van het hof tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in het verzet tegen de strafbeschikking getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof heeft namelijk ten onrechte geoordeeld dat verzoeker door betaling van de bij de strafbeschikking opgelegde boete afstand heeft gedaan van de bevoegdheid tot het doen van verzet. Indien de Hoge Raad van oordeel is dat de beslissing van het hof niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting, is de beslissing van het hof tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in het verzet tegen de strafbeschikking — in het licht van hetgeen door de raadsman van verzoeker is aangevoerd — niet begrijpelijk. Daardoor is die beslissing ontoereikend gemotiveerd.
Toelichting:
1.
Het proces-verbaal van 's hofs terechtzitting van 10 juni 2022 houdt onder meer het volgende in:
‘De advocaat-generaal voert het woord tot requisitoir als volgt:
‘Het lijkt te gaan om de vraag wat verdachte aan het doen was op het moment dat de verbalisant hem aantrof. Verdachte zei op de vorige zitting dat hij muziek maakte en daar een vergunning voor had. De verbalisant zegt dat hij aan het bedelen was. Dan gaat het om de plek waar hij aan het bedelen was. Deed hij dit in een gebied waar de APV geldt en waar de ontheffing op ziet of op een plek vallend binnen het bereik van de Wet Personenvervoer? Het was in ieder geval in de directe nabijheid van het station. Dat lijkt het springende punt te zijn, maar als ik wat verder kijk kom ik meer dingen tegen.
Het verzet tegen de strafbeschikking in deze zaak is blijkens het zaakoverzicht ruim na het betalen van de boete ingesteld. Ingevolge artikel 257e van het Wetboek van Strafvordering doet verdachte afstand van het recht van verzet indien hij de strafbeschikking voldoet. Dat is hier ontegenzeggelijk gebeurd. Hij had dit kunnen weten, gelet op de toelichting op de strafbeschikking. Naar mijn oordeel moet in deze zaak het vonnis van de kantonrechter vernietigd worden en het verzet niet-ontvankelijk verklaard worden. De betaalde strafbeschikking blijft daardoor in stand.
Subsidiair is in deze zaak discussie over de ondertekening van het proces-verbaal. De wijze van verbaliseren in feitgecodeerde zaken is standaard als volgt. Op straat wordt een verkort proces-verbaal opgemaakt waarin de waarneming wordt omschreven. In dat proces-verbaal wordt de verklaring van verdachte weergegeven. Op basis van die informatie wordt een strafbeschikking opgelegd. Als die strafbeschikking niet geëxecuteerd kan worden of indien er verzet wordt ingesteld, dan wordt de verkorte informatie uitgewerkt op de wijze zoals het is gedaan in dit dossier. Dit is een werkwijze van de politie waarvan de Hoge Raad heeft gezegd dat het een geaccordeerd bewijsmiddel is. Ik verwijs hierbij onder meer naar ECLI:NL:HR:2007:AZ2481 en ECLI:NLHR:2008:BC9954.
Noodzakelijk is dat zich in het dossier de voorlopige informatie met een eigen handtekening van de opsporingsambtenaar die de (vermeende) overtreding constateert bevind en een nadere uitwerking door een administratieve collega. In dit dossier hebben we alleen de uitwerking die enkel door de administratieve collega is ondertekend. In zoverre mist het proces-verbaal bewijskracht. Echter is de betreffende verbalisant gehoord en hij heeft verklaard dat hij verdachte herkende en dat hij aan het bedelen was.
Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij aan het bedelen was in de stationshal. Zo staat het ook in het proces-verbaal. Uit het verhoor van de verbalisant blijkt dat hij zeker weet waar verdachte zat, namelijk onderaan de roltrap op het laaggelegen plein. Dan is de vraag of daar de APV of de Wet Personenvervoer geldt.
In deze zaak kan ik niet bewijzen dat er gebedeld is in het station. Gezien de ouderdom van de feiten vind ik het niet passend om de tenlastelegging uit te breiden. Ik eis daarom subsidiair dat verdachte wordt vrijgesproken.’
De raadsman voert het woord tot verdediging als volgt:
‘Ik had er geen rekening mee gehouden dat de ontvankelijkheid van het verzet nog aan bod zou komen vandaag, nu de zaak voor de tweede keer op zitting staat bij het hof. Ik vind het twijfelachtig of je dat nu moet gaan aanvoeren, zeker als je subsidiaire standpunt vrijspraak is. Ik weet niet of, hoe en wanneer cliënt de strafbeschikking heeft betaald. Ik denk ook niet dat dat zo belangrijk is. Het verzet is niet meer mogelijk als er vrijwillig is voldaan aan de inhoud van de strafbeschikking. Cliënt staat onder bewind. Bij mijn weten al sinds 15 jaar. De post komt bij de bewindvoerder binnen en de bewindvoerder betaalt ook de strafbeschikkingen. Daar heeft cliënt niets over te zeggen. Dat is dus geen vrijwillige voldoening aan de inhoud van de strafbeschikking. Toen hij kennis kreeg van de strafbeschikking heeft hij verzet ingesteld. Ik ben dus van mening dat het verzet ontvankelijk is.
Ik kan deels meegaan in het subsidiaire standpunt van de advocaat-generaal. Het dossier bevat geen ondertekend concept proces-verbaal van de opsporingsambtenaar. Ik ben van mening dat je dit gebrek niet kunt herstellen met een getuigenverklaring, omdat de inhoud hiervan weinig concreet is over de handelingen die zijn verricht. De verbalisant heeft alleen verklaard dat hij hem denkt te kunnen herinneren en hij blijft heel vaag over waar hij cliënt heeft zien bedelen. Aan de verbalisant is gevraagd waarom er twee verschillende data op het proces-verbaal staan. Hierop heeft hij geen sluitend antwoord gegeven. Dit voedt de gedachte dat het proces-verbaal achteraf is opgemaakt en dat kan de betrouwbaarheid van de waarneming raken. Subsidiair ben ik het wel eens als het gaat om de afgrenzing van het gebied. Verdachte stond niet in de stationshal, maar onderaan de roltrappen bij de liften. Dat gebied valt niet meer onder de Wet Personenvervoer en daar mocht hij dus muziek maken. Ik verzoek u het vonnis van de kantonrechter te vernietigen en verdachte vrij te spreken.
Na een korte onderbreking voor beraad hervat de voorzitter het onderzoek.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede onmiddellijk uitspraak te zullen doen.
De voorzitter spreekt het arrest ter openbare terechtzitting uit en overweegt daarbij dat ongeacht wat er zij van hetgeen door de raadsman en de advocaat-generaal verder naar voren is gebracht, in de eerste plaats de vraag dient te worden beantwoord of de verdachte ontvankelijk is in het verzet tegen de uitgevaardigde strafbeschikking, welke vraag overeenkomstig hetgeen door de advocaat-generaal primair naar voren is gebracht ontkennend dient te worden beantwoord.’’
2.
De aantekening van het mondeling arrest houdt als beslissing van het hof in dat verzoeker niet-ontvankelijk wordt verklaard in het verzet tegen de strafbeschikking.
3.
Art. 257e lid 1, voorlaatste volzin, Sv houdt het volgende in:
‘(…) Verzet kan niet worden gedaan indien de verdachte afstand heeft gedaan van de bevoegdheid daartoe door vrijwillig aan de strafbeschikking te voldoen. (…)’
4.
Indien de verdachte vrijwillig aan de strafbeschikking voldoet, volgt uit art. 257e lid 1 Sv dat hij daarmee afstand doet van de bevoegdheid tot het doen van verzet. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat uit de vrijwillige betaling van de bij de strafbeschikking opgelegde boete kan worden afgeleid dat de verdachte zich bij de oplegging daarvan neerlegt (Kamerstukken II 2004/05, 29849,3, p.43). Voorwaarde hierbij is wel dat de betaling ‘vrijwillig’ is gedaan. Onder de vrijwillige betaling kan worden verstaan dat de verdachte uit eigener beweging aan de strafbeschikking voldoet. In gevallen waarin de overheid verhaal neemt op het vermogen van de verdachte waardoor de in de strafbeschikking opgelegde sanctie geheel wordt voldaan (terwijl de verzetstermijn nog niet is verstreken), wordt evident niet aan deze eis van vrijwilligheid voldaan (vgl. M. Kessler, De strafbeschikking 2015, p. 56).
5.1.
Aan de niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in het verzet tegen de strafbeschikking heeft het hof ten grondslag gelegd dat wanneer de bij de strafbeschikking opgelegde boete door de verdachte is voldaan de verdachte daarmee afstand doet van de bevoegdheid tot het doen van verzet. Dat oordeel getuigt, gelet op hetgeen hiervoor onder 4. is vooropgesteld, van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof had dienen te beoordelen of de verdachte de bij de strafbeschikking opgelegde boete ‘vrijwillig’ heeft voldaan.
5.2.
Indien de Hoge Raad van oordeel is dat in het oordeel van het hof besloten ligt dat verzoeker de bij de strafbeschikking opgelegde boete vrijwillig (dat wil zeggen: uit eigen beweging) heeft voldaan en dat het oordeel van het hof niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting wijs ik op het volgende. Door de raadsman van verzoeker in hoger beroep is onder meer aangevoerd dat in casu geen sprake is van een vrijwillige voldoening van de inhoud van de strafbeschikking omdat verzoeker al vijftien jaar onder bewind staat, dat de post van verzoeker binnen komt bij de bewindvoerder, dat de bewindvoerder de bij strafbeschikking opgelegde boete vervolgens voldoet en dat verzoeker op die betaling geen enkele invloed heeft. Op het moment dat verzoeker kennis kreeg van de strafbeschikking is hij in verzet gekomen, aldus de raadsman.1. Het hof heeft de juistheid van de beweringen van de raadsman in het midden gelaten, zodat in cassatie van die juistheid moet worden uitgegaan. Dat brengt mee dat het oordeel van het hof dat verzoeker de bij de strafbeschikking opgelegde boete vrijwillig heeft voldaan, niet begrijpelijk is. De beslissing van het hof tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in het verzet tegen de strafbeschikking is mitsdien ontoereikend gemotiveerd.
Slotsom:
Om de redenen, in het voorgaande vervat, kan het bestreden arrest niet in stand blijven; dat arrest behoort daarom te worden vernietigd. Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mr. S.F.W. van 't Hullenaar advocaat te Arnhem, die bij dezen verklaart tot die indiening en ondertekening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door verzoeker van cassatie.
Arnhem, 31 januari 2023
mr. S.F.W. van 't Hullenaar
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 31‑01‑2023
Ik merk hierbij ter volledigheid nog op dat in het geval bewind is ingesteld over één of meer goederen van een meerderjarige verdachte de verdachte nog wel zelfstandig rechtshandelingen, zoals het doen van verzet tegen een strafbeschikking, mag verrichten, omdat hij handelingsbekwaam blijft.