Rechtbank Den Haag 9 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4985.
HR, 27-06-2025, nr. 24/02577
ECLI:NL:HR:2025:1024
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27-06-2025
- Zaaknummer
24/02577
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2025:1024, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑06‑2025; (Cassatie, Beschikking)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:65
ECLI:NL:PHR:2025:65, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑01‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2025:1024
Beroepschrift, Hoge Raad, 08‑07‑2024
- Vindplaatsen
BPR-Updates.nl 2025-0054
PFR-Updates.nl 2025-0156
JV 2025/275 met annotatie van mr. H. de Voer
PFR-Updates.nl 2025-0022
Uitspraak 27‑06‑2025
Inhoudsindicatie
Personen- en familierecht. Nationaliteitsrecht. Procesrecht. Verzoek om vaststelling Nederlanderschap van minderjarige van zeven jaar of ouder door erkenning door Nederlander die biologisch ouderschap bij of binnen jaar na erkenning aantoont (art. 4 lid 4 RWN). Eisen aan DNA-bewijs op grond van Besluit DNA-onderzoek vaderschap.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 24/02577
Datum 27 juni 2025
BESCHIKKING
In de zaak van
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst),
zetelende te Den Haag,
VERZOEKER tot cassatie,
hierna: de Staat,
advocaat: S.M. Kingma,
tegen
[de man] in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [de minderjarige],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: [de man],
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naarde beschikking in de zaak C/09/632028 / HA RK 22-276 van de rechtbank Den Haag van 9 april 2024.
De Staat heeft tegen de beschikking van de rechtbank beroep in cassatie ingesteld.
[de man] heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing.
2. Uitgangspunten en feiten
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [de minderjarige] (hierna: [de minderjarige]) is in 2008 in Costa Rica geboren. Zij heeft de Costa Ricaanse nationaliteit.
(ii) [de man] heeft aan de rechtbank in San José, Costa Rica, een verzoek gedaan om rechterlijke machtiging tot erkenning van [de minderjarige].
(iii) Tijdens de gerechtelijke procedure is door DNA-onderzoek vastgesteld dat het voor 99,999% zeker is dat [de man] de biologische vader is van [de minderjarige].
(iv) Bij uitspraak van 10 februari 2016 heeft de rechtbank in Costa Rica op basis van het DNA-bewijs machtiging verleend aan [de man] tot erkenning van [de minderjarige] en heeft de rechtbank de erkenning als verricht beschouwd.
(v) [de man] is vervolgens op de Costa Ricaanse geboorteakte van [de minderjarige] geregistreerd als vader van [de minderjarige].
(vi) In 2018 is [de man] gehuwd met de moeder van [de minderjarige].
(vii) Bij beschikking van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 17 april 2023 is aan [de minderjarige] een verblijfsvergunning verleend.
(viii) [de minderjarige] verblijft nu in Nederland.
(ix) [de man] heeft de Nederlandse nationaliteit.
2.2
[de man] verzoekt in dit geding om vaststelling van het Nederlanderschap van [de minderjarige].
2.3
De rechtbank1.heeft het verzoek toegewezen. Daartoe heeft de rechtbank als volgt overwogen.
De Costa Ricaanse erkenning door [de man] van [de minderjarige] is op 10 februari 2016, de datum van de uitspraak van de Costa Ricaanse rechtbank, rechtsgeldig geworden en kan op grond van art. 10:101 BW worden erkend.
Vervolgens is de vraag of [de minderjarige] als gevolg van de erkenning door [de man] de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Met het DNA-onderzoek dat op last van de rechtbank in Costa Rica tijdens de gerechtelijke procedure is gedaan naar de biologische afstamming van [de minderjarige], is voldaan aan het vereiste van art. 4 lid 4 Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN) dat het biologisch ouderschap bij of binnen een jaar na de erkenning wordt aangetoond. Dit leidt tot de conclusie dat [de minderjarige] op 10 februari 2016 het Nederlanderschap heeft verkregen.
3. Beoordeling van het middel
3.1
Het middel klaagt dat de rechtbank heeft miskend dat krachtens art. 4 lid 6 RWN in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap nadere regels zijn gesteld voor het in art. 4 lid 4 RWN bedoelde bewijs, en dat de rechtbank daaraan (ook ambtshalve) had moeten toetsen. Als de rechtbank dit niet heeft miskend maar van oordeel was dat het DNA-bewijs wel aan deze nadere regels voldeed, heeft zij dat oordeel niet gemotiveerd, aldus het middel.
3.2
Een minderjarige vreemdeling van zeven jaar of ouder verkrijgt het Nederlanderschap door erkenning door een Nederlander die zijn biologische ouderschap bij of binnen de termijn van één jaar na de erkenning aantoont (art. 4 lid 4 RWN in verbinding met art. 4 lid 2 RWN). Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het in art. 4 lid 4 RWN bedoelde bewijs (art. 4 lid 6 RWN).
3.3
Nadere regels als hiervoor in 3.2 bedoeld, zijn gesteld in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap (hierna: het Besluit). Art. 1 lid 1 van het Besluit houdt in dat het in art. 4 lid 4 RWN bedoelde bewijs wordt aangetoond door DNA-onderzoek. Art. 1 lid 3 van het Besluit houdt in dat het DNA-bewijs wordt geleverd door middel van een als zodanig herkenbaar en ondertekend rapport van een laboratorium als bedoeld in art. 1 lid 6 van het Besluit. Art. 1 lid 6 van het Besluit bepaalt dat het DNA-onderzoek wordt verricht in een laboratorium dat is geaccrediteerd, kort gezegd, door de Raad van Accreditatie of, indien het laboratorium in het buitenland is gevestigd, door een met de Raad voor Accreditatie vergelijkbare instantie of een bevoegde autoriteit. Uit de nota van toelichting bij het Besluit volgt dat het DNA-bewijs in alle gevallen op voornoemde wijze moet worden geleverd.2.
3.4
3.5
De rechtbank heeft geoordeeld dat met het DNA-onderzoek dat in opdracht van de rechtbank in Costa Rica is uitgevoerd, voldaan is aan art. 4 lid 4 RWN. De rechtbank heeft echter niet kenbaar onderzocht of het DNA-onderzoek voldeed aan de uit art. 4 lid 6 RWN in verbinding met het Besluit voortvloeiende eis dat het biologisch ouderschap is aangetoond door middel van een als zodanig herkenbaar en ondertekend rapport van een conform het Besluit geaccrediteerd laboratorium. Het middel slaagt derhalve.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank Den Haag van 9 april 2024;
- wijst de zaak terug naar die rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Deze beschikking is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, F.R. Salomons en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 27 juni 2025.
Voetnoten
Voetnoten Uitspraak 27‑06‑2025
Conclusie 17‑01‑2025
Inhoudsindicatie
Nationaliteitsrecht. Verzoek tot vaststelling Nederlanderschap op voet art. 17 Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Erkenning minderjarig kind in Costa Rica na aldaar plaatsgevonden DNA-onderzoek; art. 4 lid 4 RWN in verbinding met art. 4 lid 6 RWN; Besluit DNA-onderzoek vaderschap; ambtshalve toepassing?
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02577
Zitting 17 januari 2025
CONCLUSIE
P. Vlas
In de zaak
De Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst),
(hierna: de Staat)
tegen
[verzoeker] in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de [minderjarige] ,
(hierna: verzoeker)
1. Inleiding
1.1
Deze zaak heeft betrekking op een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap op de voet van art. 17 Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Een Nederlandse man (verzoeker) heeft met machtiging van de Costa Ricaanse rechter de minderjarige erkend, nadat op grond van DNA-onderzoek in Costa Rica is vastgesteld dat het voor 99,999 % zeker is dat verzoeker de biologische vader van de minderjarige is. De rechtbank heeft het verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap toegewezen, omdat is voldaan aan het vereiste van art. 4 lid 4 RWN. In cassatie betoogt de Staat dat de rechtbank heeft miskend dat krachtens art. 4 lid 6 RWN en het Besluit DNA-onderzoek vaderschap nadere regels zijn gesteld met betrekking tot het in art. 4 lid 4 RWN bedoelde bewijs door DNA-onderzoek en daaraan ook ambtshalve had moeten toetsen.
2. Feiten en procesverloop
2.1
De rechtbank1.heeft de volgende feiten vastgesteld, waarvan in cassatie kan worden uitgegaan:
- Op [geboortedatum] 2008 is te [plaats] , Costa Rica, geboren [minderjarige] (hierna: de minderjarige).
- De moeder van de minderjarige is [de moeder] , geboren op [geboortedatum] 1983 te [plaats] , Dominicaanse Republiek (hierna: de moeder).
- Op 1 juni 2001 is verzoeker gehuwd met [betrokkene 1] .
- Op 18 juli 2005 is de moeder gehuwd met [betrokkene 2] .
- De geboorteregistratie van de minderjarige heeft plaatsgevonden op 2 juli 2008, blijkens het Certificado de declaracion de nacimiento no. [001] , afgegeven door het Registro Civil Republica de Costa Rica.
- Op de oorspronkelijke geboorteakte van de minderjarige, afgegeven door Republica de Costa Rica, Registro Civil, is [betrokkene 2] geregistreerd als vader van de minderjarige.
- Niet gebleken is dat [betrokkene 2] het vaderschap over de minderjarige heeft ontkend.
- Op 2 juli 2013 werd het huwelijk van verzoeker met [betrokkene 1] door echtscheiding ontbonden.
- Op 31 maart 2014 werd de echtscheiding van de moeder en [betrokkene 2] met wederzijdse instemming ingeschreven te Costa Rica.
- Verzoeker heeft aan de rechtbank te Costa Rica een verzoek gedaan om rechterlijke toestemming tot erkenning van de minderjarige, kind van een gehuwde vrouw.
- Op 5 november 2015 werd op last van de rechtbank te Costa Rica een DNA-onderzoek gedaan naar de biologische afstamming van de minderjarige.
- Tijdens de gerechtelijke procedure is door DNA-onderzoek vastgesteld dat het voor 99.999% zeker is dat verzoeker de biologische vader is van de minderjarige.
- Bij uitspraak van 10 februari 2016 heeft de rechtbank te Costa Rica gerechtelijke machtiging verleend aan verzoeker tot erkenning van de minderjarige, het kind van een gehuwde vrouw, op basis van het DNA-bewijs.
- Volgens de rechtbank te Costa Rica hebben [betrokkene 2] , de moeder en het nationaal Instituut van de Jeugd geen bezwaar aangetekend. De erkenning werd door de rechtbank als verricht beschouwd. Ten tijde van de uitspraak was de minderjarige 7 jaar oud.
- Verzoeker is vervolgens op de geboorteakte van de minderjarige geregistreerd als vader van de minderjarige.
- Op 21 september 2016 werd in de Dominicaanse Republiek aan de minderjarige een Costa Ricaans paspoort verstrekt.
- Op 24 augustus 2018 is verzoeker gehuwd met de moeder van de minderjarige.
- Op 23 mei 2022 werd de minderjarige ingeschreven op een Nederlandse school.
- Op 13 december 2022 heeft de moeder zich vanuit de Dominicaanse Republiek in Nederland gevestigd.
- Bij beschikking van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 4 oktober 2022 werd een machtiging tot voorlopig verblijf van de minderjarige niet toegekend.
- Tegen dit besluit is een bezwaarschrift ingediend op 28 oktober 2022.
- Bij beschikking van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 17 april 2023 is aan de minderjarige een verblijfsvergunning verleend.
- De minderjarige verblijft nu in Nederland.
- Verzoeker heeft de Nederlandse nationaliteit.
- De minderjarige heeft de Costa Ricaanse nationaliteit.
2.2
Verzoeker heeft op 8 juli 2022 de rechtbank Den Haag verzocht om op de voet van art. 17 RWN het Nederlanderschap van de minderjarige vast te stellen. Daartoe heeft verzoeker gesteld dat de minderjarige de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen op grond van art. 4 lid 4 RWN, nu verzoeker de minderjarige heeft erkend en door middel van DNA-onderzoek heeft aangetoond dat hij de biologische vader is van de minderjarige.
2.3
De Staat heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Volgens de Staat heeft verzoeker de minderjarige erkend op 2 juli 2008 en was hij op dat moment getrouwd met een andere vrouw dan de moeder van de minderjarige. Op grond van het destijds geldende Nederlandse recht is een erkenning van een kind door een gehuwde Nederlandse man nietig en niet is aangetoond dat op dat moment sprake was van een nauwe persoonlijke betrekking tussen verzoeker en de minderjarige of van een band die in voldoende mate gelijk te stellen was aan een huwelijk tussen verzoeker en de moeder van de minderjarige waardoor de erkenning niet nietig zou zijn. Bovendien had de erkenning volgens de Staat op grond van de RWN zoals deze gold op 2 juli 2009 niet tot gevolg dat de minderjarige de Nederlandse nationaliteit verkreeg.
2.4
Bij beschikking van 9 april 2024 heeft de rechtbank, kort samengevat, het volgende overwogen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de erkenning door verzoeker van de minderjarige op 10 februari 2016, de datum van de uitspraak van de Costa Ricaanse rechtbank, rechtsgeldig is geworden. Vervolgens heeft de rechtbank beoordeeld of de erkenning van de minderjarige door verzoeker op 10 februari 2016 in Nederland kan worden erkend op grond van art. 10:101 BW. Volgens de rechtbank doet zich geen weigeringsgrond voor als genoemd in art. 10:100 lid 1 BW jo. art. 10:101 lid 2 BW, omdat de verzoeker niet gehuwd was op 10 februari 2016. Daarnaast blijkt uit de stukken voldoende dat de moeder heeft ingestemd met de erkenning door de verzoeker van de minderjarige en is niet gebleken van een schijnhandeling. Volgens de rechtbank volgt uit het voorgaande dat de erkenning door verzoeker van de minderjarige kan worden erkend op grond van art. 10:101 BW.
2.5
Aansluitend heeft de rechtbank de vraag beantwoord of de minderjarige als gevolg van deze erkenning de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. De rechtbank heeft daarover het volgende overwogen:
‘Naar aanleiding van het verzoek van verzoeker aan de rechtbank te Costa Rica om rechterlijke toestemming tot erkenning van [de minderjarige], is op 5 november 2015 op last van de rechtbank te Costa Rica een DNA-onderzoek gedaan naar de biologische afstamming van [de minderjarige]. Tijdens de gerechtelijke procedure is door DNA-onderzoek vastgesteld dat het voor 99.999% zeker is dat verzoeker de biologische vader is van [de minderjarige]. Nu bij uitspraak van 10 februari 2016 door de rechtbank te Costa Rica een gerechtelijke machtiging is verleend aan verzoeker tot erkenning van [de minderjarige], op basis van het DNA-bewijs, is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan het vereiste van artikel 4 lid 4 RWN dat het biologisch ouderschap bij of binnen een jaar na de erkenning wordt aangetoond.’
2.6
De rechtbank heeft vervolgens geconcludeerd dat de minderjarige door de erkenning door verzoeker, rechtsgeldig geworden op 10 februari 2016, op deze datum het Nederlanderschap heeft verkregen.
2.7
De Staat heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Verzoeker heeft geen verweer gevoerd.
3. Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt in de kern genomen dat de rechtbank heeft miskend dat krachtens art. 4 lid 6 RWN in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap nadere regels zijn gesteld met betrekking tot het in art. 4 lid 4 RWN bedoelde bewijs en dat de rechtbank (ook ambtshalve) daaraan had moeten toetsen. Voor zover de rechtbank heeft gemeend dat die toetsing in dit geval achterwege kon blijven, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Als de rechtbank gemeend zou hebben dat het DNA-bewijs wel aan deze nadere regels voldeed, is dat oordeel niet met redenen omkleed, aldus het middel.
3.2
Bij de bespreking van het middel stel ik het volgende voorop. Krachtens art. 4 lid 2 RWN wordt Nederlander de minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte en voor de leeftijd van zeven jaar door een Nederlander wordt erkend. Het bewijs van biologisch ouderschap is daarvoor niet vereist. Is het kind zeven jaar of ouder, dan stelt art. 4 lid 4 RWN voor de verkrijging van het Nederlanderschap de aanvullende eis dat de Nederlander die het kind erkent zijn biologische ouderschap bij of binnen de termijn van één jaar na de erkenning aantoont. Art. 4 lid 6 bepaalt dat bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur nadere regels kunnen worden gesteld met betrekking tot het in het vierde lid bedoelde bewijs. Uit deze bepalingen volgt dat de rechter, zo nodig ambtshalve, dient te onderzoeken of het DNA-bewijs voldoet aan de vereisten die volgen uit art. 4 lid 4 en lid 6 RWN.
3.3
Art. 4 lid 4 en art. 4 lid 6 RWN zijn ingevoerd bij de Wet van 27 juni 20082.en op 1 maart 2009 in werking getreden.3.In de memorie van toelichting is over deze bepalingen het volgende opgenomen:
‘Het voorgestelde lid 4 betreft het minderjarige kind dat, nadat het zeven jaar geworden is, erkend wordt door een Nederlander die aantoont dat hij de biologische vader van het kind is. De doelstelling van de op 1 april 2003 gewijzigde regeling van verkrijging van het Nederlanderschap bij erkenning door een Nederlander, de bestrijding van schijnerkenningen, kan indien het Nederlandsrechtelijke erkenningen betreft, bereikt worden door toepassing van artikel 205, tweede lid, Boek 1, BW. In dat artikellid wordt bepaald dat het openbaar ministerie vernietiging van een erkenning kan verzoeken wegens strijd met de openbare orde, maar alleen indien de erkenner niet de biologische vader van het kind is. Dat kenmerk van de schijnerkenning dient ook in het nationaliteitsrecht bepalend te zijn, zodat niet van schijnerkenningen gesproken kan worden indien de vader aantoont de biologische vader te zijn. In gevallen van erkenning van kinderen van zeven jaar en ouder is het niet onredelijk van de Nederlandse vader die aan die erkenning een nationaliteitsrechtelijke gevolg wil geven, te vergen dat hij aantoont dat zijn erkenning geen schijnerkenning is. Hij doet dat door zijn biologische relatie met het kind aan te tonen door het overleggen van een betrouwbare DNA-test. Omdat het Nederlanderschap van het kind dat zeven jaar of ouder is, van rechtswege verkregen wordt op het tijdstip van de erkenning, indien de erkenner aantoont de biologische vader te zijn, zal het bewijs van het verwekkerschap kort na de erkenning geleverd moeten worden teneinde de periode van onzekerheid over de verkrijging van korte duur te laten zijn. (…) Het (…) zesde lid [behoeft] geen bespreking.’4.
3.4
Op grond van art. 4 lid 6 RWN is het Besluit DNA-onderzoek vaderschap5.(hierna: het Besluit) vastgesteld. Voor zover relevant, luidt het Besluit als volgt:
‘Artikel 1
1 De Nederlander die een minderjarige vreemdeling erkent of heeft erkend toont het biologisch vaderschap, bedoeld in artikel 4, vierde lid, Rijkswet op het Nederlanderschap, aan door middel van DNA-onderzoek.
2 De vreemdeling, bedoeld in artikel II, eerste lid, onder b, van de rijkswet van 27 juni 2008, houdende wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap ter invoering van een verklaring van verbondenheid, en tot aanpassing van de regeling van de verkrijging van het Nederlanderschap na erkenning (Stb. 270) toont het biologisch vaderschap van zijn erkenner aan door middel van DNA-onderzoek.
3 Het DNA-bewijs, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt geleverd door middel van een als zodanig herkenbaar en ondertekend rapport van een laboratorium als bedoeld in het zesde lid.
4 Het DNA-bewijs, bedoeld in het eerste lid, wordt overgelegd aan de bevoegde autoriteit, die verantwoordelijk is voor de basisadministratie, bedoeld in artikel 1, onder f, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap, of, in het buitenland, aan het hoofd van de diplomatieke of consulaire post.
5 Het DNA-bewijs, bedoeld in het tweede lid, wordt overgelegd aan de autoriteit die bevoegd is tot bevestiging van de verkrijging van het Nederlanderschap.
6 DNA-onderzoek wordt verricht in een laboratorium:
a. dat door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd aan de hand van de criteria genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17025 of de NEN-EN ISO/IEC 15189 en de aanbevelingen van de Paternity Testing Commission van de International Society of Forensic Genetics (FSI 2007);
b. dat is gevestigd in het buitenland en door een met de Raad voor Accreditatie vergelijkbare instantie of door een bevoegde autoriteit is geaccrediteerd aan de hand van de criteria genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17025 of de NEN-EN ISO/IEC 15189 en de aanbevelingen van de Paternity Testing Commission van de International Society of Forensic Genetics (FSI 2007).
(…)’
3.5
In de nota van toelichting bij het Besluit staat, voor zover relevant:
‘De Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN) is gewijzigd bij rijkswet van 27 juni 2008, houdende wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap ter invoering van een verklaring van verbondenheid, en tot aanpassing van de regeling van de verkrijging van het Nederlanderschap na erkenning (Stb. 270). (…) Voorts is bepaald dat door erkenning Nederlander wordt de minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte wordt erkend door een Nederlander, die zijn biologische vaderschap bij of binnen de termijn van één jaar na de erkenning aantoont (artikel 4, vierde lid, RWN). Uit deze bepalingen volgt dat een minderjarige van zeven jaar of ouder die door een Nederlander wordt erkend, uitsluitend de Nederlandse nationaliteit verkrijgt, indien het biologisch vaderschap van de Nederlandse erkenner wordt vastgesteld.
De wetgever heeft beoogd op deze wijze te voorkomen dat erkenningen plaatsvinden, enkel met het oog op het verkrijgen van het Nederlanderschap en daarmee vrije toegang tot het Koninkrijk. Schijnerkenningen zijn mogelijk, nu het Nederlandse, Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse recht niet vereisen dat de erkenner de biologische vader is van het kind. In de RWN wordt ervan uitgegaan dat schijnerkenningen vrijwel alleen plaatsvinden met betrekking tot oudere minderjarigen.
(…)
In de regeling is bepaald dat het vaderschap dient te worden aangetoond door middel van DNA-bewijs (artikel 1, eerste en tweede lid). Het DNA-bewijs dient bij of na erkenning te worden overgelegd aan de bevoegde autoriteit (artikel 1, vierde lid). De bevoegde autoriteit is in Nederland het college van burgemeester en wethouders. (…). Het DNA-bewijs kan eveneens aan het hoofd van de diplomatieke of consulaire post worden overgelegd, bijvoorbeeld in het geval dat de erkenner woont en verblijft in het buitenland (artikel 1, vierde lid). Het hoofd van de diplomatieke of consulaire post zal slechts beoordelen of het laboratorium dat het onderzoek heeft verricht voldoet aan de daaraan gestelde eisen, nadat is vastgesteld dat de erkenning naar Nederlands recht als rechtsgeldig kan worden aangemerkt ingevolge artikel 10 van de Wet conflictenrecht afstamming (Stb. 2002, 153) [huidig recht: art. 10:101 BW, A-G].
(…)
Het DNA-bewijs wordt in alle gevallen [mijn curs., A-G] geleverd door middel van een als zodanig herkenbaar en ondertekend rapport van een laboratorium als genoemd in het zesde lid (artikel 1, derde lid). De bewijslast van het vaderschap en die van de vraag of het vaderschapsonderzoek op juiste wijze is verricht, rust op de erkenner (…).
De kwaliteit van het laboratoriumonderzoek en het DNA-bewijs dient te worden gewaarborgd. Dit wordt in de eerste plaats bewerkstelligd door te eisen dat de laboratoria voldoen aan internationale kwaliteitsnormen voor laboratoriumonderzoek in algemene zin. (…).
Naast het voldoen aan deze normen is het van belang dat de laboratoria aantonen deskundig te zijn op het terrein van het vaderschapsonderzoek. (…).
(…)
Het sluitstuk van de kwaliteitswaarborg is de controle op de naleving van de normen. (…). Het uitgangspunt is dat de controle wordt uitgevoerd door de Raden van Accreditatie in de verschillende landen. Als de desbetreffende raad aangesloten is bij de International Laboratory Accreditation Cooperation (ILAC) geldt deze zonder meer als bevoegde autoriteit. Niet alle landen beschikken over een met de Raad voor Accreditatie vergelijkbare instelling. Indien in het buitenland geen met de Raad voor Accreditatie vergelijkbare instelling bestaat, dient de controle te worden uitgevoerd door een andere bevoegde autoriteit. Welke die bevoegde autoriteit is, dient te worden bepaald door het desbetreffende land zelf. Hij die het vaderschap wenst te bewijzen, dient aan te tonen dat het laboratorium waarvan bewijs wordt overgelegd is geaccrediteerd door een buitenlandse bevoegde autoriteit.’
3.6
In de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 (hierna: de Handleiding) staat, voor zover relevant:
‘Verkrijging Nederlanderschap na postnatale erkenning cq. wettiging
Vanaf 2 juni 2007, met terugwerkende kracht tot 1 april 2003 werd een postnatale erkenning, in combinatie met een gerechtelijk bewijs van biologisch vaderschap, gelijkgesteld met een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Het Nederlanderschap werd verkregen op de in artikel 4, eerste lid RWN genoemde datum. Een gerechtelijk bewijs van biologisch vaderschap is een rechterlijke uitspraak waarin is vastgesteld dat de erkenner ook de biologische vader is. Het kan hierbij gaan om een uitspraak van de artikel 17 RWN-rechter, de vreemdelingenrechter of een buitenlandse rechter, die op grond van DNA onderzoek oordeelt dan wel anderszins uitdrukkelijk vaststelt dat de erkenner de biologische vader van het kind is. Het enkel overleggen van DNA-bewijs volstond derhalve niet.
Vanaf 1 maart 2009 verkrijgt een minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte door een Nederlander wordt erkend en jonger is dan zeven jaar, dan wel de minderjarige vreemdeling die door een Nederlander wordt gewettigd, het Nederlanderschap van rechtswege. Minderjarige vreemdelingen die door een Nederlander worden erkend als zij zeven jaar of ouder zijn, verkrijgen het Nederlanderschap als de Nederlandse erkenner zijn biologische vaderschap via een DNA-test bij of binnen een jaar na erkenning aantoont.
Buitenlandse erkenningen
Artikel 10:92 BW tot en met artikel 10:102 BW is hierbij van toepassing. Artikel 10:102 BW bepaalt dat het conflictenrecht van artikel 10:92 BW tot en met artikel 10:102 BW van toepassing is op erkenningen die na 1 januari 2003 tot stand zijn gekomen.
Ook een buitenlandse erkenning waarbij de biologische afstamming als voorwaarde geldt of een buitenlandse rechterlijke uitspraak waarbij het biologische ouderschap na de erkenning is vastgesteld, kan nationaliteitsrechtelijk gevolg hebben (verkrijging Nederlanderschap). Ten aanzien van een dergelijke rechterlijke uitspraak zijn de zorgvuldigheidseisen van artikel 10:100 BW en artikel 10:101 BW van toepassing. Het Nederlanderschap wordt van rechtswege verkregen op de datum van de erkenning, mits de rechterlijke uitspraak inzake de vaststelling van het ouderschap in kracht van gewijsde is gegaan.’6.
3.7
De hierboven geciteerde passage uit de Handleiding wekt de suggestie dat de eis van het DNA-bewijs als bedoeld in art. 4 lid 4 RWN niet geldt wanneer (i) in het buitenlandse recht inzake een erkenning als voorwaarde de biologische afstamming geldt, of (ii) wanneer in een buitenlandse rechterlijke uitspraak na de erkenning het biologische ouderschap is vastgesteld.7.Uit de beschikking van 20 november 20208.van de Hoge Raad volgt echter dat de omstandigheid dat het biologisch ouderschap in de buitenlandse uitspraak is vastgesteld, niet betekent dat de eis van DNA-bewijs niet geldt. De feiten in die zaak waren als volgt. De rechter in Marokko had vastgesteld dat naar Marokkaans recht een afstammingsrelatie bestaat tussen verzoeker en zijn Nederlandse vader. Na de Marokkaanse uitspraak was DNA-onderzoek verricht en uit het rapport was gebleken dat het biologisch vaderschap van de vader ten aanzien van verzoeker niet is uitgesloten. De rechtbank wees het verzoek strekkende tot vaststelling van het Nederlanderschap af, omdat het rapport dateerde van méér dan een jaar na de erkenning, waarmee niet aan de eis van art. 4 lid 4 RWN was voldaan. In cassatie betoogde verzoeker dat de eis van DNA-bewijs niet geldt wanneer in de buitenlandse rechterlijke uitspraak het biologisch ouderschap is vastgesteld. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank terecht heeft onderzocht of aan voormelde eis was voldaan.
3.8
In de onderhavige zaak staat in cassatie als onweersproken vast dat (i) tijdens de gerechtelijke procedure op last van de rechtbank te Costa Rica een DNA-onderzoek is gedaan naar de biologische afstamming van de minderjarige, (ii) door dat DNA-onderzoek is vastgesteld dat het voor 99,999% zeker is dat verzoeker de biologische vader is van de minderjarige9., en (iii) de rechtbank te Costa Rica op basis van het DNA-bewijs aan verzoeker een rechterlijke machtiging tot erkenning heeft verleend. In cassatie is niet geklaagd over het oordeel van de rechtbank dat het biologisch ouderschap bij of binnen één jaar na erkenning is aangetoond, zodat in cassatie vaststaat dat de termijn van art. 4 lid 4 RWN niet is overschreden.
3.9
De rechtbank heeft de resultaten uit het DNA-onderzoek zoals deze blijken uit de uitspraak van de rechtbank te Costa Rica beschouwd als bewijs in de zin van art. 4 lid 4 RWN. Ik merk op dat de rechtbank niet heeft beoordeeld of de Costa Ricaanse uitspraak van 10 februari 2016 in Nederland voor erkenning in aanmerking komt ingevolge art. 10:100 BW, waarin de erkenning van buitenlandse rechterlijke uitspraken is geregeld. De rechtbank heeft wél geoordeeld dat de erkenning door verzoeker, die rechtsgeldig is geworden met de uitspraak van 10 februari 2016, op grond van art. 10:101 BW kan worden erkend, waarin is bepaald dat buitenlandse rechtsfeiten of rechtshandelingen waarbij familierechtelijke verhoudingen zijn vastgesteld of gewijzigd, in beginsel in Nederland worden erkend. Over dit oordeel van de rechtbank wordt in cassatie niet geklaagd.
3.10
Zoals hierboven bleek, is met de invoering van art. 4 lid 4 en art. 4 lid 6 RWN en het Besluit beoogd schijnerkenningen – erkenningen enkel met het oog op het verkrijgen van het Nederlanderschap en daarmee vrije toegang tot het Koninkrijk – te bestrijden. Om schijnerkenningen tegen te gaan, wordt de eis gesteld dat het biologisch ouderschap bij of binnen een jaar na erkenning wordt aangetoond door middel van betrouwbaar DNA-bewijs dat voldoet aan de vereisten uit het Besluit.
3.11
Uit het procesdossier blijkt dat door verzoeker geen DNA-rapport is overgelegd. Daarmee is niet voldaan aan het vereiste van art. 1 lid 3 van het Besluit dat het DNA-bewijs wordt geleverd door middel van een als zodanig herkenbaar en ondertekend rapport van een geaccrediteerd laboratorium als bedoeld in art. 1 lid 6 van het Besluit. In de procedure is ook niet gesteld of gebleken dat het DNA-onderzoek dat is verricht in Costa Rica, is verricht door een geaccrediteerd laboratorium. De vraag rijst daarmee of de rechtbank in de omstandigheden van het onderhavige geval een uitzondering kon maken op het vereiste dat het biologisch ouderschap wordt aangetoond door middel van DNA-bewijs dat voldoet aan de vereisten van het Besluit.
3.12
Uit de (gepubliceerde) rechtspraak volgt dat in zeer uitzonderlijke omstandigheden wordt afgeweken van de eis uit art. 4 lid 4 RWN dat bij of binnen een jaar na erkenning het biologisch ouderschap wordt aangetoond. Deze uitzonderingen hebben betrekking op de termijn waarbinnen het bewijs moet worden geleverd, waarbij het met name gaat om gevallen waarin sprake is van onvoorzienbare omstandigheden die het voor verzoeker onmogelijk hebben gemaakt om het DNA-bewijs binnen de termijn te leveren10.of om door de bevoegde autoriteiten gedane onjuiste mededelingen, waarop is vertrouwd.11.
3.13
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft zich in zijn uitspraak van 22 december 202112.gebogen over de vraag of onder omstandigheden mag worden afgezien van het overleggen van een DNA-rapport dat is gedaan door een geaccrediteerd laboratorium. In die zaak was geen DNA-onderzoek verricht, maar appellant had zich beroepen op een uitspraak van de rechtbank Den Haag in een vreemdelingrechtelijke procedure, waarin de rechtbank had overwogen dat niet in geschil is dat appellant de biologische zoon is van zijn vader. De Afdeling heeft overwogen dat de bewijskracht van de uitspraak niet van hetzelfde gewicht is als een DNA-onderzoek en dat daarmee niet het biologisch vaderschap was aangetoond. Evenmin waren er door de bevoegde autoriteiten mededelingen gedaan die de indruk wekken dat appellant geen DNA-onderzoek behoefde te ondergaan. De Afdeling heeft verder overwogen dat zij in het hogerberoepschrift ook geen andere bijzondere omstandigheden ziet die afwijking van de termijn uit art. 4 lid 4 RWN rechtvaardigen. Uit die laatste overweging leid ik af dat de Afdeling niet uitsluit dat zich bijzondere omstandigheden kunnen voordoen die rechtvaardigen dat aan een partij die geen DNA-rapport overlegt de mogelijkheid wordt geboden om na afloop van de termijn van art. 4 lid 4 RWN alsnog een DNA-bewijs te leveren.
3.14
Uit de rechtspraak volgt dat zich bijzondere omstandigheden kunnen voordoen die afwijking van de termijn van art. 4 lid 4 RWN rechtvaardigen. In geen van de uitspraken is een uitzondering geaccepteerd op het vereiste dat een DNA-rapport wordt overgelegd dat is opgemaakt door een geaccrediteerd laboratorium in de zin van art. 1 lid 6 van het Besluit. De rechtspraak sluit hiermee aan bij de nota van toelichting bij het Besluit, waarin staat dat het DNA-bewijs in alle gevallen op voornoemde wijze wordt geleverd.
3.15
Op grond van het voorgaande meen ik dat de rechtbank is uitgegaan van een verkeerde rechtsopvatting, voor zover zij heeft gemeend dat art. 4 lid 6 RWN en het hierop gebaseerde Besluit in het onderhavige geval niet gelden. Voor zover de rechtbank heeft geoordeeld dat het overgelegde DNA-bewijs voldoet aan de vereisten die voortvloeien uit de RWN en het Besluit, is dat oordeel onvoldoende gemotiveerd. Het middel slaagt daarom.
4. Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 17‑01‑2025
Zie de bestreden beschikking van Rechtbank Den Haag 9 april 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4985, onder het kopje ‘feiten’.
Rijkswet tot wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap ter invoering van een verklaring van verbondenheid, en tot aanpassing van de regeling van de verkrijging van het Nederlanderschap na erkenning, Stb. 2008, 270.
Krachtens KB van 18 december 2008, Stb. 2009, 1.
Kamerstukken II 2005-2006, 30584 (R 1811), nr. 3 (MvT), p. 7-8.
Stb. 2008, 417, laatstelijk gewijzigd per 6 januari 2014, Stb. 2013, 496.
Zie ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:699) vóór HR 20 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1858, NJ 2020/436, onder 2.8.
HR 20 november 2020, reeds aangehaald.
In de uitspraak van de rechtbank te Costa Rica van 10 februari 2016 (zie A-dossier, nr. 3: Brief met bijlagen zijdens verzoeker d.d. 28 februari 2023, productie 6) wordt hierbij verwezen naar het verslag dat is afgegeven door de Afdeling Biochemie van het Orgaan voor Gerechtelijk Onderzoek (Departamento de Bioquímica del Organismo de Investigación Judicial).
Zie bijv. Rb. Den Haag 28 juli 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:7945, waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat het onredelijk is om vast te houden aan de eis dat het DNA-bewijs binnen één jaar na erkenning wordt geleverd omdat het voor verzoeker als gevolg van reisbeperkingen tijdens de coronapandemie onmogelijk is geweest om aan die eis te voldoen.
Zie Rb. ’s-Gravenhage 20 december 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BY7548, waarin verzoekster door de Nederlandse ambassade was verwezen naar een niet-geaccrediteerd instituut voor DNA-onderzoek, die binnen de gestelde termijn van een jaar na erkenning het DNA-onderzoek had verricht. Na deze termijn was een tweede DNA-onderzoek verricht door een wel geaccrediteerd instituut. Dit tweede onderzoek had dezelfde uitslag als het eerste DNA-onderzoek. De rechtbank kwam onder deze bijzondere omstandigheden tot het oordeel dat het biologisch vaderschap tijdig is aangetoond.
ABRvS 22 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2904.
Beroepschrift 08‑07‑2024
PROCESINLEIDING VERZOEKPROCEDURE HOGE RAAD
Algemeen
Gerecht: | Hoge Raad der Nederlanden |
Adres: | Korte Voorhout 8 |
2511 EK DEN HAAG | |
Datum indiening: | 8 juli 2024 |
Partijen en advocaten
Verzoeker tot cassatie
Naam: | de publiekrechtelijke rechtspersoon |
DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie en Veiligheid; Immigratie- en Naturalisatiedienst) | |
Met zetel te: | Den Haag |
Advocaat bij de Hoge Raad: | S.M. Kingma, die door verzoeker als zodanig wordt aangewezen om hem in het geding in cassatie te vertegenwoordigen |
Kantoor en kantooradres advocaat: | Pels Rijcken & Droogleever Fortuijn N.V. |
Bezuidenhoutseweg 57 | |
2594 AC DEN HAAG |
Verweerder in cassatie
Naam: | [verzoeker], |
in zijn hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige | |
[minderjarige] | |
Adres:1. | [adres] |
Postcode en woonplaats: | [postcode] [woonplaats] |
Advocaat laatste feitelijke instantie: | J. Singh |
Kantoor en kantooradres advocaat: | Singh Raaijmakers Advocaten |
Marktplein 23 | |
2132 DA HOOFDDORP |
Bestreden beschikking
Instantie: | Rechtbank Den Haag |
Datum: | 9 april 2024 |
Zaaknummer: | C/09/632028 / HA RK 22-276 |
Proces-verbaal
Ten tijde van de indiening van de procesinleiding beschikte de IND nog niet over het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank van 12 maart 2024. De IND behoudt zich om die reden het recht voor om zijn cassatieklachten aan te vullen en/of te wijzigen, voor zover de inhoud van het proces-verbaal daartoe aanleiding geeft. Het proces-verbaal is opgevraagd en zal na ontvangst ervan via het portaal worden ingediend.
Middel van cassatie
Schending van het recht en/of verzuim van het vormvereiste van een toereikende motivering doordat het Hof heeft geoordeeld als vermeld in de bestreden beschikking, zulks ten onrechte om de navolgende, mede in onderling verband en samenhang in aanmerking te nemen redenen:
Inleiding
- (a)
[minderjarige] is geboren op [geboortedatum] 2008 in Costa Rica tijdens het huwelijk van haar moeder met de heer [betrokkene 2]. [minderjarige] heeft de Costa Ricaanse nationaliteit. Op haar originele geboorteakte staan haar moeder en de heer [betrokkene 2] als haar ouders vermeld, en draagt [minderjarige] de achternaam [achternaam betrokkene 2].
- (b)
De heer [verzoeker], hierna: verzoeker, heeft de Nederlandse nationaliteit. Ten tijde van [minderjarige]'s geboorte was hij gehuwd met mevrouw [de moeder].
- (c)
Het huwelijk van verzoeker is in 2013 ontbonden door echtscheiding; het huwelijk van [minderjarige]'s moeder in 2014.
- (d)
Op 5 november 2015 is in Costa Rica op last van de rechtbank aldaar DNA-onderzoek gedaan, waarbij is vastgesteld dat het voor 99.999% zeker is dat verzoeker de biologische vader is van [minderjarige].
- (e)
Op 10 februari 2016 heeft verzoeker, mede op basis van dat DNA-bewijs, in Costa Rica een gerechtelijke machtiging verkregen tot erkenning van [minderjarige] als zijn dochter.
- (f)
Op de geboorteakte is verzoeker vervolgens vermeld als vader van [minderjarige], in plaats van de heer [achternaam betrokkene 2], en is de achternaam van [minderjarige] gewijzigd in [achternaam verzoeker].
- (g)
Verzoeker (q.q.) heeft in een art. 17 RWN-procedure verzocht vast te stellen dat [minderjarige] de Nederlandse nationaliteit bezit. De Staat (hierna: de IND) heeft hiertegen verweer gevoerd. Het OM heeft zich aangesloten bij het standpunt van de IND.
- (h)
Bij beschikking van 9 april 2024 heeft de rechtbank Den Haag beslist dat de erkenning van [minderjarige] in Costa Rica, in Nederland kan worden erkend. Dit oordeel wordt in dit cassatieberoep niet bestreden. De door erkenning tot stand gekomen familiebetrekking met verzoeker als haar juridische vader staat nu dus vast. In dit cassatieberoep gaat het om een andere vraag: of [minderjarige] door de erkenning ook het Nederlanderschap heeft verkregen.
- (i)
De rechtbank heeft geoordeeld dat [minderjarige] sinds 10 februari 2016 de Nederlandse nationaliteit bezit, omdat ten tijde van (het van kracht worden van) de erkenning op die datum met het DNA-onderzoek van eind 2015 zou zijn voldaan aan het vereiste van art. 4 lid 4 RWN dat de erkenner binnen een jaar na de erkenning zijn biologisch ouderschap aantoont.2. Tegen dat oordeel komt de IND met dit cassatieberoep op.
Klachten
Ten onrechte, althans zonder voldoende motivering, heeft de rechtbank geoordeeld dat [minderjarige] door de erkenning door verzoeker, rechtsgeldig geworden op 10 februari 2016, op deze datum het Nederlanderschap heeft verkregen.3. De rechtbank legt aan dit oordeel ten grondslag dat voldaan is aan het vereiste van art. 4 lid 4 RWN dat het biologisch ouderschap bij of binnen een jaar na de erkenning wordt aangetoond, doordat tijdens de gerechtelijke procedure (in Costa Rica) door DNA-onderzoek vastgesteld is dat het voor 99.999% zeker is dat verzoeker de biologische vader van [minderjarige] is. Hoewel de rechtbank op zichzelf terecht heeft onderkend dat art. 4 lid 4 RWN van toepassing is, heeft zij miskend dat krachtens art. 4 lid 6 RWN in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap4. nadere regels zijn gesteld met betrekking tot het in art. 4 lid 4 RWN bedoelde bewijs, en dat zij (ook ambtshalve) daaraan had moeten toetsen. Die nadere regels houden onder meer in (voor zover hier van belang) dat DNA-onderzoek in het buitenland moet worden verricht in een laboratorium dat door een met de Raad voor Accreditatie vergelijkbare instantie of door een bevoegde autoriteit is geaccrediteerd aan de hand van de criteria genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17025 of de NEN-EN ISO/IEC 15189 en de aanbevelingen van de Paternity Testing Commission van de International Society of Forensic Genetics (FSI 2007).De rechtbank heeft ten onrechte niet getoetst of het DNA-bewijs aan deze nadere regels voldeed, en is dan ook ten onrechte tot een toewijzing van het verzoek van verzoeker gekomen. Voor zover de rechtbank heeft gemeend dat die toetsing in dit geval achterwege kon blijven, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Althans heeft de rechtbank, als zij gemeend zou hebben dat het DNA-bewijs wel aan deze nadere regels voldeed (maar dat zij dat heeft gemeend, blijkt nergens uit), dat oordeel niet met redenen omkleed; zonder nadere motivering, die nu ontbreekt, valt in elk geval niet in te zien dat aan deze nadere regels is voldaan.
Uitwerking en toelichting
1
De rechtbank heeft geoordeeld dat de erkenning van [minderjarige] door verzoeker rechtskracht heeft sinds 10 februari 2016.
2
Sinds 1 maart 2009 verkrijgt een minderjarige vreemdeling die jonger is dan zeven jaar en die wordt erkend door een Nederlander, door deze erkenning vanaf de datum van erkenning het Nederlanderschap (art. 4 lid 2 RWN).
3
[minderjarige] was op 10 februari 2016 echter al zeven jaar oud. Voor een minderjarige vreemdeling van zeven jaar of ouder die wordt erkend door een Nederlander zijn er (in elk geval) twee manieren om (mede op basis van die erkenning) het Nederlanderschap te verkrijgen.
4
Één manier is het afleggen van een optieverklaring. Dat kan als de minderjarige voorafgaand aan de verklaring gedurende een onafgebroken periode van ten minste drie jaren verzorging en opvoeding heeft genoten van de Nederlander door wie hij is erkend (art. 6 lid 1 aanhef en onder c RWN). Niet gesteld of gebleken is dat zo'n optieverklaring namens [minderjarige] is gedaan. De IND weet niet of [minderjarige] hiervoor (al) in aanmerking komt.
5
Een andere manier om het Nederlanderschap (van rechtswege) te verkrijgen is het aantonen van het biologisch ouderschap5. van de Nederlander die de minderjarige heeft erkend (art. 4 lid 4 RWN jo art. 4 lid 6 RWN). Het vereiste van drie jaar verzorging en opvoeding wordt dan niet gesteld. Het ouderschap moet wel bij of binnen een jaar na erkenning worden aangetoond met DNA-bewijs, overeenkomstig de nadere regels in het Besluit DNA-onderzoek vaderschap (hierna: het Besluit).6.
6
Met het stellen van het vereiste van het aantonen van biologisch ouderschap heeft de wetgever beoogd te voorkomen dat schijnerkenningen plaatsvinden, dat wil zeggen: erkenningen die enkel zijn verricht met het oog op het verkrijgen van het Nederlanderschap en daarmee vrije toegang tot het Koninkrijk, terwijl er geen sprake is van een daadwerkelijke biologische of sociale ouderschapsband. Schijnerkenningen zijn mogelijk, nu het familierecht van de landen van het Koninkrijk, en overigens ook van veel buitenlandse rechtsstelsels, niet vereist dat de erkenner aantoont de biologische ouder van het kind te zijn. In de RWN wordt ervan uitgegaan dat schijnerkenningen vrijwel alleen plaatsvinden met betrekking tot oudere minderjarigen, dat wil zeggen: vanaf de leeftijd van zeven jaar. Daarom heeft de rijkswetgever alleen voor die leeftijdscategorie de aanvullende eis gesteld dat biologisch ouderschap wordt aangetoond, met DNA-bewijs.
7
Het Besluit, een algemene maatregel van rijksbestuur, stelt eisen die de kwaliteit van het laboratoriumonderzoek en het DNA-bewijs moeten waarborgen. Dit wordt in de eerste plaats bewerkstelligd door te eisen dat het laboratorium voldoet aan internationale ISO/IEC-kwaliteitsnormen voor laboratoriumonderzoek in algemene zin. Naast het voldoen aan deze normen is het van belang dat de laboratoria aantonen deskundig te zijn op het terrein van het vaderschapsonderzoek, conform de aanbevelingen van de International Society of Forensic Genetics (ISFG).7.
8
Het vereiste van het aantonen van biologisch ouderschap en de voorschriften van het Besluit gelden ook wanneer de erkenning van de minderjarige van zeven jaar of ouder in het buitenland heeft plaatsgevonden, overeenkomstig het ter plaatse geldende recht. Om te beoordelen of een buitenlandse erkenning in Nederland kan worden erkend, geldt het stelsel van art. 10:100-101 BW. Die artikelen leggen geen conflictenrechtelijke toets aan, maar alleen een processuele. Wordt aan die toets voldaan, dan staat het juridisch ouderschap door erkenning ook naar Nederlands recht vast. Dat zegt echter op zichzelf nog niets over nationaliteit. De Nederlandse nationaliteit wordt alleen verkregen als voldaan is aan de voorwaarden gesteld door of krachtens de RWN. Ook wanneer in de buitenlandse procedure met DNA-bewijs het biologisch ouderschap zou zijn vastgesteld (bijvoorbeeld omdat het buitenlandse recht, anders dan het Nederlandse recht, dat vereiste stelt voor erkenning), is daarmee nog niet gegeven dat het Nederlanderschap is verkregen. Daarvoor is immers niet voldoende dat het biologisch ouderschap ‘op de een of andere manier’ wordt vastgesteld, maar dat dit gebeurt overeenkomstig de door de rijkswetgever vastgestelde vereisten van het Besluit, en bij of binnen een jaar na de erkenning.
9
Zou dit anders zijn, dan zouden ook nog steeds schijnerkenningen met nationaliteitsgevolg kunnen plaatsvinden door te erkennen in het buitenland. Daarmee zouden de waarborgen van de RWN en het Besluit worden omzeild.
10
In het geval van [minderjarige] is wel, kort voordat de erkenning rechtskracht verkreeg, DNA-onderzoek verricht in Costa Rica, maar gesteld noch gebleken is dat daarbij de voorschriften van het Besluit in acht zijn genomen. De IND heeft tijdens de procedure in eerste aanleg gevraagd naar het DNA-rapport maar dat rapport is niet overgelegd. Het is daardoor niet duidelijk hoe het DNA-materiaal in Costa Rica is afgenomen, en ook niet of het vaderschap van verzoeker overeenkomstig de voorschriften van het Besluit is vastgesteld door een laboratorium dat geaccrediteerd en voldoende deskundig is overeenkomstig de daarvoor geldende voorschriften. De rechtbank heeft dat ook niet onderzocht. Zij lijkt art. 4 lid 6 RWN en/of het Besluit over het hoofd te hebben gezien.
11
De reden dat de IND dit cassatieberoep instelt, is dat hij meent dat de vereisten krachtens art. 4 lid 6 RWN om het Nederlanderschap te verkrijgen, ook gelden als de minderjarige, zoals in deze zaak, is erkend in het buitenland, en die erkenning (van het ouderschap) kan worden erkend (in de zin van art. 10:100-101 BW) in Nederland. Dan heeft [minderjarige] dus alleen de Nederlandse nationaliteit verkregen ingevolge art. 4 lid 4 RWN als het DNA-bewijs in Costa Rica voldoet aan de eisen van het Besluit. De rechtbank had daar dus aan moeten toetsen, maar heeft dat niet gedaan.
12
De vraag naar de toepasselijkheid van art. 4 lid 6 RWN en het Besluit is niet eerder in precies deze vorm aan de orde geweest bij uw Raad. Wel heeft uw Raad in 2020 beslist dat wanneer een uitspraak van een buitenlandse rechter gelijkgesteld kan worden met een erkenning op grond van art. 1:203 BW, de Nederlandse art. 17 RWN-rechter inderdaad moet onderzoeken of aan de eis van art. 4 lid 4 RWN is voldaan.8. Dat impliceert volgens de IND al een bevestigend antwoord op de rechtsvraag uit de huidige zaak: als aan art. 4 lid 4 RWN (DNA-bewijs binnen één jaar na erkenning) getoetst moet worden (zoals de rechtbank in deze zaak ook heeft willen doen), moet immers ook aan de krachtens art. 4 lid 6 RWN gestelde nadere vereisten worden voldaan. De wet voorziet niet in uitzonderingen. Het Besluit gaat bovendien uitdrukkelijk in op hoe in het buitenland geldig DNA-bewijs kan worden verkregen, wat ook duidt op toepasselijkheid van het Besluit op erkenningen in het buitenland. (Het afnemen en onderzoeken van DNA kan natuurlijk ook in het buitenland plaatsvinden ten behoeve van een erkenning in Nederland, maar ook het Besluit bevat geen bepaling of aanwijzing dat het niet van toepassing zou zijn op het DNA-bewijs voor het aantonen van ouderschap na een erkenning in het buitenland.)
13
Het voorgaande zou volgens de IND kunnen volstaan ter onderbouwing van zijn standpunt in dit cassatieberoep dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat Nederlanderschap is verkregen zonder dat zij heeft vastgesteld of aan het Besluit is voldaan.
14
Mogelijk ten overvloede lijkt het niettemin nuttig enige aandacht te besteden aan het volgende. Uw Raad ging in de genoemde zaak uit 2020 contrair aan de conclusie van A-G Vlas, die concludeerde dat het vereiste van art. 4 lid 4 RWN geen toepassing vindt als het biologisch ouderschap in de procedure in het buitenland al is vastgesteld volgens de ter plaatse geldende regels. De motivering van de (volgens de IND: terecht) andersluidende beslissing van uw Raad is beknopt, en gaat niet specifiek op de redenering in de conclusie in. De IND zal daarom nader stilstaan bij de redenering uit het cassatiemiddel en de conclusie-PG in die zaak uit 2020, en bij de geschiedenis van de bepalingen over DNA-bewijs in de wet.
15
Aanvankelijk hadden erkenningen door een Nederlander van rechtswege nationaliteitsgevolg (art. 4 lid 1 RWN (oud)). Per 1 april 2003 is deze regeling vervangen door de hiervóór in § 4 bedoelde mogelijkheid van optie. Deze wetswijziging beoogde schijnerkenningen te bestrijden. De optieregeling alléén bood in sommige gevallen echter onvoldoende soelaas, terwijl ervaringen uit het vreemdelingenrecht lieten zien dat postnatale erkenningen van kinderen ouder dan zeven jaar zo goed als niet voorkwamen.9. Bovendien oordeelde uw Raad in twee beschikkingen in 2007 dat de categorische afschaffing van het nationaliteitsgevolg van de erkenning haar doel voorbijschoot in gevallen waarin de erkenner in rechte aantoont dat hij de verwekker van het kind is, en dat de RWN ten aanzien van de nationaliteitsgevolgen een niet te rechtvaardigen verschil in behandeling maakte tussen een gerechtelijke vaststelling van het ouderschap en een postnatale erkenning met gerechtelijk bewijs van verwekkerschap.10.
16
Tegen die achtergrond voerde de wetgever per 1 maart 2009 opnieuw in dat erkenning van rechtswege nationaliteitsgevolg had: onder de zeven jaar zonder nadere bewijslevering, vanaf zeven jaar met het vereiste om vaderschap aan te tonen met DNA-bewijs, binnen één jaar na de erkenning. Die termijn van één jaar is gesteld om de periode van onzekerheid over de verkrijging van het Nederlanderschap van korte duur te laten zijn. Uw Raad heeft bevestigd dat het stellen van de eis van (a) DNA-bewijs (b) binnen één jaar, niet in strijd komt met art. 8 en 14 EVRM (als al sprake is van een onderscheid in de zin van art. 14 EVRM), en evenmin met art. 6 lid 1 aanhef en onder a Europees Verdrag inzake nationaliteit (als aan die bepaling al rechtstreekse werking toekomt).11.
17
De mogelijkheid van optie bleef gehandhaafd, zodat de erkenner de keus hield die route te bewandelen als dat eenvoudiger of goedkoper zou zijn.
18
Het cassatiemiddel in de besproken zaak uit 2020 betoogde dat uit de Handleiding Toepassing van de Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 (hierna: de Handleiding)12. valt af te leiden dat de krachtens art. 4 lid 4 jo lid 6 RWN geldende eisen niet van toepassing zijn in geval van een buitenlandse rechterlijke uitspraak waarbij het biologische ouderschap na erkenning is vastgesteld. Het gaat dan om deze alinea uit de toelichting op art. 4 — alg., paragraaf 1 van de Handleiding, onder het kopje ‘Buitenlandse erkenningen’:
‘[…] Ook een buitenlandse erkenning waarbij de biologische afstamming als voorwaarde geldt of een buitenlandse rechterlijke uitspraak waarbij het biologische ouderschap na de erkenning is vastgesteld, kan nationaliteitsrechtelijk gevolg hebben (verkrijging Nederlanderschap). Ten aanzien van een dergelijke rechterlijke uitspraak zijn de zorgvuldigheidseisen van artikel 10:100 BW en artikel 10:101 BW van toepassing. Het Nederlanderschap wordt van rechtswege verkregen op de datum van de erkenning, mits de rechterlijke uitspraak inzake de vaststelling van het ouderschap in kracht van gewijsde is gegaan.’
19
In de conclusie-PG13. werd hieruit afgeleid dat de eis van een DNA-rapport niet geldt (i) wanneer in het buitenlandse recht inzake een erkenning als voorwaarde de biologische afstamming geldt, of (ii) wanneer in een buitenlandse rechterlijke uitspraak na de erkenning het biologische ouderschap is vastgesteld. Deze uitzondering op de eis van DNA-bewijs geldt ook thans nog, na de aanpassing van de RWN aan de uitspraken van de Hoge Raad uit 2007, aldus de conclusie-PG. De conclusie verwijst ter onderbouwing van deze uitleg en van de voortdurende geldigheid daarvan naar publicaties van G.R. de Groot.14. De IND meent echter om de volgende redenen dat uw Raad het cassatiemiddel (en de conclusie) op dit punt terecht niet heeft gevolgd.
20
Voor zover die alinea in de Handleiding ooit al zo uitgelegd moest worden, is die uitleg sinds 1 maart 2009 achterhaald door de wijziging van de RWN. De alinea is in 2007 toegevoegd aan de Handleiding naar aanleiding van het oordeel van uw Raad uit 200715. dat het (sinds 2003) ongeclausuleerde ontbreken van de erkenningsmogelijkheid een niet te rechtvaardigen verschil in behandeling maakte tussen een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap en een postnatale erkenning met gerechtelijk bewijs van verwekkerschap. In die beschikkingen had uw Raad het oordeel van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie in stand gelaten dat het, mede tegen de achtergrond van het IVBPR, in het stelsel van de RWN paste om voor de toepassing van art. 4 RWN met gerechtelijke vaststelling van het vaderschap de postnatale erkenning met gerechtelijk bewijs van verwekkerschap gelijk te stellen. Het verzoek ex art. 17 RWN dat het Nederlanderschap kon worden verkregen, had het hof daarom toegewezen. Het hof paste dus een IVBPR-conforme uitleg van de RWN toe.
21
Vooruitlopend op de wijziging van de RWN in (uiteindelijk) 2009 waarin de erkenning weer zou terugkeren (zie hiervóór onder 16), is in de Handleiding de volgende tekst opgenomen:16.
‘Verkrijging Nederlanderschap door postnatale erkenning met gerechtelijk bewijs van verwekkerschap
Een postnatale erkenning, in combinatie met een gerechtelijk bewijs van verwekkerschap, wordt gelijkgesteld met een gerechtelijke vaststelling van het vaderschap. Het Nederlanderschap wordt verkregen op de in het eerste lid genoemde datum.
Een gerechtelijk bewijs van verwekkerschap is een rechterlijke uitspraak waarin is vastgesteld dat de erkenner ook de biologische vader is. Het kan hierbij gaan om een uitspraak van de artikel 17 RWN-rechter, de vreemdelingenrechter of een buitenlandse rechter, die op grond van DNA-onderzoek oordeelt dan wel anderszins uitdrukkelijk vaststelt dat de erkenner de biologische vader van het kind is.
Om aan te tonen dat de erkenner ook de biologische vader van het kind is, is niet voldoende dat een (notariële) erkenning en bijvoorbeeld een DNA bewijs wordt overgelegd. Een rechterlijke uitspraak (=gerechtelijk bewijs van verwekkerschap) is derhalve vereist.
Buitenlandse erkenningen
Ook een buitenlandse erkenning waarbij de biologische afstamming als voorwaarde geldt of een buitenlandse rechterlijke uitspraak waarbij het biologische vaderschap na de erkenning is vastgesteld, kan nationaliteitsrechtelijk gevolg hebben (verkrijging Nederlanderschap). Ten aanzien van een dergelijke rechterlijke uitspraak zijn de zorgvuldigheidseisen van artikel 9 en 10 Wet conflictenrecht afstamming (Wca) van overeenkomstige toepassing. Het Nederlanderschap wordt van rechtswege verkregen op de datum van de erkenning, mits de rechterlijke uitspraak inzake de vaststelling van het vaderschap in kracht van gewijsde is gegaan.’
De gelijkstelling met gerechtelijke vaststelling van het vaderschap verklaart ook de zinsnede aan het slot ‘mits de rechterlijke uitspraak inzake de vaststelling van het ouderschap in kracht van gewijsde is gegaan’. Dat staat, en stond toen ook al, in art. 4 lid 1 RWN, dat over de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap (ouderschap) gaat.
22
In 2007, na de beschikkingen van uw Raad maar nog voor de wijziging van de wet, was de situatie dus dat een erkenning tot verkrijging van het Nederlanderschap leidde, mits het vaderschap gerechtelijk was vastgesteld. Nadere wettelijke vereisten waren toen aan het DNA-bewijs nog niet gesteld. De beoordeling van het DNA-bewijs werd uitdrukkelijk aan de rechter overgelaten.17.
23
Maar per 1 maart 2009 is een uitdrukkelijke aparte regeling voor het verkrijgen van Nederlanderschap door erkenning teruggekeerd in art. 4 RWN.18. Toen is ook art. 4 lid 6 RWN opgenomen. Eveneens per 1 maart 2009 is de Handleiding aangevuld met toelichtingen op de nieuwe bepalingen zoals art. 4 lid 4 en lid 6 RWN.19. Per 1 april 2009 is het daarop gegronde Besluit van kracht waarin de nadere regels zijn opgenomen. Sindsdien moeten daarom ook bij buitenlandse erkenningen die nadere regels in acht worden genomen — ongeacht wat men eventueel op grond van de Handleiding zou kunnen menen.
24
Dat de alinea over ‘Buitenlandse erkenningen’ in de Handleiding materieel ongewijzigd is gebleven, kan dan ook wat verwarrend zijn, omdat daarin niet wordt verwezen naar de nadere vereisten aan DNA-bewijs bij buitenlandse erkenningen. Voor zover de alinea niet al voor vervallen gehouden moet worden, moet zij in elk geval gelezen worden in het licht van de wet en in het licht van de toelichting op art. 4 lid 4 en 6 RWN. De alinea is, nauwkeurig beschouwd, op zichzelf ook niet onjuist: erkenning van een ingevolge art. 10:100 BW voor erkenning in aanmerking komende, buitenlandse rechterlijke uitspraak waarin een minderjarige is erkend en waarin het ouderschap is vastgesteld kán inderdaad nationaliteitsgevolg hebben. Namelijk: als dat ouderschap is vastgesteld overeenkomstig de vereisten van het Besluit. De alinea is dan hooguit onvolledig doordat die laatste precisering is weggelaten.
25
Hoe dan ook kan met een beroep op deze alinea uit de Handleiding in deze zaak niet worden bereikt dat de vereisten waaraan het Costa Ricaanse DNA-bewijs moest voldoen, niet gelden. De bedoelde alinea in de Handleiding bevat niet een beleidsregel voor de overheid over de uitoefening van een wettelijke bevoegdheid, waar verzoeker een beroep op zou kunnen doen; het gaat hier niet om beleidsruimte van de IND. Het gaat hier om een uitleg van een bepaling in een (rijks)wet in formele zin (en een daaronder hangende AMvRB) over het al dan niet bestaan van objectieve omstandigheden die van rechtswege tot nationaliteitsgevolg hebben geleid, en die ‘vol’ moeten worden getoetst door de rechter. En aan de Handleiding komt, zoals uw Raad al eens heeft geoordeeld, geen bijzondere betekenis toe voor de uitleg van de RWN.20. Laat staan dat de Handleiding zou kunnen leiden tot het achterwege moeten laten van de toepassing van art. 4 lid 6 RWN en het Besluit.
Op grond van dit middel
verzoekt de IND vernietiging van de bestreden beschikking met zodanige verdere beslissing als de Hoge Raad passend acht; kosten rechtens.
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 08‑07‑2024
Overgenomen uit het inleidend verzoekschrift.
Zie p. 5 van de beschikking.
p. 5 van de beschikking.
Stb. 2008, 417; laatstelijk gewijzigd per 6 januari 2014, zie Stb. 2013, 496.
Tot 1 april 2014: ‘vaderschap’. De wetgeving is toen aangepast om het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie mogelijk te maken. Hierna zal in de weergave van de oudere jurisprudentie en wetsgeschiedenis nog het daarin gebruikte woord ‘vaderschap’ worden gebruikt.
Stb. 2008, 417; laatstelijk gewijzigd per 6 januari 2014, zie Stb. 2013, 496.
Zie de nota van toelichting op het Besluit, Stb. 2008, 417.
HR 20 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1858.
Kamerstukken II 2005/06, 30584-(R1811) nr. 3 (MvT).
HR 26 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1624 en HR 26 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ1634.
HR 31 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:570. Nog steeds anders: G.R. de Groot, GS Personen- en familierecht, art. 4 RWN, aant. 8.4.
Conclusie A-G Vlas van 17 juli 2020, ECLI:NL:PHR:2020:699.
Zie de uitspraken genoemd in voetnoot 9 hiervóór.
Stcrt. 2007, 144, p. 9.
Stcrt. 2007, 144, p. 9.
Stb. 2008, 270.
Stcrt. 2008, 233.
HR 30 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV0054, rov. 3.4.3.