RFR 2025/101
Nationaliteitsrecht. Procesrecht. Had de rechtbank ambtshalve moeten toetsen of het DNA-bewijs aan de nadere regels, gesteld in art. 4 lid 4 jo lid 6 RWN, voldeed?
HR 27-06-2025, ECLI:NL:HR:2025:1024
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
27 juni 2025
- Magistraten
Mrs. M.J. Kroeze, C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, F.R. Salomons, G.C. Makkink
- Zaaknummer
24/02577
- Conclusie
A-G mr. P. Vlas
- Folio weergave
- Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
- JCDI
JCDI:BSD29203:1
- Vakgebied(en)
Personen- en familierecht / Afstamming en adoptie
Burgerlijk procesrecht (V)
Personen- en familierecht (V)
- Brondocumenten
ECLI:NL:HR:2025:1024, Uitspraak, Hoge Raad, 27‑06‑2025
ECLI:NL:PHR:2025:65, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 17‑01‑2025
Beroepschrift, Hoge Raad, 08‑07‑2024
- Wetingang
Art. 4 lid 4, 6 RWN; Besluit DNA-onderzoek vaderschap
Samenvatting
Deze zaak heeft betrekking op een verzoek tot vaststelling van het Nederlanderschap van een door verzoeker erkende minderjarige op de voet van art. 17 Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). De verzoeker, een Nederlandse man, heeft met machtiging van de Costa Ricaanse rechter in 2016, de minderjarige, geboren in 2008, erkend, nadat op grond van DNA-onderzoek in Costa Rica is vastgesteld dat het voor 99,999 ... Verder lezen? Log in om dit document te bekijken.