Einde inhoudsopgave
De aansprakelijkheid op grond van een 403-verklaring (IVOR nr. 122) 2021/3.2
3.2 Een crediteur heeft belang bij inzicht in de financiële positie van de rechtspersoon
mr. E.A. van Dooren, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
mr. E.A. van Dooren
- JCDI
JCDI:ADS250414:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Jaarrekeningenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Winter 2001, p. 98-99, Lennarts & Schutte-Veenstra 2004, p. 114, Schutte-Veenstra 2005, p. 27, De Jong & Nieuwe Weme 2006, p. 30, Kamerstukken II 2008/09, 31508, 6, p. 5 en 6 (NnavhV), Hijink 2010, p. 118 en Pitlo/Raaijmakers 2017, p. 605-606. Zie ook HvJ EG 9 maart 1999, NJ 2000/48, m.nt. Vlas (Centros), r.o. 36, ook gepubliceerd in JOR 1999/117, m.nt. Van Solinge en HvJ EG 30 september 2003, JOR 2003/249, m.nt. Vossestein (Inspire Art), r.o. 135, waar het Hof opmerkt dat crediteuren zich kunnen beroepen op bepaalde jaarrekeningrechtelijke regels van gemeenschapsrecht die hen beschermen, waaronder de Vierde EEG-richtlijn.
Beckman 2003, p. 63, Beckman 2004, p. 24, Schutte-Veenstra 2005, p. 28, Hijink 2010, p. 118 en 120 en Van Zoest 2019, p. 11-12.
Van Zoest 2019, p. 12.
Beckman 2003, p. 63, Beckman 2004, p. 24, Lennarts & Schutte-Veenstra 2004, p. 115, Schutte-Veenstra 2005, p. 28, De Jong & Nieuwe Weme 2006, p. 30 en Hijink 2010, p. 118.
Lennarts 2006, p. 27, Hijink 2010, p. 120 en 399 en Van Zoest 2019, p. 12.
Houwen, Schoonbrood-Wessels & Schreurs 1993, p. 754-755, Winter 2001, p. 98-99, Lennarts & Schutte-Veenstra 2004, p. 114, De Jong & Nieuwe Weme 2006, p. 29-30, Hijink 2010, p. 115-116, Beckman & Marseille 2013, p. 78 en Pitlo/Raaijmakers 2017, p. 605.
Houwen, Schoonbrood-Wessels & Schreurs 1993, p. 768, Winter 2001, p. 99, Beckman 2003, p. 63, Beckman 2004, p. 24, Lennarts & Schutte-Veenstra 2004, p. 114, Schutte-Veenstra 2005, p. 27, Lennarts 2006, p. 26, De Jong & Nieuwe Weme 2006, p. 30, Hijink 2010, p. 121-122 en Pitlo/Raaijmakers 2017, p. 601 en 605-606.
Bier 2006, p. 47-48, Hijink 2010, p. 112 en Brouwer 2019, p. 218.
Zie § 3.8.
Dat een crediteur van een rechtspersoon belang heeft bij inzicht in de financiele positie van deze rechtspersoon staat niet ter discussie.1 Een rechtspersoon is zelfstandig aansprakelijk voor zijn verplichtingen, wat inhoudt dat een crediteur zich alleen op het vermogen van de rechtspersoon zelf kan verhalen. Voor de crediteur is het daarom van belang dat hij de mogelijkheid heeft om inzicht te krijgen in de financiële positie van de rechtspersoon zodat hij kan schatten hoe groot het risico is dat zijn vordering niet (volledig) zal worden voldaan.
Inzicht in de financiële positie van een rechtspersoon is in de eerste plaats van belang voor degenen die eventueel een relatie met de rechtspersoon willen aangaan.2 Zij kunnen (mede) aan de hand van deze informatie bepalen of zij de relatie al of niet willen aangaan en zo ja, onder welke voorwaarden. Als een leverancier bijvoorbeeld weet dat een rechtspersoon er financieel slecht voor staat, kan hij besluiten dat hij de goederen alleen wil leveren als er wordt vooruitbetaald, hij bepaalde zekerheden krijgt of als een derde zich garant stelt voor de nakoming.3
Voor crediteuren die reeds een vordering hebben op een rechtspersoon, biedt de informatie omtrent de financiële positie vanzelfsprekend geen bescherming tegen (gedeeltelijke) onverhaalbaarheid van de vordering.4 Voor hen is deze informatie echter van belang om bij te kunnen houden hoe de financiële positie van de rechtspersoon zich met de tijd ontwikkelt. Als blijkt dat de financiële positie van de rechtspersoon (te veel) is verslechterd – bijvoorbeeld omdat deze dividenduitkeringen heeft gedaan, leningen heeft verstrekt, zich garant heeft gesteld voor schulden van een derde of omdat zijn activa zijn afgewaardeerd – kan een crediteur besluiten om aanvullende zekerheden te eisen, bestaande zekerheidsrechten uit te oefenen, de relatie met de rechtspersoon proberen aan te passen of te beëindigen, of het faillissement aan te vragen.5 Een bank kan bijvoorbeeld besluiten om een rekening-courantkrediet stop te zetten omdat uit de jaarrekening van de rekeninghouder blijkt dat het eigen vermogen onder een bepaald bedrag is gekomen.
Een rechtspersoon biedt onder meer inzicht in zijn financiële positie door jaarlijks een jaarrekening openbaar te maken. De gedachte is dat derden de jaarrekening bij het handelsregister kunnen opvragen en zich (mede) aan de hand daarvan een beeld kunnen vormen omtrent de financiële positie van de rechtspersoon.6 Om jaarrekeningen te kunnen vergelijken en te doorgronden zijn er wettelijke voorschriften hoe deze moeten worden ingericht, en moeten deze door een accountant worden gecontroleerd.
Ik merk op dat er in de literatuur enkele kritische kanttekeningen worden geplaatst bij het idee dat het jaarlijks openbaar maken van een jaarrekening (voldoende) inzicht biedt aan derden omtrent de financiële positie van de rechtspersoon. Er wordt bijvoorbeeld op gewezen dat aangezien een rechtspersoon tot twaalf maanden na afloop van het boekjaar de tijd heeft om de jaarrekening openbaar te maken,7 de informatie daarin al verouderd is op het moment van de openbaarmaking en door verloop van tijd alleen maar meer verouderd raakt.8 Een ander kritiekpunt is dat het bestuursverslag onvoldoende informatie biedt ten aanzien van het toekomstige bestuursbeleid en de te verwachten continuïteit(srisico’s) – informatie die in het bijzonder van belang is voor crediteuren en partijen die eventueel een relatie met de rechtspersoon willen aangaan.9 Aan het einde van dit hoofdstuk kom ik uitgebreid terug op deze kanttekeningen.10