Executele
Einde inhoudsopgave
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/IV.A.7.7:IV.A.7.7 De failliete erfgenaam
Executele (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2007/IV.A.7.7
IV.A.7.7 De failliete erfgenaam
Documentgegevens:
Prof.mr. B.M.E.M. Schols, datum 07-12-2007
- Datum
07-12-2007
- Auteur
Prof.mr. B.M.E.M. Schols
- JCDI
JCDI:ADS404935:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie over deze bepaling POLAK/PANNEVIS, Faillissementsrecht, Deventer: Kluwer 2005, p. 60 en 146.
Vergelijk ASSER-VAN DER GRINTEN 2-I, De vertegenwoordiging, Zwolle: Tjeenk Willink 1990, nr.141.
Zie in deze wel art. 60b van de Faillisementswet op grond waarvan het bewind zou kunnen eindigen.
Zie MvT, Parl. Gesch, Inv., p. 2213 waar in het kader van de toepasselijkheid van de afdeling 'vereffening'opgemerkt wordt: 'zulks tenzijde erflater zelf reeds failliet was verklaard.'
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Daar waar de lakmoesproef van het vermogensrecht: het faillissement, in het erfrechtelijke beeld komt, dringt automatisch de goederenrechtelijke laag van executele zich op, te weten het bewindsaspect.
Indien de executeur geconfronteerd wordt met een faillissement van een van de erfgenamen en daarmee met een faillissementscurator, doemt eveneens de vraag op wiens bevoegdheden voorgaan. Mijns inziens kan, zoals gezien, voor een antwoord op deze vraag aansluiting gezocht worden bij art. 60a lid3 van de Faillissementswet:1
'Buiten de gevallen, bedoeld in de vorige leden, blijven de onder bewind staande goederen buiten het faillissement en wordt slechts aan de curator uitgekeerd wat de goederen netto aan vruchten hebben opgebracht.' (Curs. BS)
Allereerst ga ik ervan uit dat executele, althans in ieder geval in het licht van de onderhavige regeling, als een species van testamentair bewind2 gezien kan worden en art. 60a Faillissementswet derhalve ook op executele van toepassing is. Dit brengt met zich dat de executeur in beginsel zelfstandig bevoegd blijft om goederen van de nalatenschap te gelde te maken in de zin van art. 4:147 BW, ook na het faillissement van de erfgenaam.3 Wel zal de terbeschikkingstelling van de goederen van de nalatenschap door de executeur bij het einde van zijn beheer niet aan de gefailleerde geschieden, doch aan de faillissementscurator. Deze heeft immers op grondvan art. 60a lid 4 Faillissementswet, in afwijking van boek 4:151 BW, het recht om te allen tijde rekening en verantwoording te vragen van de 'bewindvoerder': lees de executeur.
Voor een positieve beantwoording van de vraag naar de voorrangspositie van de executeur pleit ook de rechtsregel uit HR 11 september 1992, NJ 1992, 730 waarin de Hoge Raad aangaf dat goederen die door een erflater op grond van art. 4:1066 (oud) BW onder het beheer van een testamentair bewindvoerder zijn geplaatst niet in het faillissement vallen. Voorts merk ik op dat een executeur ook moet kunnen handelen in de situatie dat hij niet weet wie de erfgenamen zijn. In dit geval is het derhalve onmogelijk om kennis te nemen van een faillissement van de betreffende 'onbekende' erfgenaam.
Indien erflater overigens zelf reeds failliet was, zal de faillissementscurator voor de 'vereffenaar' lees: de executeur gaan.4 Dit is echter een andere situatie dan een faillissement van een erfgenaam.