Hoofdelijke aansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/5.3.4:5.3.4 Rechtsmiddelen
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/5.3.4
5.3.4 Rechtsmiddelen
Documentgegevens:
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931091:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie hiervoor, nr. 235.
Zie hiervoor, nr. 235.
Art. 3:303 BW geldt evenzeer voor het instellen van een rechtsmiddel. Zie Snijders & Wendel 2009/79-81; Asser Procesrecht/Korthals Altes & Groen 7 2015/47-50; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2022/180 e.v.; Van der Wiel (red.) 2019/197-199.
Vgl. Snijders & Wendel 2009/81.
Zie hiervoor, nr. 235.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
245. Rechtsmiddelen tegen uitspraken in vrijwaring. Het wettelijk uitgangspunt is dat in de hoofd- en vrijwaringszaak (of -zaken) indien mogelijk tegelijkertijd uitspraak wordt gedaan (art. 215 Rv). Dat laat onverlet dat het gaat om zelfstandige procedures,1 tussen andere partijen, zodat het instellen van rechtsmiddelen tegen uitspraken in de vrijwaringszaak afzonderlijk wordt beoordeeld.
Voor de vrijwaringsprocedure gelden geen andere regels dan voor procedures in eerste aanleg in het algemeen; de in te stellen rechtsmiddelen worden dus bepaald door art. 332 e.v. Rv (hoger beroep) of art. 139 e.v. Rv (verzet). Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor cassatieberoep (zie art. 398 e.v. Rv). Ten aanzien van het instellen van rechtsmiddelen tegen uitspraken in vrijwaringsprocedures kunnen wel afstemmingsperikelen rijzen.
Zo kan een veroordeling in de hoofdzaak ertoe leiden dat de gedaagde in de hoofdzaak een rechtsmiddel in stelt tegen de uitspraak in de hoofdzaak, terwijl in de vrijwaringsprocedure nog geen volledig debat heeft plaatsgevonden. Voor de gedaagde in de hoofdzaak, tevens eiser in vrijwaring is dat problematisch, omdat het ‘voordeel’ dat de vrijwaringsprocedure door dezelfde rechter wordt beoordeeld als de hoofdzaak,2 dan afneemt. Wordt in de hoofdzaak al in hogere instantie geprocedeerd, terwijl de vrijwaringszaak zich nog in lagere instantie bevindt, worden de zaken immers door verschillende rechters beoordeeld. Om die reden zal hem er veel aan gelegen zijn om ervoor te zorgen dat de vrijwaringszaak niet ‘achterloopt’ op de hoofdzaak. Indien de hoofd- en vrijwaringszaak wel parallel lopen, doet zich bij toewijzing van zowel de vordering in de hoofdzaak als de vrijwaringszaak (of -zaken) de vreemde situatie voor dat indien de eiser in de hoofdzaak een rechtsmiddel instelt tegen de uitspraak in de hoofdzaak, de eiser in de vrijwaringsprocedure er belang bij heeft dat ook in de vrijwaringsprocedure een rechtsmiddel wordt ingesteld, omdat de procedures dan ook in hogere instantie parallel worden behandeld. Het vreemde is echter dat de eiser in vrijwaring dan belang heeft bij het instellen van een rechtsmiddel tegen een uitspraak waarin hij gelijk heeft gekregen; zijn vorderingen in de vrijwaringszaak waren immers toegewezen. Doorgaans zullen de gedaagden in vrijwaring een rechtsmiddel instellen tegen een uitspraak waarin zij zijn veroordeeld. Indien de in het gelijk gestelde eiser in vrijwaring voldoende belang3 heeft bij het instellen van een rechtsmiddel – principaal of incidenteel – zou ik menen dat hij met dat rechtsmiddel kan opkomen tegen een oordeel waarin hij in het gelijk is gesteld. Een dergelijk belang kan mijns inziens ook bestaan in het gelijk laten lopen van de hoofd- en vrijwaringsprocedure; in feite komt een dergelijk belang erop neer dat de eiser in vrijwaring zijn eis mogelijk wil wijzigen gelet op de eis(en) in de hoofdzaak, hetgeen doorgaans als voldoende belang wordt aangemerkt.4
Ook doen zich afstemmingsperikelen voor indien de vordering in de hoofdzaak onverwacht wordt afgewezen. Stelt de eiser in de hoofdzaak tegen die uitspraak een rechtsmiddel in, dan heeft de eiser in de vrijwaringszaak er dan vreemd genoeg belang bij om de rechter in de vrijwaringszaak te verzoeken zijn vorderingen af te wijzen, zodat hij vervolgens een rechtsmiddel kan instellen tegen die afwijzing. Een dergelijke vordering zal in een dergelijk geval voor toewijzing gereed liggen, gelet op de verhouding tussen hoofd- en vrijwaringszaak.5