Hoofdelijke aansprakelijkheid
Einde inhoudsopgave
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/5.3.5:5.3.5 Tussenconclusie
Hoofdelijke aansprakelijkheid (O&R nr. 144) 2024/5.3.5
5.3.5 Tussenconclusie
Documentgegevens:
mr. drs. D.F.H. Stein, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. drs. D.F.H. Stein
- JCDI
JCDI:ADS931176:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
246. Conclusie. Voor de in rechte aangesproken (beweerdelijk) hoofdelijk schuldenaar vormt de vrijwaringsprocedure het best toegesneden instrument om zijn (beweerdelijk) medeschuldenaren in rechte te betrekken. Waar de vrijwaringsprocedure goed geschikt is om de negatieve financiële gevolgen van een veroordeling in de hoofdzaak deels op de gedaagden in vrijwaring af te wentelen, heeft zij als nadeel dat medeschuldenaren – behoudens het geval van vrijwillige voeging (art. 217 Rv) – niet gebonden zijn aan oordelen in de hoofdzaak en dat het verlenen van processuele bijstand niet of nauwelijks kan worden afgedwongen. Hoewel het door gedaagde oproepen van medeschuldenaren in de hoofdzaak (art. 118 Rv) niet is uitgesloten, wordt dit tot op heden (nog) niet toegestaan.
Waar ik in het kader van de externe verhoudingen concludeerde dat het procesrecht niet goed aansluit bij het materiële recht inzake schikkingen waarbij gebruik is gemaakt van een 6:14-clausule,1 geldt dit in het kader van de interne verhoudingen vooral voor gevallen waarin de schikking tot gevolg heeft dat de hoofdzaak tot een einde komt. De vrijwaringsprocedure wordt geregeld gekenschetst als procedure ter verkrijging van een veroordeling onder de opschortende voorwaarde van een veroordeling in de hoofdzaak. Als een schikking in de hoofdzaak leidt tot het einde daarvan, zal een dergelijke voorwaarde niet meer kunnen intreden. Tegelijkertijd is het weinig doelmatig om de schuldenaar die na een schikking verhaal wil nemen op zijn medeschuldenaren, daartoe een nieuwe procedure te laten starten indien jegens hen reeds vrijwaringsprocedures aanhangig zijn. Ik meen dan ook dat er in die omstandigheden voldoende reden is om in de vrijwaringsprocedure door te procederen, mits de eis in de vrijwaringsprocedure daarvoor voldoende ruimte laat en uiteraard slechts indien de eiser in die procedure daarbij nog voldoende belang heeft.2