Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/5.5.2
5.5.2 Zelfstandige toezichthoudende bevoegdheden, gedeelde bevoegdheden en goedkeuringsbevoegdheden
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS392047:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Dit onderscheid lijkt enigszins op het onderscheid dat Honée in 1996 voor de raad van commissarissen van een NV of BV maakte (Honée 1996). Honée onderscheidde aanvullende bevoegdheden en zelfstandige bevoegdheden van de raad van commissarissen. De governance-opvattingen over de rol van de raad van commissarissen zijn na 1996, zoals eerder opgemerkt, doorontwikkeld en op sommige gebieden behoorlijk gewijzigd. Het is dan ook de vraag of tegenwoordig nog gezegd kan worden dat de raad van commissarissen slechts een aanvullende rol speelt. De term “aanvullende bevoegdheden” wekt ten onrechte de indruk dat het toezichthoudend orgaan kan volstaan met een beperkte toetsing van de door het bestuur genomen besluiten.
Glasz 1992, p. 19, Glasz 1995, p. 155 en Blanco Fernández 2016, p. 33.
Glasz 1992, p. 19, en Glasz 1995, p. 155.
Bij de stichting kan de raad van toezicht bevoegdheden hebben die op zijn eigen toezichthoudende terrein liggen, maar ook (goedkeurings)bevoegdheden ten aanzien van besluiten die op bestuursterrein liggen. In sommige gevallen is echter niet duidelijk of het een besluit betreft dat op het terrein van het bestuur of de raad van toezicht ligt. Mijns inziens kunnen de volgende besluiten van de raad van toezicht worden onderscheiden:
besluiten omtrent bevoegdheden die op het terrein van de raad van toezicht liggen, die de raad zelfstandig uitoefent;
besluiten omtrent bevoegdheden die op het terrein van het bestuur liggen, die de raad van toezicht moet goedkeuren;
besluiten die door het bestuur en de raad van toezicht gezamenlijk genomen worden.1
Zelfstandige toezichthoudende bevoegdheden
De eerste categorie betreft zelfstandige bevoegdheden die de raad van toezicht op grond van de wet of de statuten heeft en waarmee de algemene toezichthoudende taak wordt ondersteund. Gedacht kan worden aan de bevoegdheid om de beloning van bestuurders vast te stellen of de bevoegdheid om bestuurders te benoemen of te schorsen. De raad van toezicht heeft ten aanzien van deze zelfstandige bevoegdheden een “ongedeelde verantwoordelijkheid”; hij zal zich daarover zelf ten volle moeten verantwoorden.
Gedeelde bevoegdheden en goedkeuringsbevoegdheden
De tweede en derde categorie betreffen bevoegdheden van het bestuur waarbij de raad van toezicht betrokken is. Het gaat om besluiten waarbij het bestuur een initiërende bevoegdheid heeft en aan de raad van toezicht op grond van de wet, de statuten of een reglement een uitdrukkelijke goedkeuringsbevoegdheid is toegekend. Sommige besluiten worden door het bestuur en de raad van toezicht in gezamenlijkheid genomen. Het onderscheid tussen goedkeuringsbesluiten, instemmingsbesluiten en gezamenlijke besluiten is niet altijd duidelijk en kan feitelijk door elkaar lopen.
Goedkeuring en instemming
Ook zonder dat goedkeuring van de raad van toezicht uitdrukkelijk in de wet, in statuten of in een reglement is voorgeschreven, wordt het bestuur in bepaalde omstandigheden en bij bepaalde soorten ingrijpende besluiten geacht deze ter goedkeuring of instemming voor te leggen aan de raad van toezicht (zie ook paragraaf 4.5.5). Als bestuur en raad van toezicht ten opzichte van elkaar goed functioneren, dan neemt het bestuur geen ingrijpende besluiten zonder die tevoren met de raad te hebben afgestemd.2 Overigens zal goedkeuring of instemming door de raad dan ook vaak impliciet zijn.
Initiërende rol van het bestuur
Indien de raad van toezicht een besluit dat op bestuursterrein ligt moet goedkeuren, ligt de initiërende, leidende rol dus bij het bestuur. Indien goedkeuring van een dergelijk besluit (op grond van een wettelijke of statutaire verplichting) aan de raad van toezicht gevraagd wordt, kan volgens sommige auteurs de raad van toezicht besluiten goedkeuring ofwel te verlenen ofwel te weigeren. Indien de raad van toezicht zijn goedkeuring weigert, is het volgens deze auteurs niet de bedoeling dat de raad een alternatief voorschrijft.3 Ik meen dat dit in de huidige tijd te strikt gesteld is en dat, zeker wanneer besluiten in gezamenlijkheid genomen worden, de raad van toezicht in bepaalde omstandigheden wel degelijk een alternatief kan en soms moet adviseren als dat in het belang van de stichting is. Ik ben het wel eens dat de raad van toezicht in beginsel slechts dient na te gaan of het besluit zorgvuldig tot stand komt en of het past binnen de (statutaire) doelstelling van de stichting en past binnen het afgesproken beleidsplan.
Beoordeling vanuit verschillend perspectief
Het bestuur en het toezichthoudend orgaan beoordelen voorgenomen besluiten die op het bestuursterrein liggen (die bijvoorbeeld uitvoering van het beleid betreffen) in beginsel vanuit een verschillend perspectief: het bestuurlijke respectievelijk het toezichthoudende perspectief. Bij dat laatste perspectief past niet dat de raad van toezicht het werk van het bestuur nog een keer overdoet. Er zijn echter ook belangrijke besluiten die de structuur van de stichting betreffen, zoals het besluit een fusie aan te gaan (zie ook de overige ingrijpende besluiten genoemd in hoofdstuk 4), waarbij de verschillende perspectieven mijns inziens minder duidelijk zijn en waarin eerder in gezamenlijkheid besloten zal worden.