Einde inhoudsopgave
Billijkheidsuitzonderingen (SteR nr. 40) 2018/6.2.2
6.2.2 Stelling van sommigen: het bestuursrecht kent een ongeschreven uitzonderingsbevoegdheid
mr. F.S. Bakker, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. F.S. Bakker
- JCDI
JCDI:ADS354741:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
In het civiele recht was de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid voor haar codificatie in 1992 een ongeschreven uitzonderingsbevoegdheid (aangenomen door een zeer gekunstelde uitleg van een wettelijk voorschrift). Momenteel kan deze bevoegdheid ook als ongeschreven worden beschouwd omdat de Hoge Raad het bereik van het leerstuk heeft uitgebreid tot gevallen waarop het volgens de wet niet van toepassing is, en alle uitzonderingen erop kunnen worden gebaseerd (hoofdstuk 4).
Hierover gaat par. 6.6.
Onder vele anderen Borman 1998, p. 188.
Van Kreveld 1985, p. 298; verder stelde in 1991 J.J.R. Bakker (geen familie), toenmalig voorzitter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven, dat de rechter steeds meer uitging ‘van een ongeschreven bevoegdheid van het bestuur om van wettelijke bepalingen af te wijken’ (verslag van een studiebijeenkomst, Eijlander 1992).
Van Kreveld 1985, p. 298, 299; J.J.R. Bakker (Eijlander 1992).
Van Kreveld 1985, p. 298, 299, onder verwijzing naar CRvB 16 februari 1982, ECLI:NL:CRVB:1982:AM6415, AB 1982/340, m.nt. J.H. Smits.
Van Kreveld 1985, p. 298-300.
Van Kreveld 1985, p. 300-302, 310.
Zijn visie biedt dus geen ruimte voor fraus legis en misbruik van bevoegdheid, op grond waarvan zonder (specifieke, bestuursrechtelijke) grondslag in wetgeving ten nadele van de burger een uitzondering wordt gemaakt (waarover par. 6.3.4).
Aan deze voorwaarden hoeft volgens Van Kreveld overigens niet te zijn voldaan als vertrouwen is gewekt door een individuele toezegging of gepubliceerde beleidsregel. Hij geeft niet aan waarom.
Van Kreveld 1985, p. 301, 302.
Van Kreveld 1985, p. 304.
Van Kreveld 1985, p. 304; Eijlander 1992, p. 27.
Van Kreveld 1985, p. 302-304.
Zoontjens 1990; J.J.R. Bakker (in Eijlander 1992); Gerritsen 1996, p. 251, 256, 257, zonder toelichting. Over geschreven hardheidsclausules gaat par. 6.3.3. Zoontjens erkende geen algemene, ongeclausuleerde uitzonderingsbevoegdheid (Zoontjens 1990, p. 439-441), en beschouwde hardheidsclausules als ‘middel tot interpretatie van de wet’.
Zoontjens 1990, p. 436, 437. Ook in die zin, maar zonder verwijzing naar Aristoteles, J.J.R. Bakker (in Eijlander 1992): uitzonderingen op wetgeving zijn toegestaan als ‘strikte toepassing van de wet op een – door de wetgever niet voorzien – geval zou leiden tot een kennelijk onredelijk resultaat’. Hierbij gaf Bakker een voorbeeld: Afdeling rechtspraak Raad van State 5 augustus 1985, ECLI:NL:RVS:1985:AM9079, AB 1986/561, m.nt. H.J. de Ru, waar werd overwogen dat de minister een regel buiten toepassing had moeten laten ‘indien een onverkort vasthouden aan de daarin vervatte criteria in zijn geval kennelijk onbillijk zou zijn’. Het ging echter om een beleidsregel, niet om een wettelijke regel, zoals Bakker lijkt aan te nemen.
Zoontjens 1990, p. 439-441.
De term ‘ongeschreven hardheidsclausule’ komt zelden tot nooit meer voor in recente literatuur en rechtspraak. ‘Inherente afwijkingsbevoegdheid’ wordt vooral gebruikt bij beleidsregels. Bijna nooit wordt gedoeld op een aan wetgeving inherente afwijkingsbevoegdheid.
Misschien heeft de invoering van de Awb ook de aandacht afgeleid van de voornoemde publicaties, of heeft de wijze waarop de argumenten waren verwoord ermee van doen.
Fleuren & Mertens 2012, p. 85.
Mans 2010, p. 146, 147.
Bijv. Brenninkmeijer 2010: de bestuursrechter moet meer zijn dan een spreekbuis van de wet (zie ook Jaarverslagen Nationale ombudsman 2011-2016, die in par. 6.2.1, c ter sprake komen); Mans 2010, p. 146, 147: het bestuursrecht maakt van teveel regels ‘wetten van Meden en Perzen’, en daardoor ontstaan onrechtvaardige situaties; Tak 2011, p. IV: de algemene rechtszekerheid waarop de wet is gericht, staat ‘vrijwel exclusief voorop’, ten koste van de individuele rechtvaardigheid; Tak 2013, p. 37; Tak 2014; Tak 2015, p. 659: ‘Het bestuursrecht wordt te formalistisch toegepast en er bestaat te weinig aandacht voor de vraag of besluiten en rechterlijke uitspraken wel rechtvaardig zijn’. Vgl. Meussen 2006: de Hoge Raad als belastingrechter moet vaker oordelen dat wetgeving in strijd is met hoger recht; hij heeft te veel respect voor de wetgever, en zou meer activistisch, ‘ongehoorzaam’, moeten optreden en vaker de belangen van de belastingplichtige laten prevaleren.
In de literatuur betoogden enkelen rond 1990 dat (ook1) in het bestuursrecht de toepasser een algemene, ongeschreven uitzonderingsbevoegdheid heeft. Men sprak van een ‘aan wetgeving inherente afwijkingsbevoegdheid’ en ‘ongeschreven, algemene hardheidsclausules’.
a. Een aan wetgeving inherente afwijkingsbevoegdheid
De term ‘inherente afwijkingsbevoegdheid’ wordt gewoonlijk gebruikt in het verband van beleidsregels.2 Daarvan mag volgens artikel 4:84 Awb worden afgeweken als toepassing ‘voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen’. Doorgaans wordt het juist als verschil beschouwd tussen wettelijke voorschriften en beleidsregels dat ten aanzien van beleidsregels een inherente afwijkingsbevoegdheid bestaat, en bij wettelijke voorschriften niet.3
In de literatuur heeft echter vooral Van Kreveld bepleit dat een afwijkingsbevoegdheid net zozeer inherent is aan wetgeving.4 Dat zou niet alleen blijken uit de aanvaarding van contra-legemwerking van abbb,5 maar ook uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep dat een bestuursorgaan iemand die volgens de wet geen aanspraak heeft op een uitkering, bij een leemte in die wet toch een uitkering mag toekennen, wat ‘gelet ook op de strekking van die wet, met een redelijke toepassing van die wet geheel overeenstemt’.6 De omvang van de aan wetgeving inherente afwijkingsbevoegdheid zou nog niet duidelijk uit de jurisprudentie blijken, maar de bevoegdheid bestond bij formele en lagere wetgeving.7
Problematische aspecten van de inherente afwijkingsbevoegdheid als rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en het democratiebeginsel beschouwde Van Kreveld niet als absolute hindernis, omdat de eisen aan de bevoegdheid deze aspecten compenseerden.8 Zo mochten uitzonderingen slechts ten behoeve van belanghebbenden zijn,9 als toepassing van een voorschrift gezien zijn strekking zeer onbillijk was, en alleen vanwege door de wetgever onvoorziene omstandigheden. Een uitzondering wordt namelijk gerechtvaardigd doordat de wetgever niet alle praktijkgevallen en consequenties van toepassing van een voorschrift kan voorzien.10 Er golden strengere eisen voor een uitzondering naar mate de totstandkoming van een voorschrift met meer waarborgen omringd en zorgvuldiger was geweest, zoals bij een wet in formele zin. Hogere eisen waren er ook als derdenbelangen door de uitzondering werden geraakt. Een ander argument voor een aan wetgeving inherente afwijkingsbevoegdheid was dat haar resultaat door toepassers al wel anderszins wordt bereikt: door extensieve of restrictieve interpretatie.11
Van Kreveld achtte codificatie van deze bevoegdheid (in bijvoorbeeld de Awb) wel wenselijk. Dat gaf ‘een formele legitimatie aan de afwijkingsmogelijkheid’12 en maakte deze algemeen kenbaar.13 Hardheidsclausules voor verschillende onderwerpen waren onvoldoende vanwege hun noodzakelijke algemeenheid.14
b. Ongeschreven hardheidsclausules
Volgens anderen, in het bijzonder Zoontjens, bestaan er niet alleen geschreven, maar ook ongeschreven hardheidsclausules als grondslag voor uitzonderingen op specifieke wettelijke voorschriften.15 Zoontjens bepleitte onder verwijzing naar Aristoteles het bestaan ervan omdat wetgeving noodzakelijkerwijs algemeen is, waardoor de toepasser soms slechts recht kan doen aan de bedoeling van de wetgever en de strekking van de wet door deze niet toe te passen.16 Ongeschreven hardheidsclausules verklaarden niet alleen de contra-legemwerking van abbb, maar bestonden ook in andere gevallen.17
c. Actuele opvattingen over ongeschreven billijkheidsuitzonderingen
In de actuele bestuursrechtelijke doctrine en rechtspraak wordt weinig aandacht besteed aan het bestaan van een ongeschreven uitzonderingsbevoegdheid. De discussie hierover lijkt niet meer te worden gevoerd.18 Mogelijk wordt aangenomen dat de karakteristieken van het bestuursrecht zich tegen ongeschreven uitzonderingen verzetten.19 In dit hoofdstuk wordt beoordeeld of dat zo is. Dat de reden niet is dat de uitzonderingsbevoegdheid als vanzelfsprekend wordt beschouwd, blijkt wel uit de in dit hoofdstuk te bespreken evident onbillijke beslissingen door strikte toepassing van wetgeving.
Actuele literatuur stelt soms wel dat de contra-legemwerking van abbb uitdrukking is van de aristotelische billijkheid.20 Ook is voorgesteld in de Awb te bepalen dat de bestuursrechter van wetgeving mag afwijken op basis van de redelijkheid en billijkheid.21 Tevens is de kritiek geuit dat bestuursrechters (en, naar men mag aannemen, bestuursorganen) te veel evident onbillijke beslissingen nemen door strikte toepassing van wetgeving. Toepassing zou te vanzelfsprekend zijn.22 Dit zijn echter niet de heersende opvattingen in de bestuursrechtelijke doctrine.