Einde inhoudsopgave
De rol en positie van de raad van toezicht van de stichting (IVOR nr. 112) 2018/7.5.2
7.5.2 Algemene wettelijke bepalingen over taakverdeling
mr. M.J. van Uchelen-Schipper, datum 04-02-2018
- Datum
04-02-2018
- Auteur
mr. M.J. van Uchelen-Schipper
- JCDI
JCDI:ADS388568:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Economische ordening
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Onder het huidige recht geldt artikel 2:9 BW via de schakelbepaling van artikel 2:300a juncto 2:149 BW slechts ingeval van faillissement van een stichting die aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen.
Schild en Timmerman merken wat betreft bestuurders van NV’s en BV’s op dat, hoewel tot 1 januari 2013 een taakverdeling tussen bestuurders wettelijk niet was geregeld, daarvoor reeds algemeen werd aangenomen dat een taakverdeling toegelaten was (Schild & Timmerman 2014).
De introductie in de wet van een monistisch bestuurssysteem voor kapitaalvennootschappen noopt tot precisering van artikel 2:9 BW, aldus de MvT bij het Wetsvoorstel bestuur en toezicht (Kamerstukken II 2008-2009, 31 763, nr. 3, p. 7).
Bij een taakverdeling tussen dagelijkse en algemene bestuurders, nemen bestuurders die niet met de dagelijkse gang van zaken zijn belast, evenzeer deel aan de besluitvorming over onderwerpen die de dagelijkse gang van zaken betreffen, aldus de Minister van Veiligheid en Justitie. Kamerstukken II 2008-2009, 31 763, nr. 3, p. 8.
Concept MvT btrp bij het Voorontwerp btrp, p. 15.
Zie hierover onder meer de reactie van het IvO van 28 maart 2014 en de reactie van Houthoff Buruma op het Voorontwerp, www.internetconsultatie.nl/bestuurentoezichtrechtspersonen/reacties.
Wat betreft interne aansprakelijkheid en disculpatie van bestuurders kende het Hof Amsterdam bijvoorbeeld in de Freule Lauta van Aysma uitspraak uit 2010 gewicht toe de taakverdeling van bestuurders. In deze uitspraak ging het om drie oud-bestuurders van een stichting die op grond van artikel 2:9 BW aansprakelijk werden gesteld voor de door de stichting geleden schade als gevolg van een riskant beleggingsarrangement. De disculpatieverweren van twee van de drie oud-bestuurders (de penningmeester en de voorzitter), inhoudende dat zij geen specialisten waren en hun bestuurstaken onbezoldigd vervulden, werden niet door het Hof geaccepteerd. Het disculpatieverweer van de secretaris, Lambers, slaagde echter wel, gelet op de omstandigheden van het geval. Hoewel de bijzondere omstandigheden van belang waren voor het oordeel van het Hof, valt op dat het Hof de taakverdeling – op grond waarvan het financiële beleid aan de penningmeester werd overgelaten – voor Lambers als disculperende factor meewoog, gecombineerd met het vertrouwen dat Lambers, die zelf geen financiële achtergrond had, stelde in de penningmeester na hun jarenlange samenwerking. Hof Amsterdam 21 september 2010 (Stichting Freule Lauta van Aysma), RO 2010/80 en JOR 2011/40 met noot Wezeman, zie in het bijzonder r.o. 4.32.
Kersten 2016.
Zie bijvoorbeeld Dumoulin 2012.
Zie, ten aanzien van bestuurders, Schild & Timmerman 2014.
Zie bijvoorbeeld 5.3. GCC voor culturele instellingen.
Op dit moment is in Boek 2 BW niets geregeld over de inhoud van de algemene taak van de raad van toezicht van een stichting en evenmin is de mogelijkheid om een taakverdeling te maken geregeld.1 Ondanks dat wordt algemeen aangenomen dat de raad van toezicht zijn taken onderling kan verdelen.2
Het Wetsvoorstel btrp bevat wel een uitdrukkelijke regeling voor een taakverdeling tussen leden van een toezichthoudend orgaan. Deze is grotendeels gelijk aan de huidige regeling van de taakverdeling tussen bestuurders. Om die reden zal eerst de (werking van) de regeling voor bestuurders aan de orde komen.
Wettelijke bepaling en wetsgeschiedenis omtrent taakverdeling tussen bestuurders
Voor bestuurders van alle rechtspersonen bevat de huidige wet een wettelijke basis voor een bij of krachtens de statuten te maken taakverdeling (artikel 2:9 lid 1 BW). Deze bepaling geldt sinds de invoering van de Wet bestuur en toezicht op 1 januari 2013 en houdt blijkens de toelichting op deze wet verband met de introductie van de one tier board in Boek 2 BW.3 In het wetsvoorstel btrp is een regeling opgenomen (artikel 2:9 lid 2 Wetsvoorstel btrp) die inhoudelijk overeenkomt met de huidige regeling. Op grond van artikel 2:9 BW behoren tot de taken van de bestuurder alle bestuurstaken die niet aan een of meer andere bestuurders zijn toebedeeld. De omvang van de taak van de bestuurder hangt dus mede af van de toebedeling aan zijn medebestuurders. Taken die niet zijn toebedeeld rusten op alle bestuurders.
De Minister van Veiligheid en Justitie merkte bij de behandeling van het Wetsvoorstel bestuur en toezicht op, dat een taakverdeling tot doel heeft te voorkomen dat meerdere bestuurders zich met dezelfde bestuurstaak moeten bezighouden, terwijl dat voor een goede uitvoering van bestuurstaken niet nodig is. Een taakverdeling komt de efficiëntie ten goede, aldus de Minister.4
Een taakverdeling brengt geen wijziging in de gezamenlijke verantwoordelijkheid van bestuurders. Iedere bestuurder blijft verantwoordelijk voor de taakuitoefening door het bestuur en voor de besluiten die door het orgaan worden genomen.5 Als gevolg van die collectieve verantwoordelijkheid kan een bestuurder aansprakelijk zijn voor schade die optreedt als gevolg van onbehoorlijk bestuur van een andere bestuurder. Een bestuurder die aansprakelijk wordt gesteld voor onbehoorlijk bestuur van een medebestuurder kan echter wel een beroep doen op een disculpatiegrond. Dat wil zeggen: hij kan aanvoeren dat hem, mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken, geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden. De consequentie van dit systeem is dat een bestuurder, die opmerkt dat een andere bestuurder zijn taken niet of onjuist vervult en dat daardoor onbehoorlijk bestuur dreigt, moet ingrijpen om het risico van aansprakelijkheid te vermijden. Dat kan in een concreet geval betekenen dat een bestuurder een taak naar zich toe trekt, in afwijking van de eerder gemaakte afspraken over de verdeling van taken. Hij is daartoe dus bevoegd, aldus de Minister.6
Wetsvoorstel btrp
Onder het huidige recht is de mogelijkheid van een taakverdeling geregeld voor commissarissen van een NV of BV via een schakelbepaling (artikel 2:149/259 juncto artikel 2:9 BW). In het Voorontwerp btrp was echter niets geregeld over de mogelijkheid van een taakverdeling tussen leden van een toezichthoudend orgaan van rechtspersonen in het algemeen. Volgens de Minister van Veiligheid en Justitie zou hier geen behoefte aan bestaan.7 Nadat in reacties op de internetconsultatie over het Voorontwerp btrp werd opgemerkt dat ook een taakverdeling binnen een toezichthoudend orgaan de efficiëntie ten goede komt en dat daaraan wel degelijk behoefte bestaat,8 werd alsnog een regeling opgenomen in het Wetsvoorstel btrp. Artikel 2:11 lid 3 Wetsvoorstel btrp biedt uitdrukkelijk de mogelijkheid om een taakverdeling tussen leden van het toezichthoudend orgaan, dus ook tussen leden van de raad van toezicht, te maken.
Net als voor bestuurders, geldt op grond van het voorgestelde artikel 2:11 lid 3 dat tot de taak van een lid van de raad van toezicht alle taken behoren die niet bij of krachtens de statuten aan een of meer andere leden van de raad van toezicht zijn toebedeeld. Net als voor bestuurders, geldt voor leden van de raad van toezicht, dat de taakverdeling geen wijziging brengt in de gezamenlijke verantwoordelijkheid van leden van de raad van toezicht. Artikel 11 lid 3 Wetsvoorstel btrp bepaalt dat elk lid van de raad van toezicht verantwoordelijk is voor het algemene toezicht op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de stichting en de daaraan verbonden onderneming of organisatie. De regeling voor de raad van toezicht ligt dus in het verlengde van de regeling voor bestuurders, waar is te lezen dat elke bestuurder verantwoordelijkheid draagt voor de algemene gang van zaken. Een (andersluidende) taakverdeling doet niet af aan de verantwoordelijkheid voor (het toezicht op) de algemene gang van zaken.
Interne aansprakelijkheid en disculpatiemogelijkheden
Aangezien ieder lid verantwoordelijk is voor de taakuitoefening door de raad van toezicht en voor besluiten die door de raad van toezicht worden genomen, kan een lid van de raad van toezicht aansprakelijk zijn voor schade die optreedt als gevolg van onbehoorlijk toezicht door een ander lid (ingeval van faillissement van een stichting die aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen via artikel 2:300a juncto 2:149 juncto 2:9 BW). De taakverdeling tussen de leden van de raad van toezicht zou, net als de taakverdeling tussen bestuurders, van belang kunnen zijn bij de beoordeling van persoonlijke aansprakelijkheid en disculpatiemogelijkheden.9 Zie ook het in het Wetsvoorstel btrp voorgestelde artikel 2:11b: Elk lid van de raad van toezicht is jegens de stichting voor het geheel aansprakelijk terzake van onbehoorlijke taakvervulling tenzij hem mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijke taakvervulling af te wenden.
Volgens sommige auteurs is er echter bij de raad van toezicht minder ruimte voor disculpatie op grond van een taakverdeling dan bij het bestuur, aangezien de toezichthoudende taak zich richt op de vervulling van kerntaken van het bestuur.10
Algemene gang van zaken
In aansprakelijkheidsprocedures voor bestuurders is het van belang of een bepaald onderwerp tot de “algemene gang van zaken” behoort. Elke bestuurder draagt verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken. Indien een onderwerp behoort tot de algemene gang van zaken, kan een taakverdeling in beginsel niet leiden tot disculpatie van een individuele bestuurder. Zoals eerder opgemerkt, is “algemene gang van zaken” geen vastomlijnd begrip; het wordt aan de rechtspraak, met name in het kader van procedures over interne aansprakelijkheid van bestuurders (en leden van de raad van toezicht), overgelaten om het begrip in te vullen.
Uit de rechtspraak en literatuur volgt dat onder algemene gang van zaken in ieder geval het algemene en het financiële beleid vallen. Meer concreet wordt aangenomen dat onderwerpen als strategie en risicobeheersing behoren tot het algemene beleid.11
In artikel 11 lid 3 van het Wetsvoorstel btrp is bepaald dat elke commissaris (waaronder een lid van de raad van toezicht van een stichting) verantwoordelijkheid draagt voor het algemene toezicht op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de rechtspersoon en de daaraan verbonden onderneming.
Veel onderwerpen zullen vallen onder “het algemene toezicht op het beleid van het bestuur”. Ik ben het eens met de hiervoor genoemde opmerking dat de raad van toezicht zich in beginsel richt op de vervulling van de kerntaken van het bestuur en dat dat in beginsel de verantwoordelijkheid van elk lid van de raad van toezicht is. Van belang is in ieder geval dat ieder lid van de raad van toezicht het algemene en financiële beleid op hoofdlijnen kan beoordelen. Als één van de leden van de raad van toezicht een financieel deskundige is (belast is met toezicht op financiële zaken), laat dat onverlet dat de overige leden van de raad van toezicht ook de financiële verslaggeving op hoofdlijnen moeten (kunnen) beoordelen. De gezamenlijke verantwoordelijkheid betekent dat leden van de raad van toezicht, ook als zij een taak toebedeeld hebben gekregen, de overige leden goed op de hoogte dienen te houden van hun werkzaamheden. Andersom dienen de andere leden van de raad van toezicht daarnaar te informeren. De wet gaat er immers van uit dat de raad van toezicht, net als het bestuur, als een team werkt.12
Statutaire basis
In een aantal codes wordt voorgeschreven dat de taakverdeling schriftelijk wordt vastgelegd.13 Blijkens artikel 2:11 lid 3 Wetsvoorstel btrp vindt toebedeling van taken aan leden van de raad van toezicht, net als toebedeling van taken aan bestuurders, plaats bij of krachtens de statuten. Dit betekent dat voor een taakverdeling op grond van het Wetsvoorstel btrp een statutaire basis vereist is. De statuten zelf kunnen de verdeling van taken bevatten, maar kunnen ook verwijzen naar de uitwerking in een reglement. De statutaire bepaling kan bijvoorbeeld een minimale “kapstokbepaling” zijn. Mits er een statutaire basis is, kan een taakverdeling ook plaatsvinden in een schriftelijk besluit van de raad van toezicht.