HR, 10-02-2026, nr. 24/02328
ECLI:NL:HR:2026:219
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
10-02-2026
- Zaaknummer
24/02328
- Vakgebied(en)
Strafrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2026:219, Uitspraak, Hoge Raad, 10‑02‑2026; (Cassatie)
Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1312
ECLI:NL:PHR:2025:1312, Conclusie, Hoge Raad (Parket), 02‑12‑2025
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2026:219
Beroepschrift, Hoge Raad, 11‑11‑2024
- Vindplaatsen
Uitspraak 10‑02‑2026
Inhoudsindicatie
Medeplegen diefstal d.m.v. braak, art. 311.1 Sr. Aanwezigheidsrecht, dubbel verstek. Verzuim vertaling van dagvaarding in hoger beroep te verzenden naar verdachte in buitenland, art. 36e.3 Sv. Had hof (enkelvoudige kamer) onderzoek ttz. moeten schorsen om alsnog Franse of Kroatische vertaling van dagvaarding in h.b. naar adres in Frankrijk van Kroatische verdachte te laten verzenden? O.g.v. art. 36e.3 Sv en mede gelet op wetsgeschiedenis van art. 588.2 (oud) Sv worden dagvaardingen, gericht aan geadresseerde van wie woon- of verblijfplaats in buitenland bekend is, integraal vertaald in 1 van de talen van land waar geadresseerde verblijft dan wel, v.zv. aannemelijk is dat hij slechts andere taal machtig is, in die taal. Deze regel lijdt slechts uitzondering in geval de dagvaarding bestemd is voor Nederlander die in buitenland woont en van wie bekend is dat hij Nederlands beheerst. Als verdachte niet ttz. verschijnt hoewel dagvaarding op wettige wijze is uitgereikt, kan rechter (behalve als sprake is van duidelijke aanwijzingen van tegendeel) uitgaan van vermoeden dat verdachte van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht vrijwillig afstand heeft gedaan. Indien aan stukken of verhandelde ttz. duidelijke aanwijzingen kunnen worden ontleend dat verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn aanwezigheid te worden berecht, moet onderzoek ttz. (dat o.g.v. dagvaarding die op wettige wijze is betekend, rechtsgeldig is aangevangen) worden geschorst om verdachte in gelegenheid te stellen alsnog bij onderzoek aanwezig te zijn. Die schorsing moet in de regel plaatshebben als hiervoor genoemde verplichting tot vertaling van dagvaarding niet is nageleefd (vgl. HR:2019:962). Nu uit stukken niet volgt dat aan de in Frankrijk woonachtige verdachte met Kroatische nationaliteit een vertaling van dagvaarding in h.b. is verstrekt, moet ervan worden uitgegaan dat dit in strijd met art. 36e.3 Sv niet is gebeurd. Gelet op wat hiervoor is vooropgesteld had hof er daarom blijk van moeten geven dat het heeft onderzocht of er reden was onderzoek ttz. te schorsen om dit verzuim te herstellen. Van zo’n onderzoek blijkt niet. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/02328
Datum 10 februari 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 4 juni 2024, nummer 23-002484-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
1. Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten N. van Schaik en H. Brentjes bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.
De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
2. Beoordeling van het cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat verstek kon worden verleend tegen de niet-verschenen verdachte. Het voert daartoe aan dat hem in strijd met artikel 36e lid 3 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) niet een vertaling van de dagvaarding in hoger beroep is verstrekt.
2.2
De verdachte is in Frankrijk geboren en heeft de Kroatische nationaliteit. De stukken die voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang zijn, zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.2. Kort samengevat volgt daaruit:
- op 14 juni 2022 heeft de politierechter de verdachte bij verstek veroordeeld;
- de aan de akte instellen hoger beroep gehechte schriftelijke bijzondere volmacht van de advocaat van de verdachte aan de griffier van de rechtbank van 16 september 2022 houdt in dat de verdachte op dat moment verbleef op het adres [a-straat 1] , in [plaats] (Frankrijk);
- de dagvaarding in hoger beroep voor de terechtzitting van 4 juni 2024 is op 11 april 2024 uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie, omdat van de verdachte geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend is. Verder is die dagvaarding op 11 april 2024 verzonden naar het adres van de verdachte in het buitenland ( [a-straat 1] , in [plaats] (Frankrijk)).
Uit de stukken volgt niet dat aan de verdachte (op het adres [a-straat 1] , in [plaats] (Frankrijk)) een vertaling van de dagvaarding in hoger beroep is verstrekt.
2.3.1
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 juni 2024 houdt onder meer in:
“De verdachte, gedagvaard als
(...)
adres: [a-straat 1] , [plaats] (Frankrijk),
is niet ter terechtzitting verschenen.
De raadsman van de verdachte, mr. [betrokkene 2] , advocaat te Utrecht, is evenmin ter terechtzitting verschenen.
Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
(...)
De raadsheer verklaart het onderzoek gesloten en spreekt het arrest direct uit.”
2.3.2
Het hof heeft het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard en heeft daartoe overwogen:
“Door of namens de verdachte is geen schriftuur houdende grieven ingediend. Evenmin zijn mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Ook overigens is niet gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak. Om die reden wordt de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.”
2.4.1
De volgende wettelijke en verdragsrechtelijke bepalingen zijn van belang.
- Artikel 36e lid 3 Sv:
“De uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschiedt door toezending van de mededeling, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. Dagvaardingen worden vertaald in de taal of een van de talen van het land waar de geadresseerde verblijft dan wel, voor zover aannemelijk is dat hij slechts een andere taal machtig is, in die taal. Met betrekking tot andere gerechtelijke mededelingen kan worden volstaan met een vertaling van de essentiële onderdelen daarvan. Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat dit nog uit een afzonderlijke akte hoeft te blijken.”
- Artikel 5 van de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie, PbEG 2000, C 197/3 (hierna: EU-Rechtshulpovereenkomst):
“Toezending en uitreiking van gerechtelijke stukken
1. Elke lidstaat zendt aan de personen die zich op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden, voor hen bestemde gerechtelijke stukken rechtstreeks over de post toe.
(...)3. Wanneer aannemelijk is dat de geadresseerde de taal waarin het gerechtelijk stuk is gesteld niet beheerst, dient dit - althans de essentie ervan - te worden vertaald in de taal of één der talen van de lidstaat op het grondgebied waarvan de geadresseerde verblijft. Indien de autoriteit waarvan het gerechtelijk stuk uitgaat, weet dat de geadresseerde slechts een andere taal machtig is, dient het stuk - althans de essentie ervan - te worden vertaald in die andere taal.4. Bij alle gerechtelijke stukken wordt de mededeling gevoegd dat de geadresseerde bij de autoriteit waarvan het stuk uitgaat of bij andere autoriteiten in die lidstaat inlichtingen kan inwinnen over zijn rechten en plichten met betrekking tot het stuk. Lid 3 is van toepassing op die mededeling.”
2.4.2
Artikel 588 (oud) Sv is bij de gedeeltelijke inwerkingtreding op 1 januari 2020 van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet van 22 februari 2017, Stb. 2017, 82; ook wel Wet USB genoemd), vervangen door artikel 36e Sv. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 18 maart 2004, Stb. 2004, 107, waarbij artikel 588 lid 2 (oud) Sv is gewijzigd met het oog op de uitvoering van de EU-Rechtshulpovereenkomst, houdt over de verplichting tot vertaling van de dagvaarding in:
“Artikel 588
De wijziging van het tweede lid is het rechtstreeks gevolg van het sterk verplichtende karakter van artikel 5 van het EU-rechtshulpverdrag om gerechtelijke stukken per post toe te zenden.
Uit het gewijzigde tweede lid blijkt in de eerste plaats dat bij de uitreiking van gerechtelijke mededelingen aan personen in het buitenland ook rekening dient te worden gehouden met het bepaalde in het toepasselijk verdrag. (...)
In de tweede plaats is besloten om bij deze gelegenheid ook de verplichting tot vertaling van gerechtelijke stukken die bestemd zijn voor een geadresseerde in het buitenland in zijn algemeenheid in de wet vast te leggen. Wat betreft de dagvaarding is, wegens het bijzondere belang van deze mededeling, voorgeschreven dat deze integraal worden vertaald, ten aanzien van de overige mededelingen kan worden volstaan met vertaling van de essentiële onderdelen. Mede naar aanleiding van een opmerking van de NVvR ter zake wordt hier nog het volgende opgemerkt. Doel van de vertaling is uiteraard dat betrokkene van de inhoud van het stuk gemakkelijk kennis kan nemen. In het geval nu een gerechtelijk stuk bestemd is voor een Nederlander die in het buitenland woont en van wie bekend is dat hij het Nederlands beheerst, ligt het derhalve voor de hand dat het stuk niet in de taal van het land van verblijf behoeft te worden vertaald.” (Kamerstukken II 2001/02, 28351, nr. 3, p. 14.)
2.5
Op grond van artikel 36e lid 3 Sv en mede gelet op de onder 2.4.2 weergegeven wetsgeschiedenis worden dagvaardingen, gericht aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, integraal vertaald in één van de talen van het land waar de geadresseerde verblijft dan wel, voor zover aannemelijk is dat hij slechts een andere taal machtig is, in die taal. Deze regel lijdt slechts uitzondering in het geval de dagvaarding bestemd is voor een Nederlander die in het buitenland woont en van wie bekend is dat hij het Nederlands beheerst.
2.6
Als de verdachte niet op de terechtzitting verschijnt hoewel de dagvaarding op wettige wijze is uitgereikt, kan de rechter – behalve als sprake is van duidelijke aanwijzingen van het tegendeel – uitgaan van het vermoeden dat de verdachte van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht vrijwillig afstand heeft gedaan. Indien aan de stukken of het verhandelde op de terechtzitting duidelijke aanwijzingen kunnen worden ontleend dat de verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn aanwezigheid te worden berecht, moet het onderzoek op de terechtzitting – dat op grond van een dagvaarding die op wettige wijze is betekend, rechtsgeldig is aangevangen – worden geschorst om de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek aanwezig te zijn. Die schorsing moet in de regel plaatshebben als de onder 2.5 genoemde verplichting tot vertaling van de dagvaarding niet is nageleefd. (Vgl. HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:962.)
2.7
Nu uit de stukken niet volgt dat aan de in Frankrijk woonachtige verdachte met de Kroatische nationaliteit een vertaling van de dagvaarding in hoger beroep is verstrekt, moet ervan worden uitgegaan dat dit, in strijd met artikel 36e lid 3 Sv, niet is gebeurd. Gelet op wat onder 2.5 en 2.6 is vooropgesteld had het hof er daarom blijk van moeten geven dat het heeft onderzocht of er reden was het onderzoek op de terechtzitting te schorsen om dit verzuim te herstellen. Van zo’n onderzoek blijkt niet.
2.8
Het cassatiemiddel slaagt.
3. Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2026.
Conclusie 02‑12‑2025
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep door het hof vanwege het ontbreken van grieven. Slagend middel dat niet is gebleken dat ex art. 36e lid 3 Sv een vertaling van de dagvaarding naar het buitenlandse adres van de verdachte is gezonden, terwijl evenmin is gebleken dat het hof heeft onderzocht of er reden was het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde alsnog een vertaalde dagvaarding naar de verdachte te zenden. De conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak en terugwijzing.
Partij(en)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02328
Zitting 2 december 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.
1. Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 4 juni 2024 (parketnr. 23-002484-22) door het gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en N. van Schaik en H. Brentjes, beiden advocaat in Utrecht , hebben één middel van cassatie voorgesteld.
2. Het middel
2.1
Het middel klaagt dat niet is gebleken dat op de voet van art. 36e lid 3 Sv in verbinding met art. 5 EU-rechtshulpovereenkomst 2000 een vertaling van de dagvaarding in de Franse of Kroatische taal aan de verdachte is gezonden, terwijl het hof het onderzoek ter terechtzitting niet heeft geschorst teneinde alsnog een vertaalde dagvaarding naar de verdachte te zenden en er evenmin blijk van heeft gegeven te hebben onderzocht of de verdachte de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat de inhoud van de appeldagvaarding hem niet ter kennis zou komen. Het uitblijven van een schorsingsbeslissing dan wel van een onderzoek naar door de verdachte genomen maatregelen in vorenbedoelde zin, zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, althans zou onbegrijpelijk zijn.
2.2
De aan de Hoge Raad gezonden stukken houden, voor zover voor de bespreking van het middel van belang, het volgende in:
(i) de verdachte is bij vonnis van 14 juni 2022 door de politierechter van de rechtbank Noord-Holland veroordeeld wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak” tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden;
(ii) uit de “Akte instellen hoger beroep” blijkt dat op 16 september 2022 door een griffiemedewerker van de rechtbank Noord-Holland namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de politierechter. De akte vermeldt dat de verdachte zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande is;
(iii) aan de “Akte instellen hoger beroep” is een brief gehecht van 16 september 2022 van mr. [betrokkene 1] , advocaat in Amsterdam, die als adres van de verdachte “ [a-straat 1] te Frankrijk” vermeldt. Deze brief houdt onder meer in dat mr. [betrokkene 1] door de verdachte bepaaldelijk is gemachtigd om een medewerker van de griffie te machtigen om hoger beroep in te stellen;
(iv) de dagvaarding om ter terechtzitting in hoger beroep van 4 juni 2024 te verschijnen met als vermelding dat de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats hier te lande heeft, is blijkens een akte van uitreiking met invuldatum 11 april 2024 uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie;
(v) de dagvaarding om ter terechtzitting in hoger beroep van 4 juni 2024 te verschijnen met als adres “ [a-straat 1] (Frankrijk)” is blijkens een akte van uitreiking met invuldatum 11 april 2024 verzonden naar het op de akte vermelde adres in het buitenland;
(vi) blijkens een “Informatiestaat SKDB-personen” van 11 april 2024 was de verdachte op die datum niet gedetineerd, was van hem geen adres in de Basisregistratie Personen bekend en was zijn laatst opgegeven woon- of verblijfplaats, met als registratiedatum 24 april 2022, “ [a-straat 1] Frankijk”;
(vii) uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 4 november 2024 volgt dat de verdachte en zijn raadsman mr. [betrokkene 2] , advocaat in [plaats] , daar niet zijn verschenen en dat het hof verstek heeft verleend tegen de verdachte;
(viii) bij arrest van 4 juni 2024 heeft het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het ontbreken van grieven of mondelinge bezwaren tegen het vonnis, en omdat volgens het hof overigens niet is gebleken van enig rechtens te respecteren belang dat is gediend met enig onderzoek van de zaak.
2.3
Bij de bespreking van het middel zijn de volgende bepalingen van belang.
Art. 36e lid 3 Sv:
“3. De uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschiedt door toezending van de mededeling, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. Dagvaardingen worden vertaald in de taal of een van de talen van het land waar de geadresseerde verblijft dan wel, voor zover aannemelijk is dat hij slechts een andere taal machtig is, in die taal. Met betrekking tot andere gerechtelijke mededelingen kan worden volstaan met een vertaling van de essentiële onderdelen daarvan. Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat dit nog uit een afzonderlijke akte hoeft te blijken.”
Art. 5 lid 3 Overeenkomst betreffende de wederzijdse hulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie, PbEG 2000, C 197/3 (hierna: EU-rechtshulpovereenkomst 2000):
“3. Wanneer aannemelijk is dat de geadresseerde de taal waarin het gerechtelijk stuk is gesteld niet beheerst, dient dit – althans de essentie ervan – te worden vertaald in de taal of één der talen van de lidstaat op het grondgebied waarvan de geadresseerde verblijft. Indien de autoriteit waarvan het gerechtelijk stuk uitgaat, weet dat de geadresseerde slechts een andere taal machtig is, dient het stuk – althans de essentie ervan – te worden vertaald in die andere taal.”
2.4
Verder is relevant hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:962, heeft overwogen:
“2.4. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Indien de verdachte niet ter terechtzitting verschijnt hoewel de dagvaarding op wettige wijze is betekend, kan de rechter - behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel - uitgaan van het vermoeden dat de verdachte van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht vrijwillig afstand heeft gedaan. Wanneer aan de stukken of het verhandelde ter terechtzitting duidelijke aanwijzingen kunnen worden ontleend dat de verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, behoort het onderzoek ter terechtzitting - dat op grond van een dagvaarding die op wettige wijze is betekend, rechtsgeldig is aangevangen - te worden geschorst teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek aanwezig te zijn. Die schorsing behoort in de regel plaats te hebben ingeval het gaat om de uitreiking van de dagvaarding aan een geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is en de dagvaarding niet is vertaald in de taal of een van de talen van het land waar de geadresseerde verblijft dan wel, voor zover aannemelijk is dat hij slechts een andere taal machtig is, in die taal. (Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rov. 3.33-3.36.)”
2.5
Het is juist dat uit de stukken van het geding niet blijkt dat aan de verdachte op zijn buitenlandse adres een vertaling van de dagvaarding in hoger beroep is toegezonden, hetzij in de Franse, hetzij in de Kroatische taal. Het moet er daarom voor worden gehouden dat dit, in strijd met art. 36e lid 3 Sv, niet is gebeurd. Het hof had er om die reden blijk van moeten geven te hebben onderzocht of er reden was het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde alsnog een vertaalde dagvaarding aan de verdachte te zenden. Van zodanig onderzoek is echter niet gebleken, wat hoort te leiden tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak.
2.6
Bij raadpleging van de aan de Hoge Raad gezonden stukken om te achterhalen welke taal de verdachte spreekt, is mij gebleken dat in het proces-verbaal van verhoor van de verdachte van 30 juni 2020 is opgenomen dat de verdachte zichzelf in staat achtte om in de Nederlandse taal te communiceren, dat de verbalisanten constateerden dat de verdachte het Nederlands voldoende beheerste en dat de verbalisanten met de verdachte communiceerden in de Nederlandse taal. Voor zover het hof daarin reden zou hebben gezien om te oordelen dat een vertaling van de dagvaarding niet nodig is, wijs ik nog op het volgende.
2.7
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot wijziging van art. 588 lid 2 (oud) Sv, waarvan de tekst gelijk is aan die van het huidige art. 36e lid 3 Sv waar het de plicht tot vertaling van de dagvaarding betreft, vermeldt één uitzondering op de hoofdregel van vertaling. Dat is de situatie waarin het gerechtelijk stuk bestemd is voor een Nederlander die in het buitenland woont en van wie bekend is dat hij het Nederlands beheerst. In dat geval ligt het volgens de memorie van toelichting “voor de hand” dat het stuk niet in de taal van het land van verblijf hoeft te worden vertaald, nu het doel van vertaling is dat de betrokkene makkelijk kennis kan nemen van het stuk.1.Omdat de verdachte niet de Nederlandse nationaliteit heeft, valt hij niet in die categorie. Het voert bovendien te ver om aan te nemen dat de wetgever heeft bedoeld ook gevallen als de onderhavige onder de genoemde uitzonderingsgrond te doen vallen; daarvoor biedt de wetsgeschiedenis naar mijn inzicht te weinig ruimte. Dat de tekst van art. 5 lid 3 EU-rechtshulpovereenkomst, die aanleiding heeft gegeven tot de introductie van eerst art. 588 lid 2 (oud) Sv en thans art. 36e lid 3 Sv, de lidstaten pas verplicht tot vertaling van een gerechtelijk stuk wanneer aannemelijk is dat de geadresseerde de taal waarin dat stuk is gesteld niet beheerst, maakt dat niet anders. De Nederlandse wetgever heeft ervoor gekozen een verdergaande verplichting in te voeren, die in meer gevallen vertaling van de dagvaarding voorschrijft dan op grond van het verdrag is vereist. Dat staat hem vrij, maar brengt met zich dat in een Nederlandse strafzaak, in geval van betekening van de dagvaarding aan de verdachte op een buitenlands adres, art. 36e lid 3 Sv in acht moet worden genomen.
2.8
Het middel is terecht voorgesteld.
3. Afronding
3.1
Het middel slaagt.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Voetnoten
Voetnoten Conclusie 02‑12‑2025
Beroepschrift 11‑11‑2024
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
SCHRIFTUUR HOUDENDE
EEN MIDDEL VAN CASSATIE
van: mrs. N. van Schaik & H. Brentjes
inzake:
de heer [verdachte], geboren d.d. [geboortedatum] 1996, requirant van cassatie van het te zijnen laste door het Gerechtshof Amsterdam, op 4 juni 2024, onder parketnummer 23-002484-22, gewezen arrest.
Middel
Schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-naleving nietigheid meebrengt, in het bijzonder schending van de artikelen 36e Wetboek van Strafvordering (Sv) en/of artikel 6 Europees Verdrag van de Rechten an de Mens en/of artikel 5 EU-rechtshulpovereenkomst,
doordat het Hof aan het aanwezigheidsrecht van requirant tekort heeft gedaan (het Hof heeft verstek verleend tegen deze niet-verschenen verdachte, bevolen dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan, opgemerkt dat door of namens requirant geen schriftuur houdende grieven was ingediend en heeft hem daarom niet-ontvankelijk verklaard in het ingestelde hoger beroep),
nu uit de betekeningsstukken niet kan blijken dat aan requirant — van wie slechts een adres in het buitenland bekend was — een vertaling in de Franse of Kroatische taal van (de essentie van) het afschrift van de dagvaarding in hoger beroep is toegezonden,
terwijl het Hof er evenmin blijk van heeft gegeven onderzocht te hebben of requirant de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat de inhoud van de appeldagvaarding hem niet ter kennis zou komen,
zodat het Hof het onderzoek ter terechtzitting had moeten schorsen om alsnog een vertaling naar het bekende adres in het buitenland te sturen en het uitblijven van zo een schorsingsbeslissing en/of onderzoek naar de door requirant genomen maatregelen (dus) blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans het uitblijven daarvan onbegrijpelijk is.
Het arrest kan vanwege dit gebrek niet in stand blijven.
Toelichting:
I.
Requirant is in eerste aanleg veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden wegens (kort gezegd) een inbraak. Hij heeft hiertegen hoger beroep ingesteld, doch geen grieven opgegeven tegen het vonnis. Op de zitting in hoger beroep was requirant niet verschenen. Het Hof heeft requirant daarom niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep. Gelet op artikel 416, eerste lid Sv, had requirant die grieven nog mondeling ter terechtzitting in hoger beroep kunnen opgeven.
2.
De vraag rijst hier of requirant wel juist opgeroepen is voor deze zogenoemde (rol)zitting. Uit de betekeningsstukken kan namelijk het volgende worden afgeleid. Requirant had ten tijde van het hoger beroep geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. Van hem is wel een woonplaats in het buitenland — te weten: Frankrijk — bekend. De dagvaarding hoger beroep is daarom uitgereikt aan een medewerker van het Openbaar Ministerie. Aan het adres in het buitenland is blijkens de betekeningsstukken per brief een afschrift van de dagvaarding gestuurd. Die brief is blijkens de betekeningsstukken in het Nederlands opgemaakt.
3.
Tegen deze achtergrond merken wij het volgende op. Artikel 36e lid 3 Sv luidt als volgt:
‘De uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschiedt door toezending van de mededeling, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. Dagvaardingen worden vertaald in de taal of een van de talen van het land waar de geadresseerde verblijft dan wel, voor zover aannemelijk is dat hij slechts een andere taal machtig is, in die taal. Met betrekking tot andere gerechtelijke mededelingen kan worden volstaan met een vertaling van de essentiële onderdelen daarvan. Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat dit nog uit een afzonderlijke akte hoeft te blijken.’
4.
In het arrest van 14 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8758, overwoog Uw Raad het volgende:
‘2.5.1.
Het middel klaagt in de tweede plaats dat het Hof ten onrechte niet heeft onderzocht of er reden was het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep te schorsen teneinde (een vertegenwoordiger van) de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek ter terechtzitting aanwezig te zijn. Daartoe wordt in het bijzonder aangevoerd dat niet blijkt dat de dagvaarding in hoger beroep op de voet van art. 588, tweede lid, Sv in verbinding met art 5, derde lid, EU-Rechtshulpovereenkomst is vertaald in de Engelse taal, terwijl de verdachte is gevestigd in het Verenigd Koninkrijk, de correspondentie met (de vertegenwoordiger van) de verdachte was gevoerd in de Engelse taal en niet aannemelijk is dat de vertegenwoordiger van de verdachte de Nederlandse taal machtig is.
2.5.2.
Bij de beoordeling van deze klacht moet het volgende worden vooropgesteld.
Indien de verdachte niet ter terechtzitting verschijnt hoewel de dagvaarding op wettige wijze is betekend, kan de rechter — behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel — uitgaan van het vermoeden dat de verdachte van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht vrijwillig afstand heeft gedaan. Wanneer aan de stukken of het verhandelde ter terechtzitting duidelijke aanwijzingen kunnen worden ontleend dat de verdachte niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, behoort het onderzoek ter terechtzitting — dat op grond van een dagvaarding die op wettige wijze is betekend, rechtsgeldig is aangevangen — te worden geschorst teneinde de verdachte in de gelegenheid te stellen alsnog bij het onderzoek aanwezig te zijn. Die schorsing behoort in de regel plaats te hebben ingeval het adres van de verdachte in het buitenland bekend is en blijkt dat bij toezending van de dagvaarding aan de verdachte de terzake geldende verdragsverplichtingen niet zijn nageleefd. In dat geval dient het onderzoek ter terechtzitting te worden geschorst opdat het desbetreffende verzuim wordt hersteld. In het geval door of namens de verdachte hoger beroep is ingesteld dient de rechter rekening te houden met de waarschijnlijkheid dat de verdachte van zijn aanwezigheidsrecht gebruik wil maken. Van de verdachte die hoger beroep heeft ingesteld en die prijs stelt op berechting op tegenspraak mag evenwel worden verwacht dat hij de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen neemt om te voorkomen dat de appeldagvaarding hem niet bereikt of de inhoud daarvan niet te zijner kennis komt. Tot zodanige maatregel kan in elk geval worden gerekend dat de verdachte zich bereikbaar houdt voor zijn raadsman, opdat de verdachte in voorkomende gevallen (ook) langs die weg van het tijdstip van de behandeling van zijn zaak op de hoogte komt (HR 12 maart 2002, LJN AD5163, NJ 2002/317, rov. 3.33–3.37).
2.5.3.
Tot de hiervoor bedoelde verdragsverplichtingen behoort de verplichting (de essentie van) het toegezonden gerechtelijk stuk te vertalen in de taal of één der talen van de lidstaat op het grondgebied waarvan de geadresseerde verblijft als bedoeld in het derde lid van art. 5 EU-Rechtshulpovereenkomst. In een geval als het onderhavige betekent dit: in de taal of één der talen waar de verdachte vennootschap is gevestigd.
2.5.4.
Onder de stukken waarvan de Hoge Raad kennis neemt en waarover het Hof beschikte bevindt zich niet een stuk waaruit kan blijken dat aan de verdachte een vertaling in de Engelse taal van (de essentie van) het afschrift van de dagvaarding in hoger beroep is toegezonden. Het moet dus ervoor worden gehouden dat zulks — in strijd met art. 588, tweede lid, Sv in verbinding met art. 5, derde en vierde lid, EU-Rechtshulpovereenkomst — achterwege is gebleven. Het Hof, dat rekening behoorde te houden met de waarschijnlijkheid dat de verdachte gebruik wilde maken van haar recht ter terechtzitting in hoger beroep aanwezig te zijn, had in beginsel het onderzoek ter terechtzitting dienen te schorsen teneinde alsnog de bedoelde vertaling aan de verdachte te doen toezenden, tenzij het aannemelijk had bevonden dat de verdachte niet de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat de inhoud van de appeldagvaarding niet te harer kennis komt. Van zodanig onderzoek heeft het Hof ten onrechte niet doen blijken. Bij dit onderzoek moet de rechter alle omstandigheden van het geval betrekken, zoals de bekendheid van de buitenlandse verdachte met de instantie waarbij hij inlichtingen kan inwinnen over zijn rechten en verplichtingen met betrekking tot het hoger beroep, eerdere correspondentie of zijn bijstand door een (Nederlandse) advocaat.
2.5.5.
De tweede klacht van het middel slaagt.’
5.
Met dien verstande dat het thans gaat om artikel 36e lid 3 Sv in plaats van artikel 588 lid 2 (oud) Sv, had de dagvaarding c.q. oproeping in hoger beroep aldus vertaald moeten worden.1. Het betreft in casu immers een in Frankrijk wonende Kroaat, zo blijkt uit de (betekenings)stukken. In eerste aanleg is verstek tegen hem verleend, zodat daaruit niets over de talen die requirant al dan niet spreekt afgeleid kon worden. Op grond van artikel 36e, derde lid had er dan ook een Franse en/of Kroatische vertaling opgesteld moeten worden.2.
6.
Het niet-naleven van dit voorschrift leidt niet tot nietigheid van de dagvaarding. Wel leidt het tot de verplichting om het onderzoek ter terechtzitting te schorsen opdat het verzuim wordt hersteld.3. Een dergelijke vertaling kan slechts dan achterwege blijven wanneer de dagvaarding bestemd is voor een Nederlander die in het buitenland woont en van wie bekend is dat hij het Nederlands beheerst.4.
7.
Het Hof had aldus, ervan uitgaande dat requirant gebruik wilde maken van zijn aanwezigheidsrecht in hoger beroep, het onderzoek ter terechtzitting moeten schorsen teneinde alsnog voornoemde vertaling aan requirant te doen toekomen, tenzij het aannemelijk had bevonden dat verdachte niet de in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat de inhoud van de appeldagvaarding niet te zijner kennis zou komen. Van dergelijk onderzoek heeft het Hof (ten onrechte) geen blijk gegeven. De beslissing om niet te schorsen en/of om niet te onderzoeken wat voor maatregelen requirant heeft genomen geeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Als daaruit geen (onjuiste) rechtsopvatting blijkt, brengt het niettemin mee dat de beslissing om requirant niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep niet toereikend gemotiveerd is en dat hiermee tekort is gedaan aan het aanwezigheidsrecht van requirant.
8.
Het bestreden arrest kan derhalve niet in stand blijven.
Deze schriftuur wordt ondertekend en ingediend door mrs. N. van Schaik & H. Brentjes, advocaten te Utrecht, aldaar kantoorhoudende aan de Catharijnesingel 70 (3511 GM), die verklaren tot deze ondertekening en indiening bepaaldelijk te zijn gevolmachtigd door requirant van cassatie.
Utrecht, 11 november 2024
N. van Schaik
H. Brentjes
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 11‑11‑2024
Vgl. ook: HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:771.
Waarbij wij menen dat het Hof een feitelijk oordeel had moeten vellen over de vraag of aannemelijk is dat hij slechts Kroatisch spreekt.
Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, r.o. 3.20. Zie ook: conclusie vóór HR 11 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:l406, randnummer 2.17.
Zie ook: conclusie vóór HR 11 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1406, randnummer 2.14.