Einde inhoudsopgave
De verklaring voor recht (BPP nr. XVIII) 2015/12
12 De verklaring voor recht in de verzoekschriftprocedure
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens, datum 23-03-2015
- Datum
23-03-2015
- Auteur
mr. N.E. Groeneveld-Tijssens
- JCDI
JCDI:ADS398278:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Voetnoten
Voetnoten
TM, Parl. Gesch. 3, p. 915
Boekman 1996, p. 76.
Zie Boekman 1996, p. 77. Boekman bespreekt onder andere HR 31 januari 1986, NJ 1987, 99; Hof ’s-Gravenhage 24 november 1989, NJ 1990, 619 en Rb. Rotterdam 26 juni 1973, NJ 1974, 11.
Zie de noot van Vranken onder HR 31 maart 2000, NJ 2000, 497 (Klomp/De Nederlandse Spoorwegen).
HR 30 oktober 1998, NJ 1999, 83 (Van Casteren c.s./Beemster c.s.).
Zie rov. 3.2.2 van HR 31 maart 2000, NJ 2000, 497 (Klomp/De Nederlandse Spoorwegen).
Zie ook Asser Procesrecht/Van Schaick, 2 2011/76.
Zie HR 11 december 1987, NJ 1988, 723; Hof Leeuwarden 20 januari 1971, NJ 1971, 296; Rb. Middelburg 31 december 1981, NJ 1983, 145.
Zie over art. 3:303 BW hierna, nr. 32.
Het Voorstel tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht is op 16 oktober 2014 ingediend. Zie Kamerstukken II 2014/2015, 34059, nr.1.
Brengt het feit dat de rechter een verklaring conform art. 3:302 BW ‘op vordering van’ een onmiddellijk betrokkene partij uitspreekt, mee dat een verklaring voor recht in een verzoekschriftprocedure niet kan worden gegeven? De wetgever heeft de zinsnede ‘op vordering van’ niet toegelicht.1 In 1996 schreef Boekman over de verklaring voor recht in de verzoekschriftprocedure dat het ‘min of meer een axioma is’ dat in een beschikking geen verklaring voor recht kan worden gegeven.2 Enkele arresten en uitsprakenwaarin de rechter in een verzoekschriftprocedure het verzoek om en verklaring voor recht toewees, waren volgens Boekman uitzonderingen op de regel.3 De achtergrond van het axioma laat zich volgens Langemeijer gemakkelijk verklaren. In zijn conclusie voor HR 31 maart 2000, NJ 2000, 497 (Klomp/De Nederlandse Spoorwegen) voert A-G Langemeijer aan dat een vordering steeds tegen een bepaalde persoon is gericht terwijl dat voor het verzoek niet geldt. De verzoeker wendt zich, aldus Langemeijer, tot de rechter en moet maar afwachten of zich een belanghebbende meldt die verweer voert tegen de inwilliging van het verzoek. Dat de verklaring voor recht slechts gevorderd kan worden, past volgens Boekman ook bij de opvatting dat aan een beschikking geen gezag van gewijsde toekomt.4
Twee jaar nadat het boek van Boekman was verschenen, wees de Hoge Raad een arrest waarin hij overwoog dat aan een beschikking gezag van gewijsde toekomt als in die beschikking beslissingen zijn gegeven over een rechtsbetrekking in geschil tussen partijen.5 Nog geen jaar later bevestigde de Hoge Raad die regel in HR 10 september 1999, NJ 1999, 735 (SMW/Gemeente Wijchen). In het arrest Klomp/De Nederlandse Spoorwegen besliste de Hoge Raad dat de verzoeker om een verklaring voor recht kon ‘verzoeken’ dat verweerder in strijd had gehandeld met art. 21 WOR. Uit de relevante rechtsoverweging6 blijkt niet dat beslissing is ingegeven door de hiervoor besproken arresten. De Hoge Raad overwoog slechts dat de aard en de strekking van art. 21 WOR meebrengen dat de rechter op een daartoe gedaan verzoek kan volstaan met het uitspreken van een verklaring voor recht, mits deze blijft binnen de grenzen van genoemde wetsbepaling en zich beperkt tot de vaststelling van de rechtsverhouding in geschil tussen de verzoeker en de verweerder.
Op basis van de hiervoor besproken rechtspraak lijkt het dus mogelijk te zijn om te verzoeken om een verklaring voor recht, mits uiteraard wordt voldaan aan de vereisten zoals die zijn opgenomen in art. 3:302 BW.7 De Hoge Raad laat zich in het arrest Klomp/De Nederlandse Spoorwegen niet uit over de vraag of de verzoeker wel voldoende belang had bij het verzoek conform art. 3:303 BW. Betekent dit dat aan art. 3:303 BW niet hoeft te worden getoetst als de verzoeker om een verklaring voor recht verzoekt? Art. 3:303 BW bepaalt immers dat zonder voldoende belang niemand een ‘rechtsvordering’ toekomt. Ik meen dat art. 3:303 BW ook van toepassing is als de verklaring voor recht in een verzoekschriftprocedure wordt verzocht. A-G Langemeijer stelt in zijn conclusie voor het arrest van de Hoge Raad dat de artikelen 3:302 en 3:303 BW onverminderd van toepassing zijn op de verklaring voor recht in de verzoekschriftprocedure. Uit de rechtspraak blijkt ook dat in de verzoekschriftprocedure aan art. 3:303 BW wordt getoetst.8 Daarbij maakt het niet uit of de verklaring voor recht betrekking heeft op het vermogensrecht. Art. 3:326 BW bepaalt immers dat de bepalingen uit de desbetreffende titel (waaronder art. 3:303 BW) buiten het vermogensrecht van overeenkomstige toepassing zijn, voor zover de aard van de betrokken rechtsverhouding zich daartegen niet verzet.9
Als het wetvoorstel ‘vereenvoudiging en digitalisering procesrecht’10 wordt aangenomen, vangt elke procedure aan door middel van het indienen van een procesinleiding. Dat neemt niet weg dat het onderscheid tussen vordering en verzoek blijft bestaan.11