Terzijde merk ik op dat in casu het motorrijtuig lijkt te zijn gebruikt voor doeleinden die niet zijn toegestaan onder de handelaarsregeling. De Inspecteur heeft dit evenwel niet gesteld in feitelijke instanties.
HR, 19-12-2014, nr. 14/00478
ECLI:NL:HR:2014:3599, Cassatie: (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
19-12-2014
- Zaaknummer
14/00478
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
ECLI:NL:HR:2014:3599, Uitspraak, Hoge Raad, 19‑12‑2014; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHSHE:2013:6013, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Beroepschrift, Hoge Raad, 22‑01‑2014
- Vindplaatsen
FutD 2014-2969
Viditax (FutD) 2014121902
Uitspraak 19‑12‑2014
Inhoudsindicatie
Motorrijtuigenbelasting; art. 1, lid 2, 69 en 70 Wet mrb, art. 6 EVRM. Naheffing bij constatering van gebruikmaken van de weg met een motorrijtuig uit de bedrijfsvoorraad van een handelaar zonder het voeren van handelaarskentekenplaten. Naheffingsaanslag op grond van art. 69 Wet mrb is geen criminal charge in de zin van art. 6 EVRM.
Partij(en)
19 december 2014
nr. 14/00478
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch van 12 december 2013, nrs. 13/00060, 13/00061 en 13/00062, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank te Breda (nrs. AWB 12/4877, AWB 12/4878 en AWB 12/4880) betreffende de aan [X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslagen in de motorrijtuigenbelasting en de daarbij gegeven boetebeschikkingen. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Beoordeling van de middelen
2.1.
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.1.1.
Belanghebbende is autohandelaar en beschikt over een of meer kentekens als bedoeld in artikel 1, lid 2, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet).
2.1.2.
Op 7 januari 2012, op 18 januari 2012 en op 19 januari 2012 is geconstateerd dat met een sedert 3 januari 2012 tot de bedrijfsvoorraad van belanghebbende behorende personenauto (hierna: de auto) gebruik gemaakt werd van de weg zonder dat de auto was voorzien van een kenteken in de hiervoor in 2.1.1 bedoelde zin.
2.1.3.
De Inspecteur heeft naar aanleiding van de hiervoor in 2.1.2 vermelde constateringen op de voet van artikel 69, lid 2, van de Wet de onderwerpelijke naheffingsaanslagen in de motorrijtuigenbelasting opgelegd, telkens berekend over een periode van twaalf maanden gerekend tot de dag van de constatering, en daarbij een verzuimboete opgelegd van 100 percent.
2.2.1.
Het Hof heeft geoordeeld dat de nageheven motorrijtuigenbelasting geen compensatie vormt voor onbetaald gebleven belasting, maar dient te worden aangemerkt als een bestraffing voor het niet-voldoen aan de voorwaarden van artikel 1, lid 2, van de Wet. Gelet op de heffing over twaalf maanden heeft deze heffing naar het oordeel van het Hof een dusdanig afschrikwekkend karakter dat deze moet worden aangemerkt als een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 EVRM. Het Hof heeft vervolgens – alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen – een sanctie van telkens € 350, in totaal derhalve € 1050, passend en geboden geacht.
2.2.2.
Voorts heeft het Hof geoordeeld dat, aangezien het opleggen van de naheffingsaanslagen moet worden aangemerkt als een bestraffing, het de Inspecteur niet is toegestaan daarenboven boeten op te leggen, omdat belanghebbende dan dubbel zou worden bestraft. De boetebeschikkingen dienen naar ’s Hofs oordeel reeds daarom te worden vernietigd.
2.2.3.
Het Hof heeft ten slotte geoordeeld dat belanghebbende niet kan worden verweten een beboetbare gedraging als bedoeld in artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de AWR) te hebben begaan. Pas met het opleggen van de onderhavige naheffingsaanslagen is, aldus het Hof, voor belanghebbende een verschuldigdheid van belasting en een betalingsverplichting ontstaan, zodat ook om deze reden ten onrechte met toepassing van artikel 67c van de AWR boeten zijn opgelegd.
2.3.1.
Middel I richt zich tegen de hiervoor in 2.2.1 weergegeven oordelen van het Hof met het betoog dat het op de voet van artikel 69 van de Wet opleggen van een naheffingsaanslag geen ‘criminal charge’ vormt in de zin van artikel 6 EVRM.
2.3.2.
Voor motorrijtuigen die behoren tot een bedrijfsvoorraad en voor motorrijtuigen die voor het verrichten van werkzaamheden daaraan bij een herstelbedrijf zijn, kan de motorrijtuigenbelasting - onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden met betrekking tot het gebruik - worden geheven ter zake van de ten behoeve van die motorrijtuigen opgegeven kentekens als bedoeld in artikel 37, lid 3, van de Wegenverkeerswet 1994 (artikel 1, lid 2, van de Wet). De belasting voor een dergelijk kenteken wordt ingevolge artikel 62 van de Wet geheven van degene op wiens naam dat kenteken is gesteld en moet door deze worden betaald over tijdvakken van drie maanden (artikel 63, lid 1, van de Wet). Er geldt per kenteken een vast tarief (artikel 67 van de Wet) dat niet afhankelijk is van de soort personenauto’s die bij het bedrijf in voorraad zijn of voor herstel aanwezig zijn.
Artikel 3 van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 luidt:
“Met betrekking tot het gebruik van motorrijtuigen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wet zijn de krachtens artikel 37, derde en vierde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 gestelde voorwaarden voor het gebruik van die motorrijtuigen en de aldaar bedoelde kentekens van toepassing.”
2.3.3.
Ingevolge artikel 69, lid 1, van de Wet kan de belasting worden nageheven, indien met betrekking tot een motorrijtuig uit een bedrijfsvoorraad of een motorrijtuig dat voor het verrichten van werkzaamheden daaraan bij een herstelbedrijf is, niet is voldaan aan de krachtens artikel 1, lid 2, van de Wet gestelde voorwaarden.
Uit artikel 37, lid 3, van de Wegenverkeerswet 1994, in samenhang gelezen met artikel 40, lid 1, van die wet, alsmede met artikel 44, lid 3, van het Kentekenreglement volgt dat tot deze voorwaarden behoort de voorwaarde dat het motorrijtuig bij gebruik op de openbare weg moet zijn voorzien van platen bedoeld in artikel 5, lid 1, van het Kentekenreglement, waarop in overeenstemming met de Regeling kentekens en kentekenplaten het hiervoor in 2.1.1 bedoelde kenteken is aangebracht.
De na te heffen belasting wordt ingevolge artikel 69, lid 2, van de Wet berekend over een tijdsduur van twaalf maanden, waarbij als laatste dag geldt de dag waarop wordt geconstateerd dat niet wordt voldaan aan een krachtens artikel 1, lid 2, van de Wet gestelde voorwaarde.
2.3.4.
De bevoegdheid van de inspecteur om in een voorkomend geval motorrijtuigenbelasting na te heffen, berust op artikel 20 van de AWR. Voor een aantal specifieke situaties kent de Wet een (deels) van artikel 20 van de AWR afwijkende regeling. Een van die situaties betreft die welke is omschreven in artikel 69, lid 1, van de Wet.
De afwijking in die situatie van het bepaalde in artikel 20 van de AWR bestaat hierin dat de mogelijkheid van naheffen is gekoppeld aan een anders geformuleerde omstandigheid dan het niet betaald zijn van de in een of meer bepaalde tijdvakken verschuldigde belasting voor een bepaald motorrijtuig, te weten de omstandigheid dat wordt geconstateerd dat met betrekking tot een motorrijtuig uit een bedrijfsvoorraad of een motorrijtuig dat voor het verrichten van werkzaamheden daaraan bij een herstelbedrijf is, niet is voldaan aan een van de voorwaarden van artikel 1, lid 2, van de Wet.
2.3.5.
Voorts bevat artikel 69, lid 2, van de Wet een bijzondere regel voor de berekening van de na te heffen belasting, die erop neerkomt dat de naheffingsaanslag wordt berekend over een tijdsduur van 12 maanden voorafgaand aan de dag dat wordt geconstateerd dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 1, lid 2, van de Wet. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet (Kamerstukken II 1990/91, 22 238, nr. 3, blz. 44) is af te leiden dat de strekking van deze afwijking was het voorkomen van misbruik van de regeling. Uit die geschiedenis (Kamerstukken II 1990/91, 22 238, nr. 5, blz. 46) volgt verder dat de wetgever de naheffingstermijn van twaalf maanden niet onevenredig acht. De naheffingsaanslag dient er blijkens die wetsgeschiedenis toe om datgene wat in de naheffingstermijn reeds had moeten zijn voldaan alsnog te heffen, terwijl de boete dient ter bestraffing van de gepleegde overtreding.
2.3.6.
Gelet op het hiervoor in 2.3.4 en 2.3.5 overwogene is artikel 69 van de Wet niet bedoeld als bestraffing voor het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 1, lid 2, van de Wet, maar bedoeld om de belasting na te heffen die in de termijn van twaalf maanden voorafgaand aan de constatering van het niet-voldoen aan een van de voorwaarden van artikel 1, lid 2, van de Wet, geacht wordt ten onrechte niet te zijn voldaan.
Daarbij verdient opmerking dat de belasting in een geval als het onderhavige niet wordt geheven ter zake van het gebruik maken van de weg met het motorrijtuig, maar ter zake van het beschikken over een kenteken als bedoeld in artikel 1, lid 2, van de Wet. Daarmee strookt dat artikel 69 van de Wet geen voorziening kent zoals onder meer is opgenomen in artikel 35, leden 3 en 5, van de Wet. Ook in de periode voorafgaand aan het tijdstip waarop een bepaald motorrijtuig tot de bedrijfsvoorraad gaat behoren, kan de belastingplichtige met betrekking tot evenbedoeld kenteken een van de hiervoor vermelde voorwaarden schenden. Hij kan dit doen door een tot zijn bedrijfsvoorraad behorend motorrijtuig of een motorrijtuig dat voor het verrichten van herstelwerkzaamheden bij zijn bedrijf is, te gebruiken zonder dat hij deze heeft voorzien van evenbedoeld kenteken, dan wel met een hiervoor bedoeld motorrijtuig – ook indien voorzien van evenbedoeld kenteken - gebruik te maken van de openbare weg voor andere doeleinden dan volgens de voorwaarden is toegestaan. Niet is uitgesloten dat met dit misbruik, indien de regeling op basis van artikel 69, lid 2, van de Wet wordt weggedacht, een bedrag aan belasting gemoeid kan zijn dat gelijk is aan het verschuldigde bedrag aan belasting voor 12 maanden. Artikel 69, lid 2, van de Wet dient ertoe te voorkomen dat de inspecteur de niet-naleving van de voorwaarden per motorrijtuig en per tijdstip moet aantonen.
2.3.7.
Mede gelet op de hiervoor in 2.3.6 weergegeven achtergrond van artikel 69, lid 2, van de Wet moet het daarin bepaalde worden gekenschetst als een praktische maatregel die ertoe strekt de uitvoerbaarheid te bevorderen door de bewijsnood die ontstaat in de situatie bedoeld in het eerste lid van dat wetsartikel, voor risico te laten komen van degene die geacht kan worden deze bewijsnood te hebben veroorzaakt, zijnde de belastingplichtige. Voor zover deze maatregel al een afschrikwekkende of bestraffende werking heeft, blijft de zo-even bedoelde, niet punitieve, strekking zozeer overwegen, dat in dit verband niet kan worden gesproken van een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 EVRM. ’s Hofs andersluidende oordeel is onjuist. Middel I slaagt derhalve.
2.4.1.
Middel II bestrijdt ’s Hofs hiervoor in 2.2.2 en 2.2.3 weergegeven oordelen omtrent de boete.
2.4.2.
Gezien hetgeen hiervoor in 2.3.6 en 2.3.7 is overwogen kan de naheffingsaanslag niet worden aangemerkt als een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 EVRM, zodat door het op de voet van artikel 70 van de Wet opleggen van een boete geen sprake is van dubbele bestraffing. ’s Hofs andersluidende oordeel is derhalve onjuist. In zoverre slaagt middel II eveneens.
2.5.
Op grond van hetgeen hiervoor in 2.3.7 en 2.4.2 is overwogen kan ’s Hofs uitspraak niet in stand blijven. Wat de naheffingsaanslag betreft kan de Hoge Raad de zaak afdoen. Met betrekking tot de boete moet verwijzing volgen.
3. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, doch uitsluitend voor wat betreft de boete,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, E.N. Punt en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2014.
Beroepschrift 22‑01‑2014
Den Haag, [22 JAN 2014]
Kenmerk: DGB 2013-7074
Beroepschrift in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's‑Hertogenbosch van 12 december 2013, nrs. 13/00060, 13/00061 en 13/00062, inzake [X] B.V. te [Z] betreffende de naheffingsaanslagen motorrijtuigenbelasting over de tijdvakken van 8 januari 2011 tot en met 7 januari 2012, 19 januari 2011 tot en met 18 januari 2012 en 20 januari 2011 tot en met 19 januari 2012. Van deze uitspraak is op 12 december 2013 een afschrift aan de Belastingdienst, [P] toegezonden.
AAN DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Als middelen van cassatie draag ik voor:
I
Schending van het recht, met name van artikel 69 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB) en artikel 6 van het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), doordat het Hof heeft geoordeeld dat de heffing ingevolge artikel 69 Wet MRB geheel losstaat van eerder (niet betaalde) verschuldigde belasting en daarmee moet worden aangemerkt als een criminal charge in de zin van artikel 6 EVRM, zulks ten onrechte, omdat van een criminal charge geen sprake is en voorts de naheffingsaanslagen in hoger beroep geen onderdeel uitmaakten van het geschil.
II
Schending van het recht, met name van de artikelen 69 en 70 Wet MRB in samenhang met artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR), doordat het Hof heeft geoordeeld dat de opgelegde boeten ten onrechte zijn opgelegd nu slechts een heffing met het karakter van een boete van telkens € 350 passend en geboden is en dat belanghebbende anders dubbel zou worden beboet, zulks in verband met het hierna volgende ten onrechte.
Feiten
1.
Belanghebbende is autohandelaar en maakt gebruik van de bij en krachtens artikel 1, lid 2, en hoofdstuk V van de Wet MRB getroffen regeling (hierna: de handelaarsregeling).
2.
Op 7, 18 en 19 januari 2012 is geconstateerd dat met een motorrijtuig met kenteken [AA-00-BB] (hierna: het motorrijtuig) gebruik is gemaakt van de openbare weg, zonder dat dit motorrijtuig was voorzien van een handelaarskenteken. Ter zake van het motorrijtuig was betreffende dat moment geen motorrijtuigenbelasting voldaan.
3.
Het motorrijtuig behoorde vanaf 3 januari 2012 tot de bedrijfsvoorraad van belanghebbende.
4.
Naar aanleiding van de in pt. 2 genoemde constateringen heeft de Inspecteur aan belanghebbende ingevolge artikel 69, lid 1, Wet MRB de onderhavige naheffingsaanslagen opgelegd ten bedrage van elk € 412, alsmede boeten van elk € 412. De naheffingsaanslagen zijn op grond van artikel 69, lid 2, Wet MRB berekend over tijdvakken van 8 januari 2011 tot en met 7 januari 2012, 19 januari 2011 tot en met 18 januari 2012 en 20 januari 2011 tot en met 19 januari 2012.
Toelichting op middel I
Achtergrond van de regeling
Motorrijtuigenbelasting is verschuldigd voor ieder motorrijtuig afzonderlijk, ofwel ter zake van het houden daarvan, ofwel ter zake van het feitelijk ter beschikking hebben daarvan (artikelen 1, lid 1, en 6 tot en met 9 Wet MRB). Ingevolge artikel 1, lid 2, Wet MRB geldt een uitzondering voor onder meer motorrijtuigen die zijn opgenomen in een bedrijfsvoorraad. Een autohandelaar kan één of meer handelaarskentekens als bedoeld in artikel 37, lid 3, van de Wegenverkeerswet 1994 aanvragen, die niet zien op een bepaald motorrijtuig maar op alle in de bedrijfsvoorraad opgenomen motorrijtuigen. Er is geen motorrijtuigenbelasting verschuldigd ter zake van de eigen kentekens van de desbetreffende motorrijtuigen, maar de belasting wordt geheven per handelaarskenteken. Het tarief is forfaitair bepaald. Indien met een in de bedrijfsvoorraad opgenomen motorrijtuig gebruik wordt gemaakt van de weg, moet dit voorzien zijn van de bij die bedrijfsvoorraad behorende handelaarskentekenplaten. Alsdan wordt dit bijzondere kentekenbewijs geacht te zijn afgegeven voor dat motorrijtuig, en wordt de ingevolge artikel 63 Wet MRB betaalde motorrijtuigenbelasting geacht te zijn voldaan voor dat motorrijtuig. De motorrijtuigenbelasting wordt dus ten aanzien van in een bedrijfsvoorraad opgenomen motorrijtuigen in feite geheven ter zake van het gebruik van de weg. In de memorie van toelichting in de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1992 is over een en ander opgemerkt:
‘Voor motorrijtuigen die behoren tot een bedrijfsvoorraad of die voor onderhoud of reparatie zijn bijeen herstelbedrijf wordt voorgesteld om evenals onder het regime van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966 de belasting te heffen per bijzonder kenteken (FH-kenteken), derhalve niet voor elk motorrijtuig afzonderlijk. Ingevolge de nieuwe wegenverkeerswet behoeven bedoelde voertuigen ter zake van het gebruik van de weg niet een eigen kentekenbewijs te voeren, mits zij bij dat gebruik een bijzonder kenteken voeren. Daardoor is het mogelijk met een motorrijtuig gebruik van de weg te maken, ook al voldoet dat nog niet aan alle daarvoor te stellen eisen. Door voor te schrijven dat het motorrijtuig bij het gebruik maken van de weg moet zijn voorzien van het bijzondere kenteken, wordt de belasting voor deze categorie motorrijtuigen in feite geheven ter zake van het gebruik van de weg. Om te bewerkstelligen dat voor het gebruik maken van de weg met nieuwe motorrijtuigen voor bij voorbeeld het rijden van een losplaats of van de fabriek naar een opslagterrein, of met gebruikte motorrijtuigen voor het maken van een proefrit na daaraan verrichte onderhoudswerkzaamheden niet per motorrijtuig de belasting behoeft te worden voldaan, kan door de desbetreffende bedrijven een of meer bijzondere kentekens worden aangevraagd. Daarbij wordt de aanvraag om de afgifte van het bijzondere kentekenbewijs aangemerkt als aangifte voor de motorrijtuigenbelasting. Ter vereenvoudiging van de uitvoering geldt de aangifte voor de gehele periode waarin het bijzondere kenteken geldig is. Behoudens bij ongeldigverklaring na misbruik verliest het bijzondere kentekenbewijs zijn geldigheid alleen door inlevering daarvan. De bijzondere kentekens kunnen worden gebruikt ten behoeve van alle categorieën motorrijtuigen.’
Kamerstukken II 1990/91, 22 238, nr. 3, blz. 17;
‘Met de in een bedrijfsvoorraad opgenomen motorrijtuigen dan wel met de bij een herstelbedrijf aanwezige motorrijtuigen pleegt gebruik van de weg te worden gemaakt in verband met het beproeven of het herstellen van een voertuig dan wel voor het maken van een proefrit. Daarbij kan het bedrijf gebruik maken van de ingevolge de Wegenverkeerswet 1992 aan het bedrijf opgegeven bijzondere kentekens die afwisselend kunnen dienen voor verschillende motorrijtuigen. Voor bedoelde motorrijtuigen personenauto's, bestelauto's, motorrijwielen en andere motorrijtuigen — wordt de belasting niet voor elk motorrijtuig afzonderlijk geheven, maar per bijzonder kenteken dat ten behoeve van die motorrijtuigen is opgegeven. Het tarief voor bijzondere kentekens is een uniform tarief voor alle categorieën motorrijtuigen. Bij de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966 was er een verschillend tarief per categorie motorrijtuig. Teneinde de bijzondere kentekens beter te kunnen gebruiken voor motorrijtuigen van verschillende categorieën, is op verzoek van het bedrijfsleven in deze wet gekozen voor een uniform tarief voor bijzondere kentekens. Dit tarief is op budgettair-neutrale wijze herleid uit de desbetreffende tarieven van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966.’
Kamerstukken II 1990/91, 22 238, nr. 3, blz. 44.
Ingevolge het eerste lid van artikel 69 Wet MRB kan de belasting worden nageheven indien met betrekking tot een motorrijtuig uit een bedrijfsvoorraad niet is voldaan aan de krachtens artikel 1, lid 2, Wet MRB gestelde voorwaarden. Het tweede lid van artikel 69 bepaalt dat de na te heffen belasting wordt berekend over een tijdsduur van twaalf maanden. In de memorie van toelichting is over de naheffingsperiode opgemerkt:
‘De hoogte van de belasting voor een bijzonder kenteken is forfaitair bepaald. Bij gebruikmaking van de weg met een motorrijtuig uit een bedrijfsvoorraad zonder dat het motorrijtuig is voorzien van een bijzonder kenteken dan wel zonder dat de bestuurder daarvan in het bezit is van het daarbij behorende kentekenbewijs en tevens is voldaan aan de daarvoor gestelde voorwaarden zal een naheffingsaanslag worden opgelegd. Ten einde misbruik van de regeling te voorkomen wordt de na te heffen belasting op basis van het FH-tarief in dat geval altijd berekend over een tijdsduur van twaalf maanden.’
(Kamerstukken II 1990/91, 22 238, nr. 3, blz. 17–18);
‘Ook wordt nageheven indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden, die aan het gebruik van bijzondere kentekens ingevolge artikel 1, tweede lid, zijn gesteld. Het bedrag van de na te heffen belasting is gesteld op het viervoud van het tarief voor het bijzondere kentekenbewijs.’
(Kamerstukken II 1990/91, 22 238, nr. 3, blz. 44).
Jurisprudentie
In het arrest HR 14 december 2001, nr. 36.757, BNB 2002/69, had de belastingplichtige gereden met een krap twee maanden in zijn bedrijfsvoorraad opgenomen motorrijtuig, zonder dat de handelaarskentekenplaten daarop aanwezig waren. Aan de belanghebbende werd een naheffingsaanslag over twaalf maanden opgelegd, alsmede een boete van 100 percent. In dit arrest is verworpen de opvatting dat de naheffingsperiode moet worden beperkt tot de periode dat de belastingplichtige daadwerkelijk eigenaar en dus houder van het motorrijtuig is geweest. Uw Raad verwees in r.o. 3.5 in de eerste plaats naar bovengeciteerde vindplaatsen in de memorie van toelichting en overwoog vervolgens (mijn cursivering):
‘Wel is in de Memorie van antwoord bij dit wetsvoorstel het volgende opgemerkt: ‘Gelet hierop meen ik dat bedoelde naheffingstermijn van twaalf maanden niet onevenredig is. Bovendien wordt die termijn bekort indien blijkt dat over een deel van die periode wel motorrijtulgenbelasting is betaald of het motorrijtuig in andere handen was.’ (Kamerstukken II 1991/92, 22 238, nr. 5, blz. 46).
Dit laatste biedt echter geen grond van de wet af te wijken, nu deze opmerking geen uitwerking in de wet heeft gekregen. De specifieke achtergrond van de handelaarsregeling — kenteken niet gebonden aan een bepaald motorrijtuig — maakt ook begrijpelijk dat de wetgever hier is afgeweken van het in de. artikelen 33, 34, 35 en 52 van de Wet gevolgde systeem.’
In het arrest HR 17 februari 2006, nr. 41.660, BNB 2006/169, was sprake van een tot de bedrijfsvoorraad van de belanghebbende behorend motorrijtuig dat binnen vijf dagen tweemaal op de openbare weg was aangetroffen zonder handelaarskenteken. Aan de belanghebbende werden twee naheffingsaanslagen opgelegd, die beide waren berekend over een periode van twaalf maanden, alsmede boeten van 100 percent. Beide naheffingsaanslagen, alsmede de bij de eerste naheffingsaanslag opgelegde boete (de Inspecteur had bij het Hof gesteld dat de andere boete moest vervallen), hielden stand in cassatie:
‘-3.3. Volgens artikel 69, lid 2, van de Wet wordt de na te heffen belasting berekend over een tijdsduur van twaalf maanden, waarbij als laatste dag geldt de dag waarop het gebruik van de weg wordt geconstateerd. Op deze tijdsduur maakt de Wet geen uitzondering (vergelijk HR 14 december 2001, nr. 36 575, BNB 2002/69). Het Hof heeft dit miskend.
Mede gelet op het bepaalde in artikel 69, lid 2, van de Wet moet worden geoordeeld dat het belastbare feit ‘gebruik van de weg’ moet worden opgevat als gebruik per kalenderdag.
Nu in het onderhavige geval sprake was van twee constateringen op verschillende kalenderdagen van gebruik van de weg, stond het de Inspecteur vrij twee naheffingsaanslagen op te leggen, beide berekend over een tijdsduur van twaalf maanden.’
Vergelijk voorts de arresten HR 5 oktober 2001, nr. 36.493, BNB 2001/420, en HR 26 november 2010, nr. 08/03432, BNB 2011/52, over diverse andere bijzondere naheffingsbepalingen in de Wet MRB, waaruit blijkt dat uw Raad de in die bepalingen neergelegde wijze van naheffing steeds aanvaardbaar heeft geacht.
Zie bovendien de recente arresten HR 25 oktober 2013, nrs. 11/04730, 11/04817, 12/01345 en 12/00404, V-N 2013/53.8 en 53.9, waarin uw Raad oordeelt dat de naheffing als gevolg van het gebruik maken van de weg met een motorrijtuig tijdens een voor dat motorrijtuig geldende schorsing respectievelijk als gevolg van het gebruik van de weg met een motorrijtuig waarvoor geen kenteken is opgegeven en de belasting geheel of gedeeltelijk niet is betaald, mede gelet op de achtergrond van de desbetreffende naheffingsbepalingen, wel degelijk ziet op ten onrechte onbetaald gebleven belasting en geen criminal charge is in de zin van artikel 6 EVRM.
Naheffing geen criminal charge
Het feit dat belanghebbende wél de motorrijtuigenbelasting ter zake van het handelaarskenteken heeft voldaan, rechtvaardigt mijns inziens niet 's Hofs conclusie dat de heffing ingevolge artikel 69 Wet MRB geen compensatie is voor onbetaald gebleven belasting en moet worden aangemerkt als een bestraffing voor het niet voldoen aan de krachtens artikel 1, lid 2, Wet MRB gestelde voorwaarden voor motorrijtuigen die behoren tot een bedrijfsvoorraad. Alleen als het in de bedrijfsvoorraad opgenomen motorrijtuig waarmee gebruik wordt gemaakt van de weg, is voorzien van de handelaarskentekenplaten, wordt dit bijzondere kentekenbewijs geacht te zijn afgegeven voor dat motorrijtuig, en de ingevolge artikel 63 Wet MRB betaalde motorrijtuigenbelasting geacht te zijn voldaan voor dat motorrijtuig. Het is dan ook aangewezen dat handelaars een bij hun bedrijfsvoorraad en bedrijfsvoering passend aantal bijzondere kentekens aanvragen, de daarvoor verschuldigde belasting voldoen en de aan de handelaarsregeling verbonden voorwaarden naleven1..
Het feit dat de omvang van het naheffingstijdvak forfaitair is bepaald, leidt evenmin tot de conclusie dat de nageheven belasting niet dient als compensatie van motorrijtuigenbelasting, maar is gericht op ‘bestraffing en afschrikking’. Datzelfde geldt voor de omstandigheid dat de naheffingsbevoegdheid is gekoppeld aan een anders geformuleerde omstandigheid dan het niet betaald zijn van de in een of meer bepaalde tijdvakken verschuldigde belasting, en dat het na te heffen bedrag niet gelijk is aan het bedrag van die belasting.
De handelaarsregeling maakt een uitzondering op de reguliere wijze van heffing van motorrijtuigenbelasting. Het is een vergaande faciliteit, waarbij voor de tot de bedrijfsvoorraad behorende motorrijtuigen afzonderlijk geen belasting is verschuldigd, mits maar op juiste wijze gebruik wordt gemaakt van het/de handelaarskenteken(s), waarvoor wél motorrijtuigenbelasting is betaald. Deze faciliteit is dan ook logischerwijs gebonden aan strikte voorwaarden. Indien in strijd met de voorwaarden wordt gehandeld, zoals het gebruik maken van de weg zonder handelaarskentekenplaten, wordt niet nageheven ter zake van het motorrijtuig uit de bedrijfsvoorraad ter zake waarvan dat weggebruik is geconstateerd, maar ter zake van het handelaarskenteken. Dit houdt verband met de omstandigheid dat het kenteken niet gebonden is aan een bepaald motorrijtuig, maar in beginsel geldt voor alle in de bedrijfsvoorraad aanwezige auto's. Daarbij is niet relevant hoe lang een bepaald motorrijtuig in de bedrijfsvoorraad is opgenomen noch wat de kenmerken van dat bepaalde motorrijtuig zijn. Gezien het bijzondere karakter van de handelaarsregeling, kan de bepaling van de na te heffen belasting niet anders dan forfaitair zijn.
Mijn conclusie luidt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de onderhavige naheffing een criminal charge is in de zin van artikel 6 EVRM en ten onrechte de naheffingsaanslagen heeft verminderd tot telkens € 350. Nu het Hof in r.o. 4.12 feitelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat het motorrijtuig op de bewuste data niet was voorzien van handelaarskentekenplaten, en met juistheid heeft geoordeeld dat de naheffingsaanslagen overeenkomstig artikel 69 Wet MRB zijn opgelegd, had het Hof de naheffingsaanslagen ad telkens € 412 in stand moeten laten.
Nu het hoger beroep van de Inspecteur uitsluitend was gericht op de vermindering door de Rechtbank van de boetebeschikkingen, en belanghebbende niet heeft bedoeld incidenteel hoger beroep in te stellen tegen de rechtbankuitspraak (zie r.o. 4.2 van het Hof), is het Hof mijns inziens bovendien buiten de rechtsstrijd getreden door de naheffingsaanslagen te verminderen.
Toelichting op middel II
Het Hof heeft geoordeeld dat de boetebeschikkingen moeten worden vernietigd. Volgens het Hof is slechts ‘een heffing met het karakter van een boete’ van telkens € 350 passend en geboden. Als daarnaast nog boeten zouden worden opgelegd, zou zulks ertoe leiden dat belanghebbende dubbel zou worden beboet.
Zoals ik heb betoogd in mijn toelichting op middel I, is de naheffing van motorrijtuigenbelasting ingevolge artikel 69 Wet MRB niet aan te merken als een criminal charge. Van een dubbele beboeting, kan dus geen sprake zijn. Aangezien het Hof kennelijk een boete van telkens € 350 passend en geboden acht voor de door belanghebbende begane overtredingen, heeft het ten onrechte de boetebeschikkingen vernietigd.
Op grond van het vorenstaande ben ik van oordeel dat de uitspraak van het Hof niet in stand zal kunnen blijven.
DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN,
namens deze
DE DIRECTEUR-GENERAAL BELASTINGDIENST,
loco
Voetnoten
Voetnoten Beroepschrift 22‑01‑2014