Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken
Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/12.2.7.1:12.2.7.1 Situatie vóór invoering van de Vierde Tranche Awb
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/12.2.7.1
12.2.7.1 Situatie vóór invoering van de Vierde Tranche Awb
Documentgegevens:
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940477:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
De vooraankondiging kon voor de inspecteur voorts een reddingsboei zijn, wanneer de eigenlijke mededeling als bedoeld in art. 67g lid 2 AWR (oud) achterwege was gebleven. Dat kon worden gesauveerd als er wél een kennisgeving ex art. 67k lid 1 AWR (oud) had plaatsgevonden, zie HR 25 oktober 2013, V-N 2013/53.5, BNB 2013/253, NTFR 2013/2162 (en vgl. paragraaf 12.2.5.1).
Zie paragraaf 12.2.3 en paragraaf 12.2.4.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Vóór de inwerkingtreding van de Vierde Tranche Awb per 1 juli 2009 bevatten art. 67g lid 2 AWR (oud) en art. 67k lid 1 AWR (oud) de nationaalrechtelijke codificatie van de vereisten van art. 6 lid 3 onderdeel a EVRM. Art. 67k lid 1 AWR (oud) ging daarbij – voor vergrijpboeten – zelfs verder dan het EVRM: het schreef voor dat de belastingplichtige ook reeds in kennis moest worden gesteld van het voornemen om een boete op te leggen, onder vermelding van de gronden waarop dat voornemen berustte (hierna: kennisgevingsplicht).1 Art. 67g lid 2 AWR (oud) garandeerde vervolgens het algemene recht op de mededeling van aard en reden van de beschuldiging, uiterlijk ten tijde van de boeteoplegging. De toenmalige wettelijke regeling was daarmee in lijn met de vaste jurisprudentie van de Hoge Raad op dit punt.2