Het juridische begrip van godsdienst
Einde inhoudsopgave
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/21.2.4:21.2.4 Een individualistisch godsdienstbegrip
Het juridische begrip van godsdienst (SteR nr. 43) 2018/21.2.4
21.2.4 Een individualistisch godsdienstbegrip
Documentgegevens:
mr. drs. A. Vleugel, datum 01-09-2018
- Datum
01-09-2018
- Auteur
mr. drs. A. Vleugel
- JCDI
JCDI:ADS455216:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het accommodationisme staat een subjectiverende uitleg van het begrip godsdienst op het niveau van het individu toe om zodoende ook individuele religieuze opvattingen te accommoderen, ook als die volledig singulier zijn. Het recht op zelfdefinitie zou volgens het accommodationisme voor elk individu moeten gelden (‘each conscience is a law unto itself’).1 Het accepteert niet dat de individuele zelfdefinitie ondergeschikt is aan de collectieve zelfdefinitie. De consequentie van het accommodationisme is een vergaande individualisering van het antwoord op de vraag wat godsdienst(ig) is. Niet de staat, niet het collectief, maar het individu bepaalt primair het godsdienstbegrip. Het gevolg hiervan is dat het accommodationisme ook het contextualisme afwijst. Contextualisme kan immers niet bestaan wanneer die context slechts bestaat uit één individu. Zoals in de voorgaande paragraaf gesteld, zou de zelfdefinitie van het individu niet ondergeschikt mogen worden gemaakt aan collectieve zelfdefinitie, tenzij het rechtssubject als lid van een religieus collectief zelf ervoor kiest om zijn recht op zelfdefinitie over te dragen aan het collectief en hij tegelijkertijd vrij is om zijn lidmaatschap op elk moment op te zeggen. Het accommodationisme moet in dat aspect gematigd worden door het communautarisme.
Het accommodationisme verwerpt de objectivering van het juridische godsdienstbegrip. Ook de minimale objectivering van het liberaal gezindtepluralisme. De vraag wat godsdienst(ig) is, beperkt zich niet tot de bekende traditionele godsdiensten en hun uitingen en gedragingen. Godsdienst mag atypisch zijn. Ook staat dit ideaaltype kritisch tegenover de eis dat een godsdienst samenhangend en fundamenteel moet zijn en de eis dat een uiting of gedraging in direct verband moet staan met de godsdienst. Het accommodationisme vreest dat deze eisen teveel ruimte laten om de vraag wat godsdienstig is toch etnocentrisch te benaderen. Want wie bepaalt wat een directe uiting of gedraging is en wanneer is een godsdienst nu samenhangend? Logischerwijs verwerpt het accommodationistische perspectief ook het gebruik van de objectiverende uitleg van het begrip godsdienst gebaseerd op algemeen gedeelde maatschappelijke opvattingen of op deskundigenoordelen. Het ziet deze manieren om godsdienst uit te leggen als etnocentrische constructies om de betekenis van godsdienst vanuit de eigen westerse cultuur te duiden.
De accommodationistische visie is onder andere ingegeven door de vrees voor ongelijke behandeling van verschillende aanhangers van godsdiensten en levensbeschouwingen. Men is bang voor het gevaar dat individuen en groepen in de samenleving geen recht hebben op godsdienstvrijheid omdat ze niet geassimileerd zijn in de dominante cultuur. Interessant in dit verband is dat Vermeulen2 juist stelt dat het gelijkheidsbeginsel verbiedt:
‘… om de subjectieve interpretatie van een minderheidsgroep of een individu in zodanige mate te volgen dat deze groep of dit individu daardoor buitenproportioneel wordt bevoordeeld’.3
Vermeulen legt niet uit hoe een subjectieve uitleg van het godsdienstbegrip zou kunnen leiden tot een buitenproportionele bevoordeling. Ook legt hij niet uit ten opzichte van wie die aanhangers van exotische of atypische godsdiensten dan zouden worden bevoordeeld. Vermoedelijk bedoelt hij dat ze bevoordeeld worden ten opzichte van burgers die geen beroep doen op de godsdienstvrijheid. Maar, zo zou men kunnen stellen, ook aanhangers van traditionele godsdiensten worden ten opzichte van niet-religieuze burgers bevoordeeld wanneer zij met succes een beroep doen op de godsdienstvrijheid. De vraag is dan ook waarin de bevoordeling van aanhangers van traditionele godsdiensten zou verschillen met die van niet-traditionele godsdiensten. De wijze waarop de accommodationisten zich bedienen van het gelijkheidsbeginsel is mijns inziens overtuigender. Zij stellen dat juist de niet-traditionele gelovigen ongelijk worden behandeld doordat de meerderheid van de bevolking wetten maakt die zijn toegesneden op de gevestigde traditionele godsdiensten en niet op de meer excentrieke of singuliere godsdiensten. Om die reden vinden accommodationisten dat er voor hen uitzonderingen gemaakt moeten worden in de bestaande wetten. Accommodationisten zien deze uitzonderingen niet als een vorm van ‘bevoordeling’ van bepaalde groepen of individuen maar als een basisrecht dat ieder individu zou moeten toekomen.4