Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/8.2.4.2.1.2
8.2.4.2.1.2 Midland Bank-doctrine: invulling rechtstreekse en onmiddellijke samenhang
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291281:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 8 juni 2000, zaak C-98/98, BNB 2001/118, m.nt. Van Hilten, r.o. 25 (Midland Bank).
S.T.M. Beelen, Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (diss.), Deventer: Kluwer 2010, p. 119, en A.J. van Doesum en H.W.M. van Kesteren, ‘De onlosmakelijke samenhang tussen kosten en belastbare handelingen’, WFR 2012/6960, p. 888.
Zie ook: conclusie A-G Saggio 30 september 1999, zaak C-98/98, ECLI:EU:C:1999:467, punt 28 (Midland Bank) waarin hij opmerkt: “Het antwoord op deze vraag is niet gemakkelijk, want het valt niet mee een abstract criterium te vinden om in het concrete geval te bepalen, of er tussen bepaalde handelingen een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang bestaat. Ik geloof in ieder geval niet, dat men zich van de zaak kan afmaken door simpelweg te herhalen, dat de samenhang rechtstreeks en onmiddellijk moet zijn: daarmee zou men immers de nationale rechter belasten met de taak om niet slechts in concreto na te gaan of die samenhang bestaat (wat stellig tot zijn bevoegdheid behoort), maar ook om de criteria te bepalen die hij daarbij moet aanwenden. Juist daarom heeft de nationale rechter het Hof niet gevraagd om een definitie zonder meer, maar om aanwijzingen met betrekking tot de aard van de hier bedoelde samenhang. Die aanwijzingen moeten hem in staat stellen zijn standpunt te bepalen tegenover een belastingplichtige die, zoals in ons geval, de BTW over juridische diensten die hij zowel heeft gebruikt voor het verrichten van een handeling waarvoor recht op aftrek bestaat, als voor zijn verdediging in rechte in een als nasleep van die handeling ontstaan geschil, volledig wenst af te trekken.”
R.o. 29.
R.o. 30. Deze rechtsoverweging wijkt in de Nederlandse taalversie van het Midland Bank-arrest af van de procestaal, het Engels: “Uit dat beginsel en uit de in punt 19 van het reeds aangehaalde arrest BLP Group geformuleerde regel, dat voor het recht op aftrek een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang tussen de gebruikte goederen of diensten en de belaste handelingen vereist is, volgt, dat het recht op aftrek van de BTW die op deze goederen of diensten drukt, vooronderstelt dat de kosten die voor het verwerven van die goederen of diensten zijn gemaakt, een van de bestanddelen van de prijs van de belaste handelingen zijn. Die kosten moeten dus een onderdeel zijn van de prijs van de in een later stadium verrichte handelingen waarbij gebruik wordt gemaakt van die goederen en diensten. Om die reden moeten die elementen van de kostprijs normalerwijze zijn ontstaan vóór de belastingplichtige de belaste handelingen verricht, waarop zij betrekking hebben.”. Uit de procestaal blijkt dat met ‘de prijs van belaste handelingen’ respectievelijk ‘de prijs van de in een later stadium verrichte handelingen’ niet de verkoopprijs, maar de kostprijs is bedoeld. Daarnaast ontbreekt in de procestaal het temporele element (‘in een later stadium’) in de overweging dat ‘de kosten dus een onderdeel moeten zijn van de (kost)prijs van de uitgaande handelingen waarbij gebruik wordt gemaakt van die goederen en diensten’.
Deze term is ontleend aan de bijlage bij conclusies A-G Overgaauw 10 april 2007, nrs. 42.863 en 42.868, V-N 2007/25.29, punt 2.7.1. Zie voor deze term ook: S.T.M. Beelen, Aftrek van BTW als (belaste) omzet ontbreekt (diss.), Deventer: Kluwer 2010, p. 120, A.J. van Doesum en H.W.M. van Kesteren, ‘De onlosmakelijke samenhang tussen kosten en belastbare handelingen’, WFR 2012/6960, p. 888, S.B. Cornielje, Fusies en overnames in de Europese BTW (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 240 en S.B. Cornielje, ‘Houdstervennootschappen en het recht op aftrek van voorbelasting in de btw’, TFO 149.2, p. 32. Cornielje gebruikt ook de term ‘Midland Bank-principe’ (S.B. Cornielje, Fusies en overnames in de Europese BTW (diss.), Deventer: Wolters Kluwer 2016, p. 238).
In de zaak Midland Bank heeft de verwijzende rechter het Hof van Justitie verzocht om een nadere precisering van de ‘aard van de rechtstreekse en onmiddellijke samenhang’. Het Hof van Justitie heeft het echter niet realistisch geacht om te trachten die samenhang nauwkeuriger te formuleren. Het Hof oordeelde dat het, gelet op de diversiteit aan zakelijke transacties, onmogelijk is om de wijze waarop in elk geval het vereiste verband tussen de ingaande (‘input transactions’) en de uitgaande handelingen (‘output transactions’) moet worden vastgesteld nauwkeuriger te definiëren.1 Niettemin heeft het Hof in dit arrest wel een nadere invulling gegeven aan het criterium ‘rechtstreekse en onmiddellijke samenhang’.2 Hierdoor is de verwijzende rechter niet met lege handen achtergebleven.3
Het Hof roept in het Midland Bank-arrest in herinnering dat volgens het fundamentele beginsel van het btw-stelsel, dat thans is neergelegd in art. 1 lid 2 Btw-richtlijn, bij elke handeling in het productie- of distributieproces btw is verschuldigd onder aftrek van de btw waarmee de onderscheiden elementen rechtstreeks zijn belast.4 Uit dat beginsel en de in het BLP Group-arrest geformuleerde regel, inhoudende dat voor het recht op btw-aftrek een rechtstreekse en onmiddellijke samenhang tussen de verworven goederen of diensten en de belaste handelingen vereist is, heeft het Hof afgeleid dat het recht op btw-aftrek vooronderstelt (‘presuppose’) dat de kosten die voor het verwerven van die goederen of diensten zijn gemaakt, deel uitmaken van de kostprijs (‘cost components’) van de belaste handelingen. Die kosten moeten daarom deel uitmaken van de kosten (‘the costs’) van de uitgaande handelingen (‘output transactions’) waarvoor die goederen en diensten worden gebruikt. Om die reden moeten die elementen van de kostprijs (‘cost components’) normaliter zijn ontstaan vóór de belastingplichtige de belaste handelingen verricht waarop zij betrekking hebben.5 Deze nadere invulling van het criterium ‘rechtstreekse en onmiddellijke samenhang’ is sinds het Midlank Bank-arrest leidend en wordt in de literatuur ook wel aangeduid als de ‘Midland Bank-doctrine’.6