Einde inhoudsopgave
Wilsdelegatie in het erfrecht (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/II.4.6.4.1
II.4.6.4.1 Bepaaldheisvereiste en algemene vormvoorschriften van afdeling 4.4.4 BW
mr. N.V.C.E. Bauduin, datum 09-09-2014
- Datum
09-09-2014
- Auteur
mr. N.V.C.E. Bauduin
- JCDI
JCDI:ADS622303:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Breemhaar 1992, nr. 72. Over dit verbod schrijft hij ook in nr. 78-80.
Asser/Perrick 2013 (4), nr. 149.
Zoals ik reeds in noot 74 bij paragraaf 1.3.2.3 opmerkte kan bij een uiterste wil die wordt gemaakt bij een aan een notaris in bewaring gegeven onderhandse akte (het zogenoemde depottestament) de Belehrung door de notaris een minder verstrekkend karakter hebben dan de Belehrung door de notaris bij een uiterste wil die is gemaakt bij notariële akte. Met name wanneer er sprake is van een gesloten onderhandse uiterste wil, zal de notaris enkel kunnen belehren met betrekking tot de door de erflater gekozen vorm voor zijn uiterste wil.
De vraag in hoeverre dit is toegestaan, dient mijns inziens te worden beoordeeld aan de hand van de vereisten die gelden ten aanzien van de inhoud van de te onderscheiden soorten beschikkingen. Zie ook hierna hoofdstuk 5. Vgl. in dit kader overigens ook mijn opmerkingen in paragraaf 2.2.3 ‘Passend binnen het gesloten stelsel’.
Zie ook paragraaf 2.3.4 ‘Ontduiking vormgebondenheid’.
De vormvoorschriften voor de uiterste wilsbeschikking zijn nader geregeld in afdeling 4.4.4 BW. Ik verwijs hiervoor naar hetgeen ik hierover in paragraaf 2.3.2 en 2.3.3 (betreffende de vormgebondenheid) heb opgemerkt.
Breemhaar geeft aan dat uit de vormgebondenheid in combinatie met het bepaaldheidsvereiste een verbod tot ontduiking van de vormdwang voortvloeit.1 Het wezen van de beschikking mag niet gevonden worden in een stuk waarnaar de beschikking verwijst.2 Erflaters wil zal met andere woorden uit de uiterste wil zelf moeten blijken. In paragraaf 2.3.4 (‘Ontduiking vormgebondenheid’) betoogde ik dat erkenning van wilsdelegatie echter niet leidt tot erkenning van informele uiterste wilsbeschikkingen en dat de vormgebondenheid wilsdelegatie niet verhindert.
Een erflater die aan een derde de bevoegdheid wil geven om zijn uiterste wilsbeschikking nader in te vullen, zal dit steeds bij uiterste wil moeten doen. Op deze manier is zijn wilsbeschikking in de juiste, door de wet vereiste, vorm gemaakt. En is zij omkleed met de waarborgen van de vormvoorschriften, zoals de deskundigheid van de notaris.3 Van een informele uiterste wilsbeschikking kan dan geen sprake zijn. Erflaters wil (incl. de wil om te delegeren) is immers in de uiterste wil neergelegd. Indien erflater zijn uiterste wilsbeschikkingen wil veranderen, zal hij de vormvoorschriften van afdeling 4.4.4 BW eveneens in acht moeten nemen (art. 4:111 BW). Wanneer de gedelegeerde de uiterste wilsbeschikking, met zijn in de uiterste wil gelegen ‘opdracht’, bijvoorbeeld nader bepaalt,4 doet dat aan de algemene vormvoorschriften en de daarin gelegen waarborgen geen afbreuk. De wil van de gedelegeerde is immers niet erflaters wil en zodoende niet aan de vormvoorschriften gebonden, die zijn er louter in het belang van erflater.5
De algemene vormvoorschriften van afdeling 4.4.4 BW leiden dan ook niet tot een strikt bepaaldheidsvereiste, in die zin dat niet alleen erflaters wil, maar ook de wil van de gedelegeerde in de uiterste wil (de akte) moet zijn neergelegd. De vormvoorschriften van afdeling 4.4.4 BW brengen dit niet mee,6 de wil van de gedelegeerde is immers niet aan de vormvoorschriften gebonden.
Hoe zat het ook alweer met het andere formele geldigheidsvereiste, dat van erflater een (hoogst)persoonlijke uiterste wilsbeschikking verlangt? Brengt dit formele aspect van het hoogstpersoonlijke met zich dat erflater de inhoud van zijn uiterste wilsbeschikkingen volledig zelf moet bepalen en verhindert het daarmee wilsdelegatie? Ik beantwoordde deze vraag in paragraaf 3.5 reeds ontkennend. Hieronder een en ander nogmaals kort herhaald.