Einde inhoudsopgave
Het nationale budgetrecht en Europese integratie (SteR nr. 36) 2018/9.5.1
9.5.1 De gevolgen van het Stabiliteitsverdrag voor het nationaal begrotingsproces
mr. S.P. Poppelaars, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. S.P. Poppelaars
- JCDI
JCDI:ADS454090:1
- Vakgebied(en)
EU-recht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Handelingen II 2012/13, 63, 20, p. 50.
Handelingen II 2012/13, 63, 20, p. 52.
Handelingen II 2012/13, 63, 20, p. 62.
Handelingen II 2013/14, 79, 5; Kamerstukken I 2013/14, CVII, G; Handelingen II 2014/15, 78, 28; Kamerstukken I 2014/15, CXII, H; Handelingen II 2015/16, 78, 38; Kamerstukken I 2015/16, CXVII, D; Kamerstukken I 2015/16, CXVII, E.
Zie ook: Bovend’Eert & Kummeling 2017, p. 356.
Rittberger & Winzen 2015, p. 437; COSAC 2013, p. 19.
Raimla 2017.
Kreilinger 2016, p. 33.
Raimla 2017; Kreilinger 2016, p. 33; Hallerberg e.a. 2012, p. 68-74, Rozenberg 2017, p. 45; COSAC 2013, p. 15.
Five Presidents’ Report, 22 juni 2015, p. 17 (‘[N]ational Parliaments should be closely involved in the adoption of National Reform and Stability Programmes’; zie over dit rapport verder par. 9.7).
Handelingen II 2012/13, 63, 20, p. 53.
Handelingen II 2012/13, 63, 20, p. 48.
Handelingen II 2012/13, 63, 20, p. 57-58.
Handelingen II 2012/13, 63, 20, p. 59.
Kamerstukken II 2012/13, 33319, 7; Handelingen II 2012/13, 63, 20, p. 61; Handelingen II 2012/13, 66, 13, p. 27.
Handelingen II 2012/13, 63, 20, p. 63.
Handelingen II 2012/13, 63, 20, p. 63.
Handelingen II 2012/13, 66, 13, p. 27.
Handelingen II 2013/14, 79, 5; Kamerstukken I 2013/14, CVII, G; Handelingen II 2014/15, 78, 28; Kamerstukken I 2014/15, CXII, H; Handelingen II 2015/16, 78, 38; Kamerstukken I 2015/16, CXVII, D; Kamerstukken I 2015/16, CXVII, E. Zie ook: Jaarbericht Eerste Kamer 2015-2016, p. 40.
Veel Kamerleden hadden oog voor de vraag wat de gevolgen zouden zijn van het Stabiliteitsverdrag voor het nationale begrotingsproces. CDA-Kamerlid Van Hijum vroeg met name aandacht voor het begrotingsproces als zodanig:
‘Door een aantal andere woordvoerders is al gememoreerd dat het accent in de besluitvorming steeds verder verschuift naar het voorjaar. Er is gesproken over de rol van het Stabiliteitsprogramma en het Nationaal Hervormingsprogramma daarin. Ik denk dat wij echt moeten nadenken over de vraag hoe wij dat begrotingsproces op een goede manier ordenen met het oog op te de toekomst. Wij moeten de betrokkenheid en de verantwoordelijkheid van het parlement, ook het budgetrecht, goed tot hun recht laten komen. Dat zal betekenen dat wij wellicht moeten overwegen om het Stabiliteitsprogramma onderdeel van het begrotingsproces te maken. Misschien moeten wij het zelfs een wettelijke basis geven. Ik vraag de minister hoe hij daar tegenover staat. Wij moeten overigens ook zelf als parlement ideeën ontwikkelen om het begrotingsproces op een zorgvuldige manier in de toekomst te kunnen voeren.’1
D66-Kamerlid Koolmees sloot zich hierbij aan:
‘De heer Van Hijum heeft een zeer terecht punt. […] Ik voel wel wat voor de suggestie van de heer Van Hijum om het stabiliteitsprogramma, dat voor 1 mei naar Brussel moet worden gestuurd, uitgebreid in het parlement te bespreken. Ook ben ik zeer benieuwd of de minister vindt dat dit verankerd moet worden in de Comptabiliteitswet of de begrotingssystematiek. Ik voel daar eerlijk gezegd wel voor, omdat het een belangrijk document is dat de financiële kaders voor de begroting al vroeg in het voorjaar vaststelt. Ik heb dus veel sympathie voor het voorstel van de heer Van Hijum.’2
Minister van Financiën Dijsselbloem reageerde als volgt:
‘Het is het vaste voornemen van het kabinet – ik meen dat we dat ook al eerder hebben toegezegd – om het Stabiliteitsprogramma tijdig aan de Kamer toe te sturen. Dat geldt ook voor de Eerste Kamer, die er ook over wil spreken. Dat wordt dan een vast onderdeel van de begrotingscyclus, zodat we voortaan elk jaar eind april een debat hebben over het Stabiliteitsprogramma. Het hoeft wat ons betreft geen wettelijke verankering te krijgen. Het is ook lang niet zo gedetailleerd als de begrotingsstukken op Prinsjesdag. Dat spreekt voor zich. Het geeft de hoofdlijn aan van de wijze waarop we de begrotingsuitdagingen en het hervormingsprogramma voor de komende jaren gaan doen.’3
Een wettelijke verankering was volgens de minister dus niet nodig, maar wel zegde hij toe om jaarlijks te debatteren over het in te dienen stabiliteitsprogramma.
Inmiddels is in artikel 2.22 Cw 2016 geregeld dat de minister van Financiën het stabiliteitsprogramma en het nationaal hervormingsprogramma jaarlijks aanbiedt aan de Staten-Generaal. Een wettelijke basis voor het aanbieden van deze programma’s aan het parlement is er dus gekomen. Hoewel dat de afgelopen jaren wel gebeurde, is in artikel 2.22 Cw 2016 niet expliciet opgenomen dat het aanbieden van de programma’s aan het parlement voorafgaat aan verzending aan de Europese Commissie en dat hierover een debat plaatsvindt.4 In die zin had de codificatie van de rol die beide programma’s inmiddels spelen in de begrotingsbehandeling, beduidend sterker gekund.5
Landenvergelijkend onderzoek laat zien dat nationale parlementen verschillend omgaan met de stabiliteits- en hervormingsprogramma’s en het Europees Semester. In ongeveer een derde van de nationale parlementen zijn procedures aangepast aan het Europees Semester.6 Ook kunnen de programma’s een plaats hebben gekregen in bestaande werkwijzen. Onderscheid wordt verder gemaakt tussen het enkel informeren van het parlement over de programma’s, het organiseren van een debat hierover (plenair of in commissies) en het houden van een stemming.7 Het informeren en het debatteren kan bovendien zowel plaatsvinden voordat de programma’s naar de Europese instellingen worden gestuurd (ex ante), als nadien (ex post).8 De meeste nationale parlementen blijken in ieder geval enige aandacht te besteden aan de programma’s.9 De Europese instellingen moedigen dit ook aan.10
SGP-Kamerlid Dijkgraaf was niet zozeer geïnteresseerd in de gevolgen van het Stabiliteitsverdrag voor het begrotingsproces, maar vooral in de overgebleven speelruimte voor de nationale wetgever om economisch beleid te voeren na dit verdrag. De regering stelde hierover in de memorie van toelichting dat het Stabiliteitsverdrag niet tot doel heeft om de nationale politieke besluitvorming over de begroting en het economisch beleid te beperken.11 De regering vervolgde:
‘Zolang een lidstaat een normale overheidshuishouding heeft en in een gezonde economische situatie verkeert, heeft een lidstaat een grote mate van vrijheid om politieke beleidsafwegingen te maken. Bij een ongezonde overheidshuishouding of een ongezonde economische situatie, ondervinden als gevolg van de onderlinge verwevenheid in de Unie andere lidstaten daar hinder van en dient een grotere rol van de instellingen van de EU bij het doen naleven van de afspraken – ook in het belang van Nederland – te worden geaccepteerd.’12
Dijkgraaf vroeg zich vervolgens af:
‘Leveren wij onze nationale soevereiniteit niet te veel in? Ik wil de minister daarover heel scherp horen. Het proces hiernaartoe is natuurlijk heel lang geweest. Wij hebben talloze debatten gevoerd. Ik hoor het minister De Jager nog zeggen: op het niveau van de individuele maatregelen blijven wij zelf kunnen beslissen wat wij doen, mits wij ons uiteindelijk aan die afspraken houden. Die vraag wil ik aan de minister stellen. Blijven wij in dit parlement binnen en buiten de correctieve arm ons budgetrecht houden in die zin dat wij niet overruled kunnen worden door een dictaat uit Brussel op het niveau van de individuele maatregelen?’13
Ook CU-Kamerlid Schouten stelde vergelijkbare vragen.14 Minister van Financiën Dijsselbloem beantwoordde die instemmend:
‘Mevrouw Schouten vroeg een heel concrete toezegging van mij. Zij vroeg of de minister nog steeds achter het principe staat dat we elkaar in Europa niet de maat nemen en niet op maatregelniveau elkaar de wet voorschrijven. Zij vroeg mij dit ook in de richting van Brussel te benadrukken. Zij voegde daaraan de vraag toe hoe wordt voorkomen dat Brussel onze eigen plannen kan overrulen. Ik dacht dat ook de heer Dijkgraaf langs die lijn de hoofdvraag heeft gesteld. Ik denk dat dit het hoofdpunt is voor dit kabinet. Net als voor het vorige kabinet blijft voor dit kabinet volledig overeind staan dat men zich aan de begrotingsafspraken moet houden, maar hoe men dat doet en welke maatregelen worden belegd, is echt aan de lidstaten. Dat is ook onze analyse van de wet- en regelgeving die wij nu afspreken. [...] Er staan in het Stabiliteitsverdrag geen nieuwe afspraken die de mogelijkheden voor Nederland om eigen beleid te maken op maatregelenniveau beperken. Er zijn wel bindende afspraken gemaakt en er is natuurlijk een procedure voor macro-economische onevenwichtigheden. Die waren al onderdeel van het sixpack, maar ook bij deze procedures gaan lidstaten zelf over de inhoud van het type maatregelen dat zij wensen te nemen. Het parlement gaat daar dus over. De Commissie beoordeelt of de voorgenomen maatregelen bijdragen aan de afspraken en leiden tot de doelstellingen waaraan een land zich heeft gecommitteerd. Dus ja, zeg ik tegen mevrouw Schouten, Nederland zal het door de ChristenUnie genoemde adagium blijven uitdragen, ook in discussies die wij nog gaan krijgen over de toekomst van de EMU. In de Europese Raad van juni zal opnieuw worden gesproken over de agenda van de heer Van Rompuy. Ook dan zullen wij dit principe zeer bewaken en uitdragen.’15
Ook na nieuwe vragen van Schouten over wat dan nog precies de positie van de Europese Commissie is, bleef Dijsselbloem bij zijn standpunt:
‘[D]e Commissie zal natuurlijk wel beoordelen op basis van een stabiliteitsprogramma of een hervormingsplan dat voortaan aan Brussel wordt voorgelegd, of dat stabiliteitsprogramma ook leidt tot de begrotingsdoelstellingen, los van de specifieke keus van de programma’s en de programmaonderdelen. Dat is maar goed ook, want wellicht sturen lidstaten zeer ondeugdelijke plannen en dekkingsvoorstellen naar Brussel. Dan is het goed dat iemand daar even in prikt en zich afvraagt of het materiaal wel degelijk is. Dan kan het spul daarna worden teruggestuurd met de mededeling: als wij dit plan doorrekenen, haalt u volgens ons de -3% helemaal niet, maar komt u uit op -3,5% of -4%. Ook kan worden aangegeven dat men voor dat verschil van bijvoorbeeld die 0,5% aanvullende voorstellen verwacht. Dat kan, maar dan nog is het aan de lidstaten om aan te geven met welke aanvullende voorstellen er wordt gekomen.’16
Om dit punt helemaal af te dekken en in navolging van eerder aangenomen moties, zoals hierboven besproken, dienden Schouten en Dijkgraaf een motie in waarin werd gesteld dat het weliswaar goed is dat de EU de lidstaten aanspreekt op het feit dat ze zich aan hun afspraken moeten houden ten aanzien van hun begrotingstekort en staatsschuld, maar dat de landen zelf moeten kunnen beslissen op maatregelniveau hoe ze de afspraken invullen, mits voorgenomen maatregelen geloofwaardig zijn.17 De motie riep de regering vervolgens op om aan de EU kenbaar te maken dat Nederland te allen tijde zelf beslist over de maatregelen waarmee voldaan wordt aan afspraken ten aanzien van het begrotingstekort en de staatsschuld.
Dijsselbloem beoordeelde deze motie positief:
‘Ik beschouw dit als ondersteuning van beleid met die afspraak dat wij dit niet per direct op hoge poten naar Brussel hoeven te schrijven, maar dat op elk moment in discussies over de toepassing van deze of nieuwe mechanismes Nederland dit punt heel goed zal bewaken en waar maar even nodig aan de orde zal stellen en dat de nationale beleidsvrijheid om zelf te zeggen hoe je hervormt, hoe je je begroting op orde brengt niet kan worden beperkt. Dat is de intentie van de indieners en dat is ons standpunt. Wij zien de motie dan ook als ondersteuning van beleid.’18
Dijkgraaf bevestigde deze interpretatie: ‘Er hoeft niet op stel en sprong een brief naar Brussel of zo. Wij zijn het eens met de interpretatie van de minister.’19 De Tweede Kamer nam de motie vervolgens aan.20
De SP-fractie in de Eerste Kamer vroeg in het voorlopig verslag hoe de regering aan deze motie uitvoering heeft gegeven.21 In de memorie van antwoord herhaalde de regering de eerdere interpretatie van de motie en stelde zij dat
‘[b]ij de behandeling in de ambtelijke voorportalen van de Ecofin Raad van de landenspecifieke aanbevelingen ten aanzien van begrotingstekort en-schuld bleek dat deze interpretatie breed wordt gedeeld. Derhalve was het niet nodig voor Nederland dit punt aan de orde stellen.’22
Bij de parlementaire behandeling speelde de vraag naar de gevolgen van het Stabiliteitsverdrag voor het nationaal begrotingsproces dus vooral een rol via de consequenties voor het begrotingsproces en via de speelruimte die voor de wetgever overbleef om economisch beleid vast te stellen. De parlementaire behandeling laat zien dat er vanaf dat moment een jaarlijks debat over het stabiliteitsprogramma zal plaatsvinden, hetgeen de afgelopen jaren ook gebeurde.23 Een wettelijke basis wordt daarvoor niet nodig geacht. Wel regelt artikel 2.22 Cw 2016 inmiddels dat de minister van Financiën het stabiliteitsprogramma en het nationaal hervormingsprogramma jaarlijks aanbiedt aan de Staten-Generaal. Daarnaast heeft de minister van Financiën toegezegd dat Nederland zelf beslist over de te nemen maatregelen, zoals ook in een aangenomen motie is vastgelegd.
In reactie op de vraag van de SP-fractie in het voorlopig verslag van de Eerste Kamer hoe artikel 3, tweede lid, van het Stabiliteitsverdrag, dat stelt dat bij het in te stellen correctiemechanisme ‘de prerogatieven van de nationale parlementen ten volle worden geëerbiedigd’, zich verhoudt tot het parlementair begrotingsrecht, stelde de regering dan ook dat het begrotingsrecht geheel gerespecteerd wordt:
‘Het parlementair begrotingsrecht houdt in dat de regering slechts uitgaven mag doen tot de bedragen en voor de doeleinden die in de door de Staten-Generaal goedgekeurde begrotingen zijn opgenomen. Goedkeuring vindt plaats door het jaarlijks vaststellen van de – eventueel geamendeerde – begrotingswetten. Daartoe dient de regering jaarlijks de begrotingswetsvoorstellen bij de Staten-Generaal in. Bij het opstellen van die wetsvoorstellen houdt de regering rekening met de internationale verplichtingen van ons land, waaronder de verplichtingen die voortvloeien uit het onderhavige verdrag. Ook met het in het verdrag bedoelde correctiemechanisme zal dus rekening worden gehouden. Daartoe worden inmiddels ook de nodige nationale wettelijke voorzieningen voorbereid door middel van de Wet Houdbare overheidsfinanciën (Wet HOF). [...] Als uitwerking van het correctiemechanisme is daarin voorzien in een herstelplan en in de parlementaire betrokkenheid bij dat plan. Over de concrete beleidsmaatregelen wordt, mede aan de hand van de begrotingswetsvoorstellen, jaarlijks door het kabinet in samen-spraak met de beide kamers zelf beslist. Zo nodig wordt daarop een suppletoire begroting (wetsvoorstel) ingediend. Het parlementair begrotingsrecht kan op die wijze dus ten volle worden gerespecteerd.’24