Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/6.3.4
6.3.4 Verlengd eigendomsvoorbehoud
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS474403:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor afstand van eigendomsvoorbehoud HR 28 november 2014, JOR 2015/26, m.nt. S.C.J.J. Kortmann (Snippers q.q./Rabobank Noord Gooiland).
Vgl. HR 14 februari 1992, NJ 1993/623, m.nt. W.M. Kleijn (Hinck/Van der Werff) en HR 14 januari 2011, JOR 2012/34, m.nt. B.A. Schuijling, NJ 2012/88, m.nt. F.M.J. Verstijlen (Mesdag).
De leverancier loopt overigens, evenals een (bancaire) financier, tegen de beperking van art. 3:239 lid 1 BW aan. Zie Verstijlen 2013b over hanteren van een verzamelpandakteconstructie door een leverancier (of zijn brancheorganisatie) ter omzeiling van deze beperking. Zie nr. 250-251 over de rangorde indien zowel de bank als de leverancier gelijktijdig een pandrecht vestigen. De leverancier kan de goederen ook bij voorbaat geleverd krijgen. Vgl. HR 16 mei 1997, JOR 1997/77, m.nt. H.L.E. Verhagen, NJ 1998/585, m.nt. Th.M. de Boer (Hansa).
Zie ook Asser/Van Mierlo & Van Velten 3-VI* 2010/539; Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/967; Spath 2012; en Verheul 2014.
Zie Verstijlen 2006a, p. 1191; en Verheul 2014.
Zie hierover ook Verheul 2014.
Verheul 2014 lijkt in deze richting te neigen.
HR 17 juni 1960, NJ 1962/60 (Helmig/Smit q.q.) en HR 15 maart 1991, NJ 1992/ 605, m.nt. W.M. Kleijn (Veenendaal q.q./Hogeslag).
In deze zin de UNCITRAL Secured Transactions, nr. IX-167 en 168.
Zie nr. 248-249.
Vgl. art. 26 lid 1, slot, Algemene Bankvoorwaarden (2009): “De omvang van de gevraagde zekerheid moet in een redelijke verhouding staan tot de verplichtingen van de cliënt.”
Zie nader Koops 2010, p. 298-301 en 305-306; 320-321.
Dezelfde gedachte ligt ten grondslag aan bijv. art. 1:96 lid 2 BW, 497 lid 3 Rv, 736 lid 3 Rv en § 14.1.4, 21.3 en 22.4 van de Leidraad Invordering 2008. Zie ook MvT Inv., Parl. Gesch. Wijziging Rv e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 218; MvT Inv., Parl. Gesch. Aanpassing BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 56; en HR 26 juni 1998, NJ 1998/745, m.nt. P. van Schilfgaarde (Aerts q.q./ABN Amro).
Vgl. HR 26 juni 1998, NJ 1998/745, m.nt. P. van Schilfgaarde (Aerts q.q./ABN Amro).
Tot een vergelijkbare conclusie komt de UNCITRAL Legislative Guide on Secured Transactions (2010), nr. IX-168 en 169 (recommendation 185, alternative B).
258. Een zuivere samenloop van een dubbele levering bij voorbaat kan zich voordoen bij een zogeheten verlengd eigendomsvoorbehoud. De leverancier die zijn goederen levert onder eigendomsvoorbehoud, behoudt de volledige gerechtigdheid tot het geleverde onder (in de regel opschortende) voorwaarde van voldoening (art. 3:92 BW). Hierdoor kan hij deze goederen als rechthebbende opeisen, wanneer de afnemer niet aan zijn verplichtingen voldoet. Dit recht van de leverancier is in beginsel ook inroepbaar tegen derden die hun rechten op het goed ontlenen aan de afnemer. Indien de afnemer het goed bij voorbaat heeft geleverd, krijgt deze levering pas werking zodra het eigendomsvoorbehoud eindigt en de afnemer aldus het goed (onvoorwaardelijk) verkrijgt. Het eigendomsvoorbehoud kan eindigen doordat de leverancier wordt voldaan ter zake van de verbintenissen waarvoor het is bedongen of indien de leverancier en de afnemer door middel van een daartoe strekkende overeenkomst afstand doen van het voorbehoud.1 Het recht van de leverancier kan echter ook vervallen als gevolg van een (bevoegde) doorverkoop door de afnemer. De afnemer kan op grond van zijn rechtsverhouding met de leverancier (beschikkings) bevoegd zijn om de onder eigendomsvoorbehoud geleverde goederen te vervreemden in de normale uitoefening van zijn bedrijf.2 Tot slot kan de voorbehouden eigendom tenietgaan doordat de afnemer, bijvoorbeeld in een proces van fabricage of assemblage, de geleverde zaken bewerkt, verwerkt of bevestigt aan andere zaken. De eigendom van geleverde zaken kan als gevolg hiervan door zaaksvorming, natrekking of vermenging tenietgaan.
De leverancier kan ter aanvulling zijn eigendomsvoorbehoud ‘verlengen’ tot de vorderingen die de afnemer uit doorverkoop zal verkrijgen en roerende zaken die (mede) het product zullen zijn van de toegeleverde zaken. Dit ‘verlengde eigendomsvoorbehoud’ kan eruit bestaan dat de afnemer de genoemde vorderingen en zaken bij voorbaat verpandt aan de leverancier.3 Deze verpanding bij voorbaat kan samenlopen met een verpanding bij voorbaat ten gunste van een andere financier van de afnemer, zoals de bank die een bedrijfsfinanciering heeft verstrekt of een factormaatschappij die financiert op basis van de vorderingen of voorraad. Op deze dubbele verpanding bij voorbaat is de prioriteitsregel van art. 3:97 lid 2 BW onverkort van toepassing: de eerdere verpanding gaat in rang boven de latere. Dit zal in de regel meebrengen dat de leverancier een tweederangs pandrecht verkrijgt, aangezien de verpanding bij voorbaat ten behoeve van de andere financier doorgaans eerder in tijd zal zijn voltooid.4
259. Verdient de positie van de leverancier bij een verlengd eigendomsvoorbehoud versterking ten opzichte van een eerdere financier die bij voorbaat pandrechten heeft verkregen? De voorstanders vinden een rechtvaardiging daarvoor in de gedachte dat de leverancier eigenlijk nauwer verbonden is met de vordering uit doorverkoop of de geproduceerde nieuwe zaak dan de financier. Immers, zonder de leverancier zou van de doorverkoop of de verwerking van de zaak in het geheel geen sprake zijn geweest.5 Bovendien zou de leverancier – in schril contrast met de bancair financier – in de praktijk geen “adequate zekerheid” kunnen bedingen, zo lijkt de gedachte.
In het Duitse recht heeft in dit verband een rechterlijke correctie plaatsgevonden. Een bank die alle vorderingen bij voorbaat tot zekerheid gecedeerd heeft gekregen (een zogeheten Globalzession) wordt ten aanzien van de doorverkoopvorderingen, ondanks de prioriteitsregel, achtergesteld bij de leverancier die een verlengd eigendomsvoorbehoud heeft bedongen. Dit resultaat wordt echter bereikt door de eerdere zekerheidscessie in bepaalde gevallen nietig te achten wegens strijd met de goede zeden. Door deze nietigheid is van een dubbele levering bij voorbaat geen sprake. De Globalzession kan nietig zijn, indien zij vorderingen omvat die ook in het kader van een verlengd eigendomsvoorbehoud zijn of zullen worden gecedeerd. Hierbij is het overigens van belang of een verlengd eigendomsvoorbehoud een gebruikelijk beding is in de desbetreffende branche. Doordat de bank zich vorderingen laat cederen die eveneens onder een (later) verlengd eigendomsvoorbehoud worden gecedeerd aan de leverancier, verleidt de bank de cedent tot bedrog en contractbreuk in verhouding tot zijn leveranciers, aldus het Bundesgerichtshof.6 In de praktijk hebben banken hun documentatie op deze rechtspraak aangepast en zijn vorderingen die onder een verlengd eigendomsvoorbehoud (zullen) vallen uitgesloten van de cessie.7 Verdient dit Duitse voorbeeld navolging?8 Ik meen van niet. De nietigheidssanctie wegens strijd met de goede zeden is een juridisch-technisch paardenmiddel. Deze nietigheid forceert bovendien een oplossing voor een specifiek probleem bij het gebruik van zekerheidscessies. Anders dan bij een verpanding wordt bij een overdracht tot zekerheid het goed in zijn geheel aan de schuldeiser overgedragen, zodat voor een tweede overdracht tot zekerheid geen plaats is.9 In de samenloop van meerdere zekerheidscessionarissen is het in hun onderlinge verhouding dus alles-of-niets. Tegen deze achtergrondmoet de correctie voor leveranciers worden geplaatst. Bij een meervoudige verpanding van de vordering speelt dit probleem niet. De leverancier krijgt eenvoudigweg een tweederangs pandrecht. Van de nut en noodzaak van een correctie van de onderlinge rang van deze pandrechten, ben ik bovendien niet overtuigd.
De wens om de leverancier een betere zekerheidspositie te verschaffen zou vervuld kunnen worden door een uitzondering te aanvaarden op de prioriteitsregel van art. 3:97 lid 2 BW. Daarvoor biedt de regeling naar mijn opvatting echter geen ruimte. Het verlaten van een duidelijke regel die de onderlinge rangorde bepaalt ten gunste van een regel die is gebaseerd op het criterium van een veronderstelde “nauwste band” tot het zekerheidsobject, lijkt mij daarnaast een hellend vlak. De door financiers, ook van leverancierskrediet, gewenste rechtszekerheid omtrent de omvang en waarde van hun onderpand is daar niet mee gediend. Het risico bestaat dat in een dergelijk stelsel financiers aan dezelfde pandgever minder kredietruimte wensen te verstrekken of slechts tegen hogere kosten, zonder dat dit nadeel voldoende wordt gecompenseerd door betere voorwaarden verbonden aan het leverancierskrediet.10
Daar komt bij dat het in mijn ogen niet noodzakelijk is om het ‘verlengd eigendomsvoorbehoud’ van rechtswege voorrang te verlenen boven een eerder gevestigd pandrecht van een andere financier. Ten eerste kunnen de leverancier en de eerdere financier hun onderlinge rang vrijwillig herschikken ten gunste van de leverancier.11 Indien de leverancier economisch onmisbaar is voor de onderneming van de afnemer, zal ook de financier overtuigd kunnen raken van het belang van een dergelijke rangwisseling voor alle betrokkenen. Een financier kan onder bijzondere omstandigheden op grond van bijvoorbeeld misbruik van bevoegdheid gedwongen worden medewerking te verlenen aan een rangwisseling. Ook zou een dergelijke plicht uit de zorgplicht van de bancair financier ten opzichte van zijn cliënt kunnen voortvloeien.12 De leverancier die geen prioriteit kan bedingen in verhouding tot (een redelijk handelend) financier, bijvoorbeeld omdat hij goederen levert die de afnemer ook elders kan betrekken, verdient naar mijn mening evenmin prioriteit van rechtswege.
Ten tweede komt de leverancier als tweederangs pandhouder een beroep toe op het ‘voorrecht van uitwinning’ van art. 3:234 lid 2 BW.13 Uit deze bepaling volgt dat indien voor een zelfde vordering twee of meer goederen verpand of verhypothekeerd zijn en op één daarvan een beperkt recht rust dat de schuldeiser bij executie niet behoeft te eerbiedigen, de beperkt gerechtigde kan verlangen dat de schuldeiser eerst het andere goed in een executie betrekt.14 Deze subsidiariteitsgedachte brengt mee dat de hoogst gerangschikte pandhouder niet tot uitwinning mag overgaan van de goederen die met een tweederangs pandrecht zijn belast, zolang hij redelijkerwijs op de overige verpande goederen van de schuldenaar verhaal kan nemen. De tweederangs pandhouder kan zo nodig daarvoor in aanmerking komende goederen van de schuldenaar aanwijzen. Daarnaast vloeit uit deze subsidiariteitsgedachte voort dat, indien een aantal verpande goederen van de schuldenaar zijn uitgewonnen en zich daaronder enkele goederen bevonden waarop een tweederangs pandrecht rustte, bij de verdeling van de opbrengst de hoogst gerangschikte pandhouder eerst zoveel mogelijk dient te worden voldaan uit de opbrengst van de goederen waarop geen tweede pandrecht rustte. Pas wanneer die opbrengst niet toereikend is om de eerste pandhouder te voldoen, zal hem zoveel als nodig is worden uitgekeerd uit de opbrengst van de goederen waarop het tweede pandrecht rustte.15 Voor zover redelijkerwijs mogelijk, dient de leverancier als tweederangs pandhouder te worden ontzien door de hoogstgerangschikte pandhouder. Met dit stelsel wordt naar mijn opvatting al voldoende tegemoetgekomen aan het belang van de leverancier om zich te kunnen verhalen op de vorderingen uit doorverkoop van zijn goederen of op de (mede) uit zijn goederen gevormde zaken.
Al met al zie ik onvoldoende gronden om een leverancier met verlengd eigendomsvoorbehoud van rechtswege prioriteit te verlenen boven een eerder bij voorbaat gevestigd pandrecht ten behoeve van een andere schuldeiser. De prioriteitsregel van art. 3:97 lid 2 BW leent zich in dit geval voor onverkorte toepassing.16