Levering en verpanding van toekomstige goederen
Einde inhoudsopgave
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/6.3.2:6.3.2 Overgang van de bron van het toekomstige goed
Levering en verpanding (O&R nr. 90) 2016/6.3.2
6.3.2 Overgang van de bron van het toekomstige goed
Documentgegevens:
mr. B.A. Schuijling, datum 28-01-2016
- Datum
28-01-2016
- Auteur
mr. B.A. Schuijling
- JCDI
JCDI:ADS480539:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
253. Een bijzonder conflict doet zich voor indien een toekomstig goed bij voorbaat wordt geleverd en vervolgens de ‘bron’ van dit toekomstige goed overgaat op een derde. Zo kan men denken aan een verpanding bij voorbaat van de toekomstige natuurlijke vruchten uit een boomgaard, waarna de pandgever deze vruchtdragende grond aan een ander overdraagt of bezwaart met een vruchtgebruik. Een ander, praktischer voorbeeld is de cessie van toekomstige vorderingen uit een bestaande overeenkomst gevolgd door een contractsoverneming of contractsovergang van rechtswege waarbij de positie van de cedent wordt overgenomen door een nieuwe partij. Kan de verkrijger-bij-voorbaat in deze gevallen zijn aanspraak op de toekomstige goederen tegenwerpen aan de verkrijger van de bron daarvan?
Het uitgangspunt is dat een levering bij voorbaat van toekomstige goederen niet kan worden tegengeworpen aan de latere verkrijger van het goed waaruit deze goederen zullen voortspruiten. De uiteindelijke overdracht als gevolg van de levering bij voorbaat is afhankelijk van de verwerving van het geleverde goed door de vervreemder. Doordat de bron van de toekomstige goederen is verplaatst, wordt dit goed niet meer door de vervreemder verkregen. Deze goederen ontstaan onmiddellijk in het vermogen van de verkrijger van de bron. De automatische overdracht van het toekomstige goed als gevolg van de levering bij voorbaat vindt hierdoor niet plaats. De verkrijger-bij-voorbaat blijft met lege handen achter, nu het bij voorbaat geleverde goed simpelweg niet het vermogen van de vervreemder passeert.
De verkrijger-bij-voorbaat kan de eerdere levering bij voorbaat niet tegenwerpen aan degene die het bij voorbaat geleverde goed als gevolg van een bronverplaatsing rechtstreeks in zijn vermogen verkrijgt. Dit strookt ook met de parlementaire geschiedenis van art. 3:9 BW. In het aanvankelijke ontwerp voor art. 3:9 BW stond een bepaling op grond waarvan een overdracht van toekomstige vruchten eerst zou werken ten nadele van latere verkrijgers onder bijzondere titel van het vruchtdragende goed nadat de vereisten voor vestiging van een vruchtgebruik op dat goed zijn vervuld. Dit zou bijvoorbeeld meebrengen dat een cessie bij voorbaat van de toekomstige huur- of pachttermijnen slechts zou werken tegen de latere verkrijger van een verhuurd registergoed, indien de cessie was ingeschreven in de openbare registers.1 Deze bepaling is geen wet geworden. Ten aanzien van (natuurlijke) vruchten zou de bepaling een vruchttrekkingsrecht met zakelijke werking vestigen dat neerkwam op een soort vruchtgebruik dat – anders dan een levering bij voorbaat van de nog niet afgescheiden vruchten als toekomstige zaken – zou kunnen worden ingeroepen tegen de derde aan wie de vruchtdragende zaak vóór de afscheiding van de vruchten mocht zijn vervreemd. Aan een dergelijke figuur bestond in de ogen van de wetgever geen praktische behoefte, naast de mogelijkheid om de nog niet afgescheiden natuurlijke vruchten en de nog niet opeisbare burgerlijke vruchten als toekomstige goederen bij voorbaat te leveren.2 Dat een levering bij voorbaat geen “zakelijke werking” heeft jegens de tussentijds verkrijger van de bron van het geleverde toekomstige goed, blijkt ook uit de parlementaire toelichting op het pandrecht op toekomstige oogst (art. 3:237 lid 4 BW). Het recht van de pandhouder op de te velde staande vruchten of beplantingen is geen zakelijk recht, zodat wanneer de pandgever de grond (of het beperkte recht waaraan hij zijn rechten op de vruchten ontleent) aan een ander zou overdragen, de pandhouder zijn recht niet aan de verkrijger kan tegenwerpen. Hij zal echter met een beroep op de actio Pauliana de geldigheid van de overdracht (met terugwerkende kracht) kunnen aantasten.3
254. Een alternatieve benadering is het verlengen van de prioriteitsregel uit art. 3:97 lid 2 BW naar het conflict tussen een levering bij voorbaat en een overgang van de bron van het toekomstige goed. De overgang van de bron kan dan worden beschouwd als een (verkapte) levering bij voorbaat van de uit die bron voortvloeiende goederen. Zodoende kan het conflict worden “vertaald” naar een dubbele levering bij voorbaat en aan de hand van art. 3:97 lid 2 BW worden opgelost. Voor een dergelijke benadering valt steun te vinden in de rechtspraak van de Hoge Raad. In HR 25 januari 1991, NJ 1992/172 (Van Berkel/Tribosa) overweegt de Hoge Raad in het kader van een overgang van de huurovereenkomst als gevolg van art. 7:226 BW (‘koop breekt geen huur’) dat in de vervreemding van het verhuurde goed ligt besloten de vervreemding van het vorderingsrecht met betrekking tot de huurpenningen. Deze benadering zou ik niet willen uitbreiden naar andere vormen van contractsovergang en andere vormen van bronverplaatsing. Zij miskent dat het toekomstige goed niet als zodanig het object van meerdere concurrerende handelingen is. De levering bij voorbaat van het toekomstige goed concurreert met een handeling ten aanzien van de bron van de vordering. Van een zuivere samenloop is geen sprake. De ‘samenloop’ bevindt zich op ongelijke niveaus. Het egaliseren van dit niveauverschil teneinde het conflict onder de werking van art. 3:97 lid 2 BW te brengen, is naar mijn mening geen voor de hand liggende oplossing. De prioriteit van een eerdere levering bij voorbaat op een latere verplaatsing van de bron van het betrokken toekomstige goed zou ik – zoals hierna aan de orde komt – willen beschouwen als een bijzondere regel van huurrecht (en pachtrecht) die zich niet goed verhoudt met het algemeen vermogensrecht en zich daarom ook niet goed leent voor algemene toepassing.