De grenzen van het recht op nakoming
Einde inhoudsopgave
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/7.3.5.1:7.3.5.1 Inleiding
De grenzen van het recht op nakoming (R&P nr. 167) 2008/7.3.5.1
7.3.5.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. D. Haas, datum 02-12-2008
- Datum
02-12-2008
- Auteur
mr. D. Haas
- JCDI
JCDI:ADS375103:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de vorige paragraaf concludeerde ik dat het verzuimvereiste in geval van ontbinding ook had moeten gelden bij tijdelijke onmogelijkheid. Het onnodig complicerende toerekeningsvereiste dat in het verzuimbegrip zit ingebakken, merkte ik aan als oorzaak van de wettelijke inconsistentie ten aanzien van de tijdelijke onmogelijkheid bij schadevergoeding en ontbinding. Gesteld dat bij tijdelijke onmogelijkheid het verzuimvereiste had gegolden voor zowel het recht op schadevergoeding als ontbinding, hoe had het dan moeten intreden? De verzuimregeling kent drie manieren waarop het verzuim intreedt: via een ingebrekestelling (art. 6:82 lid 1), een aanmaning zonder termijnstelling (art. 6:82 lid 2), of van rechtswege (art. 6:83). De wetgever kiest voor de tweede wijze (art. 6:82 lid 2) bij schadevergoeding in geval van tijdelijke onmogelijkheid. Is dit inderdaad de meest geschikte ingang tot het verzuim bij tijdelijke onmogelijkheid, of is er een beter alternatief?
In par. 7.3.5.2 behandel ik de afgeslankte ingebrekestelling die krachtens art. 6:82 lid 2 in geval van tijdelijke onmogelijkheid het verzuim doet intreden bij omzetting. In par. 7.3.5.3 vraag ik mij af of de gewone ingebrekestelling (art. 6:82 lid 1) niet geschikter was om het verzuim bij tijdelijke onmogelijkheid te doen laten intreden. In par. 7.3.5.4 behandel ik ten slotte de situaties waarin de tijdelijke onmogelijkheid rechtvaardigt dat het verzuim van rechtswege intreedt. In par. 7.3.5.5 sluit ik af met een conclusie.