Einde inhoudsopgave
Splitsing in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (FM nr. 171) 2021/11.4.4.11
11.4.4.11 Standaardvoorwaarde 8: verrekening van verliezen
Mr. dr. G.C. van der Burgt, datum 29-11-2021
- Datum
29-11-2021
- Auteur
Mr. dr. G.C. van der Burgt
- JCDI
JCDI:ADS491640:1
- Vakgebied(en)
Vennootschapsbelasting (V)
Voetnoten
Voetnoten
Wet van 16 december 2000, Stb. 2020, 540 en Koninklijk Besluit van 21 mei 2021, Stb. 2021, 257.
Kamerstukken I 2020/21, 35 572, F, p. 9-10.
Zie onderdeel 11.3.3.
Zie onderdeel 11.4.4.2. Het ‘meegeven’ van verliezen van de splitser vereist dat die verliezen worden verdeeld over de diverse verkrijgers. Dat gaat vooraf aan de toepassing van standaardvoorwaarde 8.
Het begrip onderneming is als volgt gedefinieerd: de vermogensbestanddelen met de daarbij eventueel behorende activiteiten van de desbetreffende rechtspersoon. Zie het Beleidsbesluit NLF 2021/1057, onderdeel 1.1.
Vgl. ook Simonis, MBB 2014/12.2, onderdeel 5.5. Zie voor kritiek op het standpunt van de staatssecretaris ook El Manouzi, noot in NTFR 2021/1601.
Beleidsbesluit V-N 2001/8.1, onderdeel 3 (afsplitsing). Vgl. ook Beleidsbesluit V-N 2001/8.3, onderdeel 3 (juridische fusie).
Brief van 1 april 1998, V-N 1998/18.15, onderdeel 9.
Deze alinea is ontleend aan Van der Burgt & De Vries, WFR 2012/356, onderdeel 6.2.1.
Zie ook Bouwman & Boer 2019, onderdeel 7C.2.3.3 en Van der Burgt 2009, onderdeel 4.2.2.2, p. 106.
Vgl. ook Brandsma & De Vries 2001, onderdeel 3.4.3.3, p. 92.
Ik wijs erop dat standaardvoorwaarde 8, lid 4 voorschrijft dat voorsplitsingsverliezen slechts kunnen worden verrekend met nasplitsingswinsten die door middel van de winstsplitsing zijn toegerekend aan de oorspronkelijke onderneming of de overgenomen onderneming. Deze systematiek houdt in dat slechts de winst die toerekenbaar is aan één van de diverse te onderscheiden ondernemingen, vatbaar is voor verrekening met voorsplitsingsverliezen.
De nasplitsingswinsten zouden voor een gelijk gedeelte kunnen worden toegerekend aan de oorspronkelijke onderneming en de overgenomen onderneming of naar rato van de bijdrage die de desbetreffende onderneming in het jaar levert aan de totale nasplitsingswinst van de verkrijger. Uiteraard zijn ook andere varianten mogelijk.
Vgl. ook Van der Burgt 2009, onderdeel 4.2.2.8, p. 126-127.
Betoogd kan worden dat deze benadering op gespannen voet staat met het uitgangspunt dat een fiscaal gefaciliteerde zuivere splitsing niet mag leiden tot ruimere mogelijkheden om voorsplitsingsverliezen te verrekenen. Beseft moet echter worden dat met betrekking tot deze nieuwe activiteiten geen historisch verband kan worden gelegd met de – als gevolg van de zuivere splitsing – in de verkrijgende rechtspersoon verenigde ondernemingen. Daarom is het onduidelijk of en in hoeverre deze winstgevende nieuwe activiteiten ook zouden zijn opgestart als géén zuivere splitsing zou hebben plaatsgevonden. Als deze activiteiten ook zonder de splitsing opgestart zouden zijn, dan is bovendien onduidelijk bij welke rechtspersoon dit zou zijn gebeurd en of die rechtspersoon al dan niet over verliesaanspraken beschikt. Gelet op al deze onduidelijkheden in onderlinge samenhang bezien, is de door mij voorgestane benadering alleszins aanvaardbaar.
Zie over onderlinge huur-verhuurrelaties ook de Brief van 29 april 1998, V-N 1998/24.10.
Zie hierover ook Simonis & Van der Velden in: Simonis e.a. 2019, onderdeel 13.5.1.6, p. 398.
Deze alinea is vrijwel geheel ontleend aan Van der Burgt & De Vries, WFR 2012/356, onderdeel 6.2.2. Zie over dit onderwerp ook bijvoorbeeld De Vries 1998, onderdeel 4.3.4.2, p. 201, Van den Brande-Boomsluiter 2004, onderdeel 4.8.4, p. 132, Vernoij & Huidink 2006, onderdeel 4.3.1.3.1, p. 34, Van der Burgt 2009, onderdeel 4.2.2.2, p. 107-108, Bouwman & Boer 2019, onderdeel 7C.2.3.3 en Van Horzen 2020, onderdeel 10.2.2, p. 158.
Vgl. ook De Vries 1998, onderdeel 4.3.4.2, p. 201.
Art. 15ah, lid 1, Wet VPB 1969 bevat een vergelijkbare passage. Die passage wordt echter gevolgd door de woorden ‘met inachtneming van het tweede en derde lid’. In art. 15ah, lid 2, Wet VPB 1969 is vervolgens een apart voorschrift gewijd aan het schuiven met vermogensbestanddelen binnen fiscale eenheid. Zo’n voorschrift ontbreekt in standaardvoorwaarde 8 en de toelichting bevat hierover geen opmerkingen. Dit terwijl over onderlinge rechtsverhoudingen die als gevolg van de zuivere splitsing tenietgaan door de staatssecretaris wél een opmerking is gemaakt (zie hiervóór). De vraag is echter op welke wijze de woorden ‘voor zover deze als zodanig bij de verkrijgende rechtspersoon tot uitdrukking komt’ in standaardvoorwaarde 8 moeten worden geïnterpreteerd. De staatssecretaris nam onder het tot 2003 geldende fiscale-eenheidsregime namelijk het standpunt in dat rekening moest worden gehouden met onderlinge ‘transacties’ tussen in dezelfde fiscale eenheid gevoegde maatschappijen. Dit terwijl destijds in standaardvoorwaarde 3a werd geëist dat winst bij de fiscale eenheid als geheel tot uitdrukking moest komen en in de destijds geldende standaardvoorwaarden geen bepaling was opgenomen zoals art. 15ah, lid 2, Wet VPB 1969. Zie het Beleidsbesluit BNB 1991/329, onderdeel 5.1. Zie hierover ook Kok 2005, onderdeel 8.8.5, p. 257.
Dit is de onderneming die het intern verschoven vermogensbestanddeel heeft overgenomen.
De Vries 1998, onderdeel 4.3.4.2, p. 202-204.
Dit is de onderneming waartoe het intern verschoven vermogensbestanddeel oorspronkelijk behoorde.
Ervan uitgaande dat zonder zo’n vervreemding geen rekening wordt gehouden met ‘onderlinge transacties’ tussen de ondernemingen die zijn verenigd in de verkrijgende rechtspersoon (zie hiervóór).
In onderdeel 12.6.5 kom ik hierop terug.
Zie hierover ook bijvoorbeeld Hofman & Borggreven, WFR 2007/311, onderdelen 3.3 t/m 3.5.
Zie onderdeel 11.4.4.15.
Ik verwijs naar het Beleidsbesluit NLF 2021/1057, onderdeel 5.2 en bijlage 6.
Als uitgangspunt geldt dat de winst zoveel mogelijk meegaat met de vermogensbestanddelen die deze hebben veroorzaakt (causale allocatie).
De vergelijkbare regeling voor achterwaartse verliesverrekening bij afsplitsingen bevat wel zo’n salderingsregel. Zie Beleidsbesluit NLF 2021/1058, bijlage 6 (voorwaarde 2, lid 3).
Standaardvoorwaarde 8 luidt als volgt:
“1. Voor de toepassing van artikel 20 Wet Vpb 1969 op vóór het splitsingstijdstip geleden verliezen door de verkrijgende rechtspersoon vindt verrekening plaats met inachtneming van de volgende leden.
2. De winst van de verkrijgende rechtspersoon wordt elk jaar gesplitst in een deel dat betrekking heeft op de vóór het splitsingstijdstip door de verkrijgende rechtspersoon gedreven onderneming en een deel dat betrekking heeft op de door de splitsende rechtspersoon aan de verkrijgende rechtspersoon overgedragen onderneming (hierna: winstsplitsing). Deze winstsplitsing vindt plaats alsof de zuivere splitsing niet heeft plaatsgevonden, waarbij slechts winst aan een onderneming kan worden toegerekend voor zover deze als zodanig bij de verkrijgende rechtspersoon tot uitdrukking komt.
3. Als de winst van de verkrijgende rechtspersoon positief is, wordt het aldus uit bovenstaande winstsplitsing eventueel voortvloeiende negatieve deel, voor zoveel mogelijk, in mindering gebracht op het positieve deel.
4. De vóór het splitsingstijdstip geleden verliezen van de verkrijgende rechtspersoon worden slechts verrekend met het overeenkomstig het tweede en derde lid bepaalde deel van de winst van de verkrijgende rechtspersoon dat betrekking heeft op de vóór het splitsingstijdstip door de verkrijgende rechtspersoon gedreven onderneming, behalve voor zover de verrekening van deze verliezen uit anderen hoofde is beperkt.
5. Als de aanspraak op verrekening van verliezen van de splitsende rechtspersoon overgaat op de verkrijgende rechtspersoon, worden deze verliezen slechts verrekend met het overeenkomstig het tweede en derde lid bepaalde deel van de winst van de verkrijgende rechtspersoon dat betrekking heeft op de vóór het splitsingstijdstip door de splitsende rechtspersoon gedreven onderneming, behalve voor zover de verrekening van deze verliezen uit anderen hoofde is beperkt.”
Opmerking vooraf
Met ingang van 2022 veranderen de regels voor verliesverrekening in de Wet VPB 1969.1 De termijn voor achterwaartse verliesverrekening blijft één jaar, maar de voorwaartse verliesverrekening zal niet langer aan een termijn gebonden zijn. Daarnaast wordt een temporiseringsmaatregel ingevoerd. Voor zover de belastbare winst of het Nederlands inkomen in een jaar meer bedraagt dan € 1 miljoen, zal slechts de helft daarvan beschikbaar zijn voor verrekening met verliezen uit andere jaren. De andere helft wordt per definitie belast met vennootschapsbelasting. In de wetsgeschiedenis is aangekondigd dat de onderhavige standaardvoorwaarde zal worden aangepast. Dit om de wijze van toerekening van de franchise van € 1 miljoen te regelen.2 Dit blijft hierna onbesproken.
De achtergrond van standaardvoorwaarde 8
De aanwezigheid van verliesaanspraken bij één of meer splitsingspartners zorgt ervoor dat de splitsing alleen fiscaal gefaciliteerd kan plaatsvinden op verzoek.3 Standaardvoorwaarde 8 regelt vervolgens de wijze waarop de op het splitsingstijdstip nog te verrekenen verliezen (voorsplitsingsverliezen) worden verrekend met de na dat tijdstip door de verkrijger behaalde winsten (nasplitsingswinsten). Deze carry forward-regels gelden niet alleen als de verkrijger beschikt over voorsplitsingsverliezen, maar ook als de voorsplitsingsverliezen van de splitser op grond van de eerder besproken goedkeuring zijn overgegaan naar de verkrijgers.4 Standaardvoorwaarde 8 moet per verkrijgende rechtspersoon worden toegepast. Hierbij is het uitgangspunt dat de verrekening van voorsplitsingsverliezen uitsluitend mogelijk is met nasplitsingswinsten van de verkrijger die zijn toe te rekenen aan de vermogensbestanddelen met de daarbij eventueel behorende activiteiten die de verliezen in het verleden hebben veroorzaakt. Dit wordt bewerkstelligd door winstsplitsing voor te schrijven (zie hierna).
De werking van standaardvoorwaarde 8
De regels in standaardvoorwaarde 8 zijn aanvullingen op de buitenjaarse verliesverrekeningsregels van art. 20 Wet VPB 1969 en gaan over de verrekening van voorsplitsingsverliezen met nasplitsingswinsten. Op grond van standaardvoorwaarde 8, lid 2 dient de nasplitsingswinst van de verkrijgende rechtspersoon ieder jaar te worden gesplitst in een deel dat betrekking heeft op diens al vóór het splitsingstijdstip gedreven onderneming (oorspronkelijke onderneming) en een deel dat samenhangt met de van de zuiver splitsende rechtspersoon overgenomen onderneming.5 Bij deze winstsplitsing moet worden gedaan alsof de zuivere splitsing niet heeft plaatsgevonden. Daarbij kan slechts winst aan de twee ondernemingen worden toegerekend voor zover deze als zodanig tot uitdrukking komt bij de verkrijger. Het totaalbedrag dat wordt toebedeeld aan de ondernemingen komt overeen met de nasplitsingswinst van de verkrijger als geheel. Dit winstsplitsingsritueel wordt na het splitsingstijdstip herhaald zolang de voorsplitsingsverliezen niet volledig zijn verrekend. Op de winstsplitsing en de vraagpunten die daarbij spelen, kom ik verderop uitgebreider terug. Het resultaat dat toerekenbaar is aan één van de twee in de verkrijgende rechtspersoon verenigde ondernemingen kan negatief zijn. Standaardvoorwaarde 8, lid 3 bepaalt voor die gevallen dat dit negatieve deel in mindering wordt gebracht op het positieve deel dat aan de andere onderneming is toebedeeld. Hiermee is bereikt dat de binnenjaarse verliessaldering voorafgaat aan de buitenjaarse verliesverrekening. Het sluitstuk van de exercitie is de buitenjaarse verrekening van de voorsplitsingsverliezen. Standaardvoorwaarde 8, lid 4 bevat een voorschrift voor de voorsplitsingsverliezen van de verkrijgende rechtspersoon. Deze verliezen kunnen worden verrekend met het deel van de nasplitsingswinst dat betrekking heeft op de vóór het splitsingstijdstip door de verkrijger gedreven onderneming. Standaardvoorwaarde 8, lid 5 bevat een vergelijkbaar voorschrift voor de voorsplitsingsverliezen van de splitser die door de verkrijger zijn overgenomen. Hiermee is bereikt dat de buitenjaarse verliesverrekening over het splitsingstijdstip heen ‘enkelsporig’ plaatsvindt.
Ik illustreer de werking van standaardvoorwaarde 8 met een voorbeeld. Op 1 januari van jaar 1 komt een fiscaal gefaciliteerde zuivere splitsing tot stand met S als de splitser en V1 en V2 als de verkrijgers. V1 beschikt over een voorsplitsingsverlies van 80 uit het jaar voorafgaand aan de zuivere splitsing. Dit voorbeeld gaat over de toepassing van standaardvoorwaarde 8 op V1 in de nasplitsingsjaren 1 t/m 3.
Jaar 1
Jaar 2
Jaar 3
Oorspronkelijke onderneming
10
70
40
Overgenomen onderneming
20
-40
30
Belastbare winst V1
30
30
70
In jaar 1 behaalt V1 met de oorspronkelijke onderneming een winst van 10. Het voorsplitsingsverlies van 80 kan daarom voor 10 worden gecompenseerd. Het belastbaar bedrag in jaar 1 is 20 en het resterende voorsplitsingsverlies bedraagt 70 (80 -/- 10). In jaar 2 realiseert V1 met de oorspronkelijke onderneming een winst van 70 en met de overgenomen onderneming een verlies van 40. Door de binnenjaarse verliessaldering kan V1 het resterende voorsplitsingsverlies van 70 (slechts) voor 30 verrekenen. Het belastbaar bedrag in jaar 2 bedraagt nihil en het resterende voorsplitsingsverlies is 40 (70 -/- 30). In jaar 3 wordt dit restant geheel verrekend. Met de oorspronkelijke onderneming wordt namelijk (exact) een winst van 40 behaald en binnenjaarse verliessaldering speelt niet. Het belastbaar bedrag in jaar 3 is 30.
Bijzondere situaties
In standaardvoorwaarde 8, lid 4 en lid 5 is bepaald dat de buitenjaarse verliesverrekening niet aan de orde is, voor zover die verrekening uit anderen hoofde is beperkt. In de toelichting wordt ingegaan op de situatie waarin de verkrijgende rechtspersoon met voorsplitsingsverliezen vóór de zuivere splitsing als moedermaatschappij was gevoegd in een fiscale eenheid, waarna deze fiscale eenheid is beëindigd. Beschikt deze gewezen fiscale-eenheidsmoedermaatschappij over voorvoegingsverliezen, dan kan art. 15ag Wet VPB 1969 de verrekening daarvan met winsten van na het beëindigingstijdstip beperken. Zo’n beperking werkt door naar de toepassing van standaardvoorwaarde 8. Hoewel het voorbeeld in de toelichting is toegespitst op de verkrijger, kan ook de splitser een voormalige moedermaatschappij van een fiscale eenheid zijn voor wie art. 15ag Wet VPB 1969 geldt. Als de voorsplitsingsverliezen van deze splitser zijn meegegeven aan de verkrijger, dan werkt de verliesverrekeningsbeperking van art. 15ag Wet VPB 1969 ook door naar standaardvoorwaarde 8.
De voorsplitsingsverliezen van de verkrijger en/of de splitser kunnen kwalificeren als ‘houdsterverliezen’ als bedoeld in art. 20, lid 4 t/m 6, Wet VPB 1969 (wettekst 2018). Hoewel de regeling voor dergelijke bijzondere verliezen met ingang van 1 januari 2019 is afgeschaft, bevat art. 34i Wet VPB 1969 overgangsrecht voor houdsterverliezen die zijn geleden vóór de aanvang van het eerste boekjaar dat aanvangt op of na 1 januari 2019. Houdsterverliezen zijn slechts verrekenbaar met houdsterwinsten. Dit zijn winsten in jaren waarin de belastingplichtige – kort gezegd – ook kwalificeert als ‘houdster- en/of financieringsmaatschappij’. De vraag rijst op welke wijze deze toets na een fiscaal gefaciliteerde splitsing moet worden aangelegd op het niveau van de verkrijgende rechtspersoon. In de toelichting op standaardvoorwaarde 8 wordt hierop ingegaan. Volgens de staatssecretaris moet dit worden getoetst bij de verkrijger als geheel. Hij wijst erop dat standaardvoorwaarde 8 bepaalt dat bestaande beperkingen in stand blijven. Zijn belangrijkste argument is echter dat deze standaardvoorwaarde pas aan de orde komt als zonder toepassing ervan aanspraak bestaat op verrekening van een voorsplitsingsverlies. Bestaat geen recht op verrekening, dan is standaardvoorwaarde 8 volgens de staatssecretaris niet van toepassing. Naar mijn mening kan hier heel goed anders over worden gedacht. In die alternatieve benadering wordt de toets aangelegd op het niveau van de onderneming zoals deze vóór het splitsingstijdstip werd gedreven door de rechtspersoon met voorsplitsingshoudsterverliezen. Dit sluit aan bij het uitgangspunt van de winstsplitsing, te weten dat wordt gedaan alsof de splitsing niet heeft plaatsgevonden.6
De winstsplitsing meer in detail
Het toerekenen van nasplitsingswinst aan de ondernemingen en nieuwe activiteiten
Het gaat bij de winstsplitsing van standaardvoorwaarde 8, lid 2 concreet om het toerekenen van de nasplitsingswinst van de verkrijgende rechtspersoon aan zijn oorspronkelijke onderneming en aan de van de zuivere splitsende rechtspersoon overgenomen onderneming. De inspecteurs moeten bij deze winstsplitsing in de praktijk een zekere soepelheid in acht nemen. Het voorheen geldende beleidsbesluit over fiscaal gefaciliteerde afsplitsingen bevatte daarnaast nog de volgende passage:7
“Voor de winstsplitsing zullen, indien de bij de afsplitsing betrokken ondernemingen in de praktijk reeds als min of meer zelfstandige onderdelen hebben gefunctioneerd, veelal in de bedrijfsvoering voldoende aangrijpingspunten te vinden zijn. Veelal zal dit aan de hand van filiaalboekhoudingen dan wel budgetten mogelijk zijn. Indien de winstsplitsing desalniettemin tot grote problemen leidt, kan worden getracht met de inspecteur tot een forfaitaire verdeelsleutel te komen.”
Deze passage ontbreekt in het beleidsbesluit zuivere splitsing, maar dat betekent niet dat nu een andere koers wordt gevaren. Integendeel, de oorsprong van de geciteerde opmerkingen is namelijk een brief van de staatssecretaris met antwoorden op vragen van Tweede Kamerleden tijdens de parlementaire behandeling van de splitsingswetgeving die per 1 februari 1998 in werking is getreden.8
In de toelichting op de huidige standaardvoorwaarde 8 wordt verder nog aangegeven dat het begrip onderneming niet statisch is en dat nieuwe activiteiten zoveel mogelijk in historisch perspectief moeten worden geplaatst.9 Ik leid hieruit af dat nasplitsingswinsten die worden behaald met nieuwe activiteiten die historisch beschouwd in het verlengde liggen van de oorspronkelijke onderneming of de overgenomen onderneming, verplicht en in totaliteit aan de betreffende onderneming moeten worden toegerekend. Het lijkt mij echter goed mogelijk dat van bepaalde, door de verkrijgende rechtspersoon na het splitsingstijdstip nieuw opgestarte activiteiten niet objectief en historisch vastgesteld kan worden of deze samenhangen met (of in het verlengde liggen van) de oorspronkelijke onderneming van de verkrijgende rechtspersoon of juist met de van de splitsende rechtspersoon overgenomen onderneming.10 De vervolgvraag is of nasplitsingswinsten die samenhangen met deze categorie nieuwe activiteiten ook verplicht moeten worden toegerekend aan de oorspronkelijke of de overgenomen onderneming. De toelichting op standaardvoorwaarde 8 laat zich hier niet expliciet over uit. Naar mijn mening ligt zo’n verplichte toerekening echter wel zeer voor de hand.11 Een andere benadering leidt namelijk tot een onnodige beperking van de verliesverrekening over het splitsingstijdstip. Als namelijk geen toerekening van nasplitsingswinsten aan de in de verkrijgende rechtspersoon samengebrachte ondernemingen plaatsvindt, kunnen deze nasplitsingswinsten niet worden benut ter compensatie van de aanwezige voorsplitsingsverliezen.12 Dat zou niet alleen onbevredigend, maar ook onnodig zijn. Voor het vervolg ga ik er dan ook vanuit dat de resultaten die zijn behaald met deze categorie nieuwe activiteiten verplicht moeten worden toegerekend. De vervolgvraag is op welke wijze die toerekening cijfermatig moet plaatsvinden. Vooropgesteld moet worden dat iedere manier van toerekening in meer of mindere mate arbitrair is. Onder verwijzing naar het argument van de eenvoud zou de gedachte kunnen opkomen deze nasplitsingswinsten door middel van een bepaalde verdeelsleutel te verdelen over de ondernemingen die in de verkrijger zijn verenigd.13 Ik pleit evenwel voor een andere benadering, die inhoudt dat de verkrijgende rechtspersoon deze nasplitsingswinsten jaarlijks – en zonder noodzakelijke, bestendige gedragslijn – naar eigen inzicht mag toerekenen aan de oorspronkelijke onderneming en/of aan de overgenomen onderneming.14 Dit pleidooi conflicteert niet met de eerder in dit onderdeel besproken ratio van standaardvoorwaarde 8. Het gaat hier namelijk over nasplitsingswinsten die afkomstig zijn uit na de zuivere splitsing opgestarte nieuwe activiteiten die niet objectief en historisch te herleiden zijn tot de oorspronkelijke onderneming of de overgenomen onderneming.15 Gelet op de fiscaaltechnische toets dient het voorgaande te worden vastgelegd in de toelichting op standaardvoorwaarde 8.
Onderlinge rechtsverhoudingen
De winstsplitsing moet ook worden toegepast op rechtsverhoudingen die als gevolg van de zuivere splitsing teniet zijn gegaan. Voorbeelden zijn onderlinge vordering-schuldverhoudingen, onderlinge royaltybetalingen en onderlinge huur-verhuurrelaties.16 Het behoeft volgens mij geen betoog dat dit de winstsplitsing compliceert. In werkelijkheid bestaat de onderlinge rechtsverhouding na de splitsing immers niet (meer), zodat een direct vóór de splitsing bestaande situatie als het ware wordt bevroren.17 Hoewel kan worden gesteld dat dit in lijn is met het uitgangspunt dat bij de winstsplitsing wordt gedaan alsof de splitsing niet heeft plaatsgevonden, is volgens mij op dit punt een uitzondering op zijn plaats.
Onderlinge ‘transacties’ die plaatsvinden na het splitsingstijdstip
Met betrekking tot de winstsplitsing zoals voorgeschreven in standaardvoorwaarde 8, lid 2 is onduidelijk hoe moet worden omgegaan met onderlinge ‘transacties’ die plaatsvinden na het splitsingstijdstip.18 Denk hierbij aan civielrechtelijk niet te onderscheiden ‘verschuivingen’ van vermogensbestanddelen binnen de verkrijgende rechtspersoon maar tussen de daarin verenigde oorspronkelijke en overgenomen onderneming. Wanneer vermogensbestanddelen op dergelijke wijze worden ‘verschoven’, ontbreekt fiscale winstrealisatie. Eventuele fiscale meerwaarden komen namelijk pas tot uitdrukking bij een (latere) vervreemding aan derden. De onduidelijkheid behelst concreet de vraag of met betrekking tot dergelijke onderlinge transacties winstsplitsing dient plaats te vinden. Bij het fiscale-eenheidsregime is dat wel het geval.19 Er bestaat echter een in dit kader belangrijk onderscheid tussen het fiscale-eenheidsregime en een zuivere splitsing. Een overdracht van een vermogensbestanddeel tussen lichamen die deel uitmaken van dezelfde fiscale eenheid vormt in civielrechtelijke zin een echte transactie tussen twee afzonderlijke lichamen. Door de fictie van art. 15, lid 1, Wet VPB 1969 wordt deze transactie echter fiscaalrechtelijk genegeerd. In het geval van een zuivere splitsing ligt dit anders. Wordt na een zuivere splitsing een vermogensbestanddeel ‘verschoven’ tussen de ondernemingen die in de verkrijger zijn samengebracht, dan gebeurt dit binnen één lichaam. Civielrechtelijk is geen transactie te onderscheiden. Naar mijn mening rechtvaardigt dit onderscheid een benadering die afwijkt van de wijze waarop binnen het fiscale-eenheidsregime met deze problematiek wordt omgegaan.20 Ik wijs er daarnaast op dat standaardvoorwaarde 8, lid 2 bepaalt dat slechts winst aan een onderneming kan worden toegerekend, voor zover deze winst als zodanig bij de verkrijger tot uitdrukking komt. Dat is met betrekking tot de hier bedoelde ‘transacties’ niet het geval.21 Gelet op het voorgaande meen ik dat met onderlinge ‘transacties’, zoals het ‘verschuiven’ van vermogensbestanddelen, geen rekening dient te worden gehouden bij de winstsplitsing van standaardvoorwaarde 8, lid 2. De fiscaaltechnische toets verplicht de staatssecretaris hierover duidelijkheid te verschaffen in de toelichting op standaardvoorwaarde 8.
Een vervolgvraag is wat er voor winstsplitsingsdoeleinden moet gebeuren als de ‘overnemende onderneming’22 het ‘intern verschoven’ vermogensbestanddeel met een boekwinst overdraagt aan een derde. De Vries heeft aan dit onderwerp aandacht besteed in de context van fiscaal gefaciliteerde juridische fusies.23 Hij bepleit dat de fiscale meerwaarde die op het moment van de ‘interne verschuiving’ zit opgesloten in het vermogensbestanddeel, bij de latere externe vervreemding wordt toegerekend aan de ‘overdragende onderneming’24. Mocht de fiscale meerwaarde bij de vervreemding groter zijn dan de fiscale meerwaarde op het ‘schuifmoment’, dan wordt dat meerdere toegerekend aan de ‘overnemende onderneming’. Als de fiscale boekwinst bij de vervreemding aan de derde lager is dan de fiscale meerwaarde op het ‘schuifmoment’, acht De Vries twee benaderingen pleitbaar: (a) de gehele gerealiseerde boekwinst wordt toegerekend aan de ‘overdragende onderneming’ of (b) de fiscale meerwaarde op het ‘schuifmoment’ wordt toegerekend aan de ‘overdragende onderneming’ en aan de ‘overnemende onderneming’ wordt een boekverlies toegerekend. Ik kan het betoog van De Vries goed volgen. Tegelijkertijd kan worden geconstateerd dat die benadering als effect heeft dat het voor de winstsplitsing verschil maakt of het ‘verschoven’ vermogensbestanddeel na deze ‘schuiftransactie’ al dan niet wordt vervreemd aan een derde.25 Alleen als dat gebeurt, komt de fiscale meerwaarde op het ‘schuifmoment’ uiteindelijk tot uitdrukking bij de ‘overdragende onderneming’. Zonder vervreemding is dat niet het geval. Dat heeft iets willekeurigs. Ook hierover zou de staatssecretaris duidelijkheid moeten verschaffen in de toelichting op standaardvoorwaarde 8.
Afsluiting
Het lijkt mij niet controversieel te concluderen dat de winstsplitsingsregels te veel onduidelijkheden bevatten, in hun uitwerking complex zijn en veel vergen van de (administratie van de) verkrijger.26
Achterwaartse verliesverrekening (carry back)
Standaardvoorwaarde 8 gaat uitsluitend over de verrekening van voorsplitsingsverliezen met nasplitsingswinsten en niet – omgekeerd – over de verrekening van nasplitsingsverliezen met voorsplitsingswinsten. Dit onderdeel is volgens mij echter wel de meest logische plaats om die problematiek te behandelen.
De verrekening van nasplitsingsverliezen van de verkrijger met diens eigen voorsplitsingswinsten
In het geval van een fiscaal gefaciliteerde zuivere splitsing gelden in beginsel geen additionele (buitenwettelijke) regels voor het verrekenen van nasplitsingsverliezen van de verkrijger met diens eigen voorsplitsingswinsten (achterwaartse verliesverrekening), dus geen winstsplitsing en geen ‘enkelsporige’ buitenjaarse verliesverrekening. Nasplitsingsverliezen die worden behaald met de (van de splitser) overgenomen onderneming zijn daarom in de basis achterwaarts te compenseren met voorsplitsingswinsten van de verkrijger.27 Hierbij moet worden bedacht dat de carry back-termijn op dit moment slechts één jaar is. Dit kan dus alleen aan de orde zijn in het eerste nasplitsingsjaar. Verder zijn de mogelijkheden niet onbegrensd aangezien standaardvoorwaarde 12 van toepassing kan zijn.28
De verrekening van nasplitsingsverliezen van de verkrijger met het winstverleden van de splitser
Realiseert een verkrijgende rechtspersoon na het splitsingstijdstip verliezen, dan zijn deze verliezen op de reguliere wijze verrekenbaar met nasplitsingswinsten. Daarnaast bestaat de hiervoor besproken mogelijkheid van carry back met eigen voorsplitsingswinsten. Een derde mogelijkheid is het verrekenen van nasplitsingsverliezen met het winstverleden van de splitsende rechtspersoon. Hierbij dient echter te worden bedacht dat het zonder tegemoetkomende regeling niet mogelijk is om nasplitsingsverliezen van de verkrijger te compenseren met voorsplitsingswinsten van de splitser. Bij een zuivere splitsing houdt de splitsende rechtspersoon immers op te bestaan waardoor zijn winstverleden in beginsel niet meer benaderbaar is. Het beleidsbesluit zuivere splitsing bevat echter een goedkeurende regeling. Op verzoek en onder voorwaarden keurt de staatssecretaris goed dat een nasplitsingsverlies van een verkrijgende rechtspersoon kan worden verrekend met voorsplitsingswinsten van de splitsende rechtspersoon. Hiervoor gelden enkele nadere voorwaarden.29 De verrekening van nasplitsingsverliezen van de verkrijger met voorsplitsingswinsten van de (verdwenen) splitser is in grote mate (mutatis mutandis) vergelijkbaar met hetgeen standaardvoorwaarde 8 bepaalt met betrekking tot de verrekening van voorsplitsingsverliezen over het splitsingstijdstip heen. Ik volsta dan ook met een paar korte opmerkingen. De eerste stap is de verdeling van het winstverleden van de splitser over de diverse verkrijgers.30 De compensatie van nasplitsingsverliezen van een bepaalde verkrijger met voorsplitsingswinsten van de splitser heeft hierdoor een absolute bovengrens in de vorm van de aan de desbetreffende verkrijger toebedeelde voorsplitsingswinst. Vervolgens is een winstsplitsing voorgeschreven waarna enkelsporige achterwaartse verliesverrekening over het splitsingstijdstip volgt. In aanvulling hierop gelden voorschriften die een dam opwerpen tegen dubbele verliesverrekening. Is een nasplitsingsverlies van de verkrijger namelijk al verrekend met diens eigen winsten, dan kan niet van deze goedkeurende regeling gebruik worden gemaakt (voorwaarde 2c). Wordt daarentegen gebruikgemaakt van de onderhavige mogelijkheid nasplitsingsverliezen van de verkrijger te verrekenen met het aan die verkrijger toebedeelde winstverleden van de splitser, dan is het (uiteraard) niet mogelijk om hetzelfde nasplitsingsverlies te verrekenen met eigen winsten van de verkrijger (voorwaarde 2d). Wat opvalt, is dat in de voorwaarden een binnenjaarse verliessalderingsregel ontbreekt. Dat lijkt een omissie.31