Einde inhoudsopgave
Intellectuele eigendom in het conflictenrecht (R&P nr. IE1) 2009/5.3.3.b.v
5.3.3.b.v In-, uit- en doorvoer
mr. S.J. Schaafsma, datum 25-06-2009
- Datum
25-06-2009
- Auteur
mr. S.J. Schaafsma
- JCDI
JCDI:ADS465283:1
- Vakgebied(en)
Intellectuele-eigendomsrecht / Algemeen
Internationaal privaatrecht / Conflictenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Een semantische opmerking terzijde: de verplaatsing van de producten van het ene naar het andere land kan men als grensoverschrijdende handeling noemen. Maar aangezien de nationale intellectuele-eigendomswetten alleen toepasselijk zijn op handelingen in het eigen territoir, valt die grensoverschrijdende verplaatsingshandeling in twee relevante deelhandelingen uiteen: uitvoer uit het ene land, en invoer in het andere land.
Iets anders is dat in zo'n geval wel een onrechtmatige-daadsactie denkbaar is. Alsdan moet eerst— bij wijze van voorvraag — aan de hand van de Nederlandse lex loci protectionis worden beoordeeld of de invoer in Nederland van deze producten een inbreuk vormt op het betrokken Nederlandse octrooirecht, en moet vervolgens aan de hand van de lex loci delicti — in het voorbeeld Belgisch recht — worden beoordeeld of het onrechtmatig is om in België handelingen te verrichten die zijn gericht op deze inbreuk op een Nederlands octrooi in Nederland (anders, en onjuist: Bodenhausen 1946, p. 17-18). Denkbaar is dat een lex loci delicti een desbewuste, systematische en bedrijfsmatige ondermijning van een vreemd intellectuele-eigendomsrecht (piraterij) als een onrechtmatige daad bestempelt. Overigens — zo wordt hier terzijde opgemerkt — is denkbaar dat de onderhavige onrechtmatige daad wordt beoordeeld door een ander rechtsstelsel dan de lex loci delicti. Dat kan het geval zijn indien het conflictenrecht van de aangezochte rechter een ander rechtsstelsel aanwijst op grond van bijvoorbeeld de rechtsgevolgen-uitzondering, accessoire aanknoping of een rechtskeuze. Er zijn dus omstandigheden denkbaar waaronder het gegeven voorbeeld geheel naar Nederlands recht wordt beoordeeld.
Art. 53 lid 1 Rijksoctrooiwet 1995. 'Invoeren' is in 1987 in de toenmalige octrooiwet ingevoerd. Voor die tijd werd in dit verband gebruik gemaakt van een extensieve intepretatie van het begrip 'in het verkeer brengen', zie Huydecoper & Van Nispen 2002, p. 227-228. Zie ook Raape 1950, p. 414; Van Nispen 1999, p. 283, nr. 733.
Dit geldt ook voor bijvoorbeeld de vervaardiging van voor een geoctrooieerde combinatie essentiële onderdelen die in het buitenland worden geassembleerd (zie Ulmer 1975, p. 14-15). In dit verband dient men te waken voor bemoeienis met handelingen die in het buitenland plaatsvinden, want dan is sprake van extra-territoriale werking; zie US Supreme Court 30 april 2007, 550 U.S. 437 (2007); GRUR Int. 2007, p. 768-771 (Microsoft/AT&T Corp.), in welke zaak het hof terecht extra-territoriale werking (van 35 U.S.C. § 271 onder 0 afwees. Vgl. voorts (merkenrecht); HR 4 januari 1963, NJ 1963, 37 m.nt. HB (Terimpex/Eerste Geldersche).
Zie bijvoorbeeld BGH 3 maart 2004, GRUR 2004, p. 421-427 (Tonträgerpiraterie durch CD-Export) (waarbij een uitzondering wordt gemaakt voor loutere intraconcern-verplaatsingen); Katzenberger 2006, p. 2127, nr. 136 e.v.; Drexl 2006, p. 869-870, nr. 154.
Vgl. in dit verband HR 27 januari 1995, NJ 1995, 669 m.nt. JHS (Bigott-Batco/Doucal); alsook HvJ EG 9 november 2006, nr. C-281/05, Jur. 2006, p. 1-10881; IER 2007, 30 (Diesel/Montex) (welk arrest anderzijds vragen oproept over zijn inwerking op de communautaire anti-piraterijverordening, Verordening (EG) nr. 3295/94 (PbEG 1994, L 341/8), thans vervangen door Verordening (EG) nr. 1383/2003(PbEU 2003, L 196/7); zie daarover Cohen Jehoram, Van Nispen & Huydecoper 2008, p. 285-286). Zie ook Ulmer 1975, p. 15, alsook Katzenberger 2006, p. 2128-2129, nr. 139 (ook over wederuitvoer) en Drexl 2006, p. 869, nr. 153 (die overigens - ten onrechte - toepasselijkheid van het recht van het bestemmingsland op de doorvoer in het doorvoerland mogelijk acht; extra-territoriale werking dus). Over mogelijke onrechtmatigheid van de doorvoer, zie Spoor in zijn annotatie onder HR 27 januari 1995, NJ 1995, 669.
Deze bepaling gaat terug tot de conferentie van Rome in 1886, toen zij werd voorgesteld voor Verdrag van Parijs, vgl. Actes VP 1886, p. 111-112 (Rapport de la Commission), p. 116 e.v. (Procès-verbaux) en p. 179 (Protocole). Overigens is het onderwerp ook ter sprake geweest tijdens de conferentie van Parijs in 1880, zie Actes VP 1880, p. 71 e.v. (Procès-verbaux). De bepaling is vervolgens opgenomen in art. 2 van de Schikking van Madrid van 1891 betreffende de bestrijding van valse aanduidingen van herkomst, en later overgenomen in het Verdrag van Parijs door de conferentie van Brussel van 1897/1900, zie Actes VP 1897/1900, p. 45-46 (voorstel Bureau), p. 246-249, p. 255-256 en p. 311 (Procès-verbaux), en p. 411 (Actes adoptés, art. W).
756. In-, uit- en doorvoer. Bezien wij ten slotte het laatste, nog te behandelen aspect van de lex loci protectionis-verwijzing: de problematiek van de in-, uit- en doorvoer.
757. Geen extra-territoriale werking. Wij hebben zojuist in par. (iii) al gezien dat nationale intellectuele-eigendomswetten geen extra-territoriale werking hebben. De Nederlandse octrooiwet kan dus bijvoorbeeld niet van toepassing zijn op handelingen die in het buitenland worden verricht met het oog op de invoer in Nederland van producten die aldaar als inbreukmakend zullen worden gekwalificeerd. Daarmee is immers nog geen handeling in Nederland verricht (en alleen dáárop is de Nederlandse lex loci protectionis van toepassing).
758. Geen grensoverschrijdende handeling. In de situatie dat producten van het ene naar het andere land worden gebracht, is het 'in het territorium brengen' van de producten (invoeren) de eerstmogelijke handeling waarop de wet van het bestemmingsland van toepassing kan zijn. Invoer (en ook uitvoer) is dus geen grensoverschrijdende handeling, zoals nog wel eens wordt verondersteld. De handelingen die in het uitvoerland worden verricht, leveren immers niet óók handelingen in het invoerland op (zoals bij een grensoverschrijdende satellietuitzending bijvoorbeeld wél het geval is). Er is dus sprake van twee verschillende handelingen: uitvoer uit het ene land, en invoer in het andere land.1 Bijvoorbeeld: de vervaardiging in België van producten die zijn bestemd voor de uitvoer naar Nederland, alwaar zij als inbreukmakend zullen worden gekwalificeerd, is geen inbreuk op een Nederlands octrooirecht.2 Dat verandert zodra de producten de grens passeren - wanneer zij dus in Nederland worden ingevoerd. Dan is volgens de Nederlandse lex loci protectionis sprake van inbreuk in Nederland: invoeren is volgens de Nederlandse octrooiwet immers een voorbehouden handeling.3
759. Uitvoer. Daarnaast is het aan het recht van het uitvoerland om te bepalen of bepaalde handelingen die op zijn grondgebied worden verricht met het oog op de uitvoer naar het buitenland, inbreuk maken op door hem verleende intellectueleeigendomsrechten.4
In het genoemde voorbeeld is denkbaar dat de vervaardiging in België van de producten een inbreuk oplevert op een in België geldend octrooirecht, ook al zijn de producten louter bestemd voor de uitvoer naar het buitenland.5
760. Doorvoer. Hetzelfde geldt voor doorvoer: het is aan het recht van het doorvoerland om te bepalen of doorvoer op zijn grondgebied inbreuk oplevert op door hem verleende intellectuele-eigendomsrechten. Tegelijk wordt vrij algemeen aangenomen dat doorvoer van inbreukmakende goederen in beginsel niet als inbreuk op een intellectuele-eigendomsrecht moet worden aanmerkt op grond van het beginsel dat transitverkeer vrij is.6 Een - overigens vrijblijvend geformuleerde uitdrukking van deze beide uitgangspunten kan men zien in artikel 9 lid 4 van het Verdrag van Parijs.7