Einde inhoudsopgave
Afscheiding van bestanddelen (O&R nr. 134) 2022/1.9.3
1.9.3 De actio ad exhibendum en de actio tigno iuncto
mr. J.C.T.F. Lokin , datum 01-03-2022
- Datum
01-03-2022
- Auteur
mr. J.C.T.F. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS645005:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Goederenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijvoorbeeld ook D. 10, 4, 6 (Paulus) en D. 10, 4, 7 (Ulpianus).
D. 41, 1, 7, 10 (Gaius): “Cum in suo loco aliquis aliena materia aedificaverit, ipse dominus intellegitur aedificii, quia omne quod inaedificatur solo cedit. Nec tamen ideo is qui materiae dominus fuit desiit eius dominus esse: tantisper neque vindicare eam potest neque ad exhibendum de ea agere propter legem duodecim tabularum, qua cavetur, ne quis tignum alienum aedibus suis iunctum eximere cogatur, sed duplum pro eo praestet. apellatione autem tigni omnes materiae significantur, ex quibus aedificia fiunt, ergo si aliqua ex causa dirutum sit aedificium, poterit materiae dominus nunc eam vindicare et ad exhibendum agere.”
D. 47, 3, 1 pr. (Ulpianus): “Lex duodecim tabularum neque solvere permittit tignum furtivum aedibus vel vineis iunctum neque vindicare (quod providenter lex effecit, ne vel aedificia sub hoc praetextu diruantur vel vinearum cultura turbetur): sed in eum, qui convictus est iunxisse, in duplum dat actionem.” Zie ook: Theophilus 2, 1, 29 in Lokin e.a. (2010), p. 203.
D. 6, 1, 23, 6 (Paulus): “Tignum alienum aedibus iunctum nec vindicari potest propter legem duodecim tabularum, nec eo nomine ad exhibendum agi nisi adversus eum, qui sciens alienum iunxit aedibus: sed est actio antiqua de tigno iuncto, quae in duplum ex lege duodecim tabularum descendit.”
D. 47, 3, 1, 2 (Ulpianus): “Sed ad exhibendum danda est actio: nec enim parci oportet ei, qui sciens alienam rem aedificio inclusit vinxitve: non enim sic eum convenimus quasi possidentem, sed ita, quasi dolo malo fecerit, quominus possideat.”
D. 19, 1, 17, 10 (Ulpianus): “Ea, quae ex aedificio detracta sunt ut reponantur, aedificii sunt; at quae parata sunt ut imponantur, non sunt aedificii.”
D. 6, 1, 59 (Julianus): “Habitator in aliena aedificia fenestras et ostia imposuit, eadem post annum dominus aedificiorum dempsit; quaero, is qui imposuerat possetne ea vindicare. respondit posse; nam quae alienis aedificiis conexa essent, ea quamdiu iuncta manerent, eorundem aedificiorum esse, simul atque inde demta essent, continuo in pristinam causam reverti.”
D. 6, 1, 23, 7 (Paulus): “Item si quis ex alienis cementis in solo suo aedificaverit, domum quidem vindicare poterit, cementa autem resoluta prior dominus vindicabit, etiam si post tempus usucapionis dissolutum sit aedificium, postquam a bonae fidei emptore possessum sit: nec enim singula cementa usucapiuntur, si domus per temporis spatium nostra fiat.”
Het was evenmin mogelijk de actio ad exhibendum in te stellen voor de productie van bouwmaterialen die waren verwerkt in een huis van iemand anders. De Wet der Twaalf Tafelen verbood het slopen van bouwmaterialen.1
“Wanneer iemand op eigen grond met andermans materiaal heeft gebouwd, wordt hij geacht zelf eigenaar te zijn van het gebouw, aangezien alles wat op de grond gebouwd wordt de grond volgt. Niettemin houdt degene die eigenaar van het materiaal was daardoor nog niet op eigenaar ervan te zijn. Vooralsnog is hij echter niet in staat het materiaal met de eigendomsactie op te eisen of daaromtrent de actie tot productie in te stellen, dit wegens de Wet der Twaalf Tafelen, waarin bepaald is dat niemand gedwongen kan worden andermans balken die in zijn eigen huis ingevoegd zijn, daaruit te halen, maar dat hij daarvoor dan wel het dubbele van de waarde moet betalen. Overigens wordt met het woord balk al het materiaal aangeduid waarmee een gebouw gemaakt wordt. Als een gebouw om enigerlei reden is neergehaald, zal de eigenaar van het materiaal dit derhalve direct daarna met de eigendomsactie kunnen opeisen en een actie tot productie kunnen instellen.”2
Als bouwmaterialen van A in het huis van B waren verwerkt, dan kon A geen revindicatie instellen. Afscheiding met de actie tot productie was evenmin mogelijk. A had echter wel een afzonderlijke actie waarmee hij het dubbele van de waarde van zijn bouwmaterialen kon eisen van B. Deze actie was de actio de tigno iuncto.
De Wet der Twaalf Tafelen staat niet toe dat men een gestolen balk die met een huis of met wijngaarden verbonden is, eruit losmaakt of als zijn eigendom opeist - de wet heeft dit met vooruitziende blik gedaan om te voorkomen dat gebouwen onder dit voorwendsel afgebroken worden of de zorg voor wijngaarden verstoord wordt - ; maar tegen degene van wie bewezen is dat hij de balk daarmee verbonden heeft, geeft zij een actie voor de dubbele waarde?.3
Deze tekst van Ulpianus kwam overeen met het bepaalde in D. 10, 4, 6 (Paulus) en D. 10, 4, 7 (Ulpianus). Ook daarin stond vermeld dat de actio ad exhibendum niet van toepassing was op bouwmaterialen die waren verwerkt in een huis. In één geval kon de actio ad exhibendum echter wel ingesteld worden als er materialen van de één in het huis van de ander waren verwerkt.
“Aan een ander toebehorend bouwmateriaal dat in een gebouw is verwerkt, is krachtens de Wet der Twaalf Tafelen evenmin met de eigendomsactie opeisbaar; en evenmin kan ter zake daarvan een actie tot productie van de zaak worden ingesteld, of het moest zijn tegen degene die welbewust andermans zaak in het gebouw heeft verwerkt. Maar er bestaat uit vroeger tijd een actie over ingevoegde balken, die voor de dubbele waarde is en teruggaat op de Wet der Twaalf Tafelen.”4
De uitzondering die hier wordt genoemd, sloeg op het geval waarin iemand op arglistige wijze de mogelijkheid (facultas) tot produceren had verloren.
“Maar ook de actie tot productie dient verleend te worden. Want wie welbewust andermans zaak in een gebouw ingebracht of bevestigd heeft, behoort niet gespaard te worden. Wij spreken hem niet aan als ware hij bezitter, maar vanuit de opvatting dat hij met boos opzet bewerkstelligd heeft dat hij niet meer bezit.”5
Tegen hem kon de eiser toch de actie tot productie instellen, ondanks de onmogelijkheid om te produceren.
Als zaken tijdelijk van een gebouw werden losgemaakt, dan had deze tijdelijke afscheiding geen zakenrechtelijke gevolgen: ze behoorden nog steeds tot het huis.
“Wat uit een gebouw is weggehaald met de bedoeling dat het weer wordt teruggeplaatst, behoort tot het gebouw: maar wat in gereedheid is gebracht om het er te installeren behoort niet tot het gebouw.”6
Deuren of vensters die ter reparatie losgemaakt werden van een huis, bleven onderdelen van dat huis, aangezien de zaken bestemd waren om terug te worden geplaatst. Ondanks de afscheiding waren ze geen zelfstandige zaken geworden. Ze behoorden nog steeds toe aan het huis. Dit betekende dat geen actio ad exhibendum kon worden ingesteld ten aanzien van deze deuren en vensters. Het kon overigens wél voorkomen dat de materialen van het huis waren afgescheiden zonder dat ze bestemd waren om later weer met het huis verbonden te worden. De oorspronkelijke eigenaar kon deze dan opeisen met de revindicatie, een actio ad exhibendum was immers niet meer nodig:
“Een bewoner heeft in andermans gebouwen vensters en deuren aangebracht; na een jaar heeft de eigenaar van het gebouw deze verwijderd. Ik werp de vraag op of degene die ze heeft aangebracht een eigendomsactie kan instellen. Hij heeft geantwoord dat dit mogelijk is. Want zaken die zijn aangebracht aan gebouwen van iemand anders, behoren zolang zij ermee verbonden zijn tot die gebouwen, maar zodra ze eruit zijn losgemaakt keren zij terug in de vorige rechtstoestand.”7
De vensters waren in deze tekst losgemaakt door de eigenaar van het huis, zonder dat er een actie aan te pas kwam. De woorden in de tekst in pristinam causam reverti duiden erop dat de eigendom “terugkeert” hetgeen betekent dat zij nooit is weggeweest. Dit was ook het geval als de grondeigenaar de grond inclusief gebouw te goeder trouw had gekocht en het gebouw na het verstrijken van de verjaringstermijn werd gesloopt. Ook dan waren de materialen nog op te eisen door de oorspronkelijke eigenaar:
“Zo zal iemand die met stenen van een ander op eigen grond heeft gebouwd weliswaar het huis kunnen vorderen, maar de voormalige eigenaar zal de stenen, wanneer deze weer zijn losgemaakt, als aan hem toebehorend kunnen revindiceren, ook indien het huis, nadat het in bezit van een koper te goeder trouw is gekomen, na het verstrijken van de verjaringstermijn is gesloopt. Wanneer een huis door tijdsverloop ons eigendom wordt, zijn het immers niet de afzonderlijke stenen op zich die door verjaring worden verkregen.”8
De materialen behoorden, nadat ze waren losgekomen, direct weer in eigendom toe aan de oorspronkelijke eigenaar. De koper te goeder trouw van het gebouw of iemand die door middel van verjaring de eigendom van het gebouw had verkregen, had alleen de eigendom van het gebouw als geheel gekregen, niet van de materialen afzonderlijk. Onder het begrip “gebouw” konden zoals gezegd wel zaken vallen die tijdelijk waren afgescheiden. Voor wat betreft de materialen die niet onder het gebouw vielen gold dat de oude rechtstoestand herleefde als ze weer zelfstandige rechtsobjecten waren geworden, doordat ze waren losgemaakt van het gebouw. Want, zo zegt Paulus, “wanneer een huis door tijdsverloop ons eigendom wordt, zijn het immers niet de afzonderlijke stenen op zich die door verjaring worden verkregen”. Er werd dus onderscheiden tussen de afzonderlijke materialen waarmee het huis was opgebouwd aan de ene kant en de eenheidszaak het “huis” aan de andere kant. De materialen gingen door de verbinding niet geheel op in het gebouw, want waren niet aan de verjaring van het huis als geheel onderhevig. Rest nog de vraag op welke grond de oorspronkelijke eigenaar zijn eigendomsrecht mocht uitoefenen. Deze vraag komt in de volgende paragraaf aan de orde.