HR, 18-12-2020, nr. 19/05004
ECLI:NL:HR:2020:1948
- Instantie
Hoge Raad
- Datum
18-12-2020
- Zaaknummer
19/05004
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen (V)
- Brondocumenten en formele relaties
Beroepschrift, Hoge Raad, 18‑12‑2020
ECLI:NL:HR:2020:1948, Uitspraak, Hoge Raad, 18‑12‑2020; (Cassatie)
In cassatie op: ECLI:NL:GHDHA:2019:2538
- Vindplaatsen
BNB 2021/61 met annotatie van E.J.W. Heithuis
NLF 2021/0002 met annotatie van Corné Brouwers
NTFR 2021/38 met annotatie van Drs. N.M. Ligthart
FutD 2020-3765
Viditax (FutD) 2020121829
Beroepschrift 18‑12‑2020
Betreft: machtiging en motivering van beroepschrift in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's‑Gravenhage d.d. 18 september 2019, nr. BK-18/01096 betreffende het door de belastingdienst ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van Rechtbank Den Haag d.d. 1 november 2018, nr. 18/4045 betreffende de aanslag inkomstenbelasting 2014 t.n.v. [X] — aanslagnummer [0001] — zaaknummer F19/05004
Geachte heer, mevrouw,
Hiermede doe ik u toekomen de machtiging van [X] en de motivering van het beroepschrift in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's‑Gravenhage betreffende het ingestelde hoger beroep door de belastingdienst Den Haag tegen de uitspraak van Rechtbank Den Haag betreffende de aanslag inkomstenbelasting 2014 ten name van [X], aanslagnummer [0001].
Verloop van de aanslagregeling en de procedure
Met dagtekening 7 september 2017 heeft [X] (hierna: belastingplichtige) een aankondiging ontvangen dat er een navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2014 zal worden opgelegd. Zie bijlage 1 bij het beroepschrift van belastingplichtige bij de Rechtbank tegen de uitspraak op het bezwaarschrift.
Met dagtekening 25 september 2017 is er een beschikking inkomstenbelasting 2014 ten name van belastingplichtige opgelegd. Op deze beschikking is het verzamelinkomen, het restant persoonsgebonden aftrek en het verrekenbare box-2 verlies opnieuw vastgesteld. Zie bijlage 2 bij het beroepschrift van belastingplichtige bij de Rechtbank tegen de uitspraak op het bezwaarschrift.
Op 29 september 2017 is er tegen deze navorderingsaanslag bezwaar aangetekend. Ik mag u verwijzen naar bijlage 3 bij het beroepschrift van belastingplichtige bij de Rechtbank tegen de uitspraak op het bezwaarschrift.
Op 5 oktober 2017 is er tegen de beschikking inkomstenbelasting 2014 bezwaar aangetekend. Ik mag u verwijzen naar bijlage 4 bij het beroepschrift van belastingplichtige bij de Rechtbank tegen de uitspraak op het bezwaarschrift.
Op 1 maart 2018 heeft belastingplichtige een vooraankondiging van de beslissing op het bezwaarschrift ontvangen. Zie bijlage 5 bij het beroepschrift van belastingplichtige bij de Rechtbank tegen de uitspraak op het bezwaarschrift
Op 20 maart 2018 heeft belastingplichtige gereageerd op de vooraankondiging van de beslissing op het bezwaarschrift. Zie bijlage 6 bij het beroepschrift van belastingplichtige bij de Rechtbank tegen de uitspraak op het bezwaarschrift.
Op 13 april 2018 heeft er een hoorzitting plaatsgevonden. Hiervan is een hoorverslag opgesteld. Zie bijlage 7 bij het beroepschrift van belastingplichtige bij de Rechtbank tegen de uitspraak op het bezwaarschrift
Op 1 mei 2018 heeft de belastingdienst uitspraak gedaan op het bezwaarschrift, waarin de belastingdienst gedeeltelijk aan het bezwaarschrift is tegemoetgekomen. Ik mag u verwijzen naar bijlage 8 bij het beroepschrift van belastingplichtige bij de Rechtbank tegen de uitspraak op het bezwaarschrift.
Met dagtekening 1 mei 2018 heeft belastingplichtige een beschikking herziening verzamelinkomen, restant persoonsgebonden aftrek en verlies uit aanmerkelijk belang (belastingjaar 2014) ontvangen. Zie bijlage 9 bij het beroepschrift van belastingplichtige bij de Rechtbank tegen de uitspraak op het bezwaarschrift.
Met dagtekening 17 mei 2018 heeft belastingplichtige de formele uitspraak op bezwaar ontvangen. Zie bijlage 10 bij het beroepschrift van belastingplichtige bij de Rechtbank tegen de uitspraak op het bezwaarschrift.
Op 4 juni 2018 heeft belastingplichtige een beroepschrift ingediend. Dit beroepschrift en de motivering daarvan zijn in het dossier aanwezig.
Op 21 augustus 2018 heeft de belastingdienst een verweerschrift ingediend. Dit verweerschrift is in het dossier aanwezig.
De rechtbank heeft het ingestelde beroep in de uitspraak d.d. 1 november 2018 met nummer SGR 18/4209 gegrond verklaard. Deze uitspraak is in het dossier aanwezig.
Op 6 december 2018 heeft de belastingdienst hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Dit hoger beroepschrift is in het dossier aanwezig.
Op 7 maart 2019 heeft belastingplichtige een verweerschrift ingediend. Dit verweerschrift is in het dossier aanwezig.
Hof 's‑Gravenhage heeft het ingestelde hoger beroep in de uitspraak d.d. 18 september 2019 met nummer BK-18/01096 gegrond verklaard. Deze uitspraak is reeds aan de Hoge Raad verzonden.
Geschil
In geschil is of belastingplichtige in 2014 een inkomen uit aanmerkelijk belang (‘verkapt dividend’) heeft genoten van € 54.490. Na het ingediende bezwaar is hierop een bedrag van € 7.384 in mindering gebracht, waardoor het box-2 inkomen vóór persoonsgebonden aftrek gelijk is aan € 47.106. Hierop is het restant van de persoonsgebonden aftrek van belastingplichtige in het jaar 2014 ter grootte van € 32.693 in mindering gebracht, waarna een inkomen uit aanmerkelijk belang resteerde van € 14.413. Ultimo 2013 beschikte [X] over € 157.319 aan verrekenbare box-2 verliezen, zodat er na verrekening nog een bedrag van € 142.456 aan verrekenbare verliezen resteert. In geschil is of belastingplichtige in 2014 een inkomen uit aanmerkelijk belang heeft genoten van € 47.106, het restant persoonsgebonden aftrek is volgens belastingplichtige gelijk aan € 32.693, terwijl de verrekenbare box-2 verliezen naar de mening van belastingplichtige gelijk zijn aan € 157.319. De Rechtbank Den Haag heeft in haar uitspraak belastingplichtige in het gelijk gesteld. Het Gerechtshof 's‑Gravenhage heeft de uitspraak van de Rechtbank Den Haag vernietigd.
De belastingdienst is van mening dat sprake is geweest van een nieuw feit. Belastingplichtige is van mening dat geen sprake is geweest van een nieuw feit Het Gerechtshof 's‑Gravenhage heeft in haar uitspraak de belastingdienst in het gelijk gesteld.
Motivering
Feiten
Belastingplichtige is in het bezit van 100 % van de aandelen [E] B.V. [E] B.V. heeft in 2006 het 50 %-aandeel in [G] B.V. verkocht aan [H] B.V. De aandelen in laatstgenoemde vennootschap werden gehouden door [J] (de broer van belastingplichtige) en diens kinderen. [J] was via zijn persoonlijke houdstermaatschappij [K] B.V. in het bezit van het andere 50 %-aandeel in [G] B.V. De verkoopopbrengst bestond uit een bedrag van € 4.750.000 en een aandeel van 50 % in de netto verkoopwinst van de haven te [R] die in het bezit was van [L] B.V., een 100 %-dochtervennootschap van [G] B.V. Het (nog te ontvangen) aandeel van [E] B.V. in deze verkoopwinst werd ingeschat op een bedrag van circa € 4,5 miljoen. In verband met het aandeel in de toekomstige verkoopopbrengst is er aan [E] B.V. een tweede recht van hypotheek verleend. [G] B.V. was werkzaam in de zeescheepvaart (onder andere de exploitatie en handel in zeeschepen). In 2008 en navolgende jaren zijn [G] B.V. en haar dochtervennootschappen zeer hard getroffen door de financiële en economische crisis, met als gevolg dat de Rabobank de directie, bestaande uit [J] en zijn twee zonen, in de loop van 2010 op non-actief heeft gezet. In de loop van het jaar 2011 heeft de Rabobank besloten om [G] B.V. en haar dochtervennootschappen te ontmantelen en alle bezittingen van deze vennootschappen te verkopen. Met dagtekening 8 augustus 2012 heeft [E] B.V. van de Rabobank een brief ontvangen waarin werd verzocht om de gevestigde tweede hypotheek prijs te geven, zodat de haven zonder executoriale verkoop kon worden verkocht (zie bijlage 11 bij het beroepschrift van belastingplichtige bij de Rechtbank tegen de uitspraak op het bezwaarschrift). [E] B.V. heeft met het prijsgeven van de tweede hypotheek ingestemd, daartoe min of meer gedwongen door de Rabobank, en de verkoop van de haven heeft vervolgens spoedig daarna plaatsgevonden.
Nadat [E] B.V. in 2006 het belang van 50 % in [G] B.V. had verkocht, is een deel van de verkoopopbrengst aangewend om schulden van belastingplichtige af te lossen, en een ander deel is aangewend om te beleggen in aandelen en schepen. Per 31 december 2008 had belastingplichtige een rekening-courant schuld van afgerond € 5.350.000 bij [E] B.V. Deze geldlening was ten tijde van de verstrekking als zakelijk te kwalificeren: [E] B.V. had namelijk recht op een nabetaling bij de verkoop van de 50 %-deelneming in [G] B.V. van circa € 4,5 miljoen, waarvoor een tweede hypotheek was verleend op het vastgoed gelegen in [R]. Zoals hiervoor reeds vermeld is door de financiële crisis en een gedwongen verkoop van de haven te [R] van deze nabetaling niets ontvangen. Door belastingplichtige is een procedure aanhangig gemaakt tegen de Rabobank in verband met het niet nakomen van de zorgplicht. Deze procedure heeft uiteindelijk geen resultaat gehad (zie bijlage 12 en 13 bij het beroepschrift van belastingplichtige bij de Rechtbank tegen de uitspraak op het bezwaarschrift). Voorts hebben de hiervoor genoemde beleggingen in aandelen en schepen, eveneens door de financiële crisis, niet de rendementen opgeleverd die daarvan werden verwacht In 2016 heeft belastingplichtige zijn eigen woning moeten verkopen, waarbij een restschuld overbleef van € 129.459,38. In verband met de zeer slechte financiële situatie van belastingplichtige (technisch gezien is belastingplichtige failliet) heeft de Rabobank ingestemd met een finale kwijting tegen betaling van een bedrag van € 6.500.
In 2014 heeft [E] B.V. over de rekening-courant vordering op belastingplichtige een bedrag van € 54.940 aan rente berekend. In verband met de financiële problemen van belastingplichtige om zijn schulden terug te kunnen betalen, is, in navolging van de overeengekomen kwijtschelding door de ex-echtgenote, [M], en de kwijtschelding door de Rabobank, in 2016 bij het vaststellen van de jaarrekening besloten om in de jaarrekening over 2014 de rekening-courant vordering op belastingplichtige voor een bedrag gelijk aan de in rekening gebrachte rente over het jaar 2014 af te waarderen en kwijt te schelden.
Deze kwijtschelding is naar de mening van belastingplichtige zakelijk geweest, hetgeen reeds blijkt uit de omstandigheid dat in 2014 overeenstemming is bereikt met de ex-echtgenote van belastingplichtige, [M], om de lening in hoofdsom groot € 465.000,00 (te vermeerderen met een bedrag van € 81.700 aan achterstallige rente per 31 december 2013 en de over 2014 verschuldigde rente) tegen betaling van in totaal € 24.000,00 kwijt te schelden. Nadat hierover in september 2014 mondeling overeenstemming was bereikt en [M] per e-mail haar schriftelijke akkoordverklaring had gegeven, weigerde [M] de opgestelde overeenkomst met betrekking tot de kwijtschelding tegen finale kwijting, te ondertekenen. Zij heeft dit op advies van haar advocaat gedaan, hoewel zij zowel mondeling als schriftelijk haar akkoord had gegeven aan de overeengekomen kwijtschelding. Voorts heeft de Rabobank in 2016 eveneens besloten om een geldlening verstrekt aan belastingplichtige gedeeltelijk kwijt te schelden: het betrof het restant van een hypothecaire geldlening die door de Rabobank aan belastingplichtige was verstrekt, waarvan de restschuld gelijk was aan een bedrag van € 129.459,38. Tegen betaling van een bedrag van € 6.500,00 is door de Rabobank finale kwijting verleend. De correspondentie met de Rabobank is als bijlage 14 bij het beroepschrift van belastingplichtige bij de Rechtbank tegen de uitspraak op het bezwaarschrift bijgevoegd. Hieruit blijkt onder andere dat reeds in 2014 [X] onder druk van de Rabobank moest besluiten om zijn woning te verkopen.
Naar de mening van belastingplichtige is op grond van het vorenstaande sprake geweest van een zakelijke kwijtschelding, welke in mindering kan worden gebracht op de belastbare winst van [E] B.V. en derhalve niet leidt tot een (verkapte) dividenduitkering aan belastingplichtige in het jaar 2014.
De belastingdienst heeft in de uitspraak op het bezwaarschrift verwezen naar een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden d.d. 24 november 2015. In die uitspraak had de vennootschap geen rente in rekening gebracht over de vordering op de aandeelhouder. Bij [E] BV is echter sprake van een vordering op de aandeelhouder die voor een belangrijk deel door vermeend onrechtmatige handelen van de Rabobank niet meer voor verwezenlijking vatbaar is. Belastingplichtige heeft in 2014 onder andere de autokosten en de advocaatkosten die [E] B.V. moest maken in verband met de juridische stappen die zijn ondernomen tegen de Rabobank, vanuit zijn (zeer beperkte) privémiddelen betaald. Gezien het overleg over de kwijtschelding van een deel van de hypotheekschuld aan de Rabobank (wat uiteindelijk in 2016 heeft geresulteerd in een finale kwijting) en de overeengekomen kwijtschelding van de schuld aan zijn ex-echtgenote (welke kwijtschelding door de ex-echtgenote in 2014 schriftelijk is bevestigd, maar welke bevestiging thans door haar wordt betwist, naar de mening van belastingplichtige ten onrechte), heeft [E] B.V. besloten om over 2014 een kwijtschelding te verlenen ter grootte van de verschuldigde en berekende rente.
Ten slotte wijst belastingplichtige op de procedure die hij heeft gevoerd tegen zijn tweede ex-echtgenote, [N]. [N] eiste van belastingplichtige een maandelijkse alimentatie van € 5.000,00, maar uit het destijds ingediende verweerschrift (zie bijlage 15 bij het beroepschrift van belastingplichtige bij de Rechtbank tegen de uitspraak op het bezwaarschrift) blijkt dat reeds in 2012 belastingplichtige een negatief vermogen had en niet over middelen beschikte om aan deze alimentatieverplichting te kunnen voldoen. Uiteindelijk heeft belastingplichtige deze alimentatieverplichting in 2014 afgekocht.
Gezien de omstandigheid dat twee derden-schuldeisers eveneens akkoord zijn gegaan met een gedeeltelijke kwijtschelding van de schuld van belastingplichtige, de tweede ex-echtgenote akkoord is gegaan met een eenmalige afkoop van alimentatieverplichtingen voor € 40.000 (de waarde van een perceel grond te [Q] dat aan [N] in het kader van de afkoop is overgedragen) en de omstandigheid dat zonder de bijboeking van de rente de schuld van belastingplichtige aan [E] B.V. zelfs is afgenomen doordat belastingplichtige in 2014 de advocaatkosten in verband met de procedure van de Rabobank en de autokosten van de Toyota Prius (welke auto eigendom was van [E] B.V.) vanuit zijn zeer beperkte financiële middelen heeft betaald, kan naar de mening van belastingplichtige niet anders worden geconcludeerd dan dat sprake is geweest van een zakelijke kwijtschelding.
De kwijtschelding door [E] B.V. heeft bovendien alleen plaatsgevonden, omdat [X] in de veronderstelling verkeerde dat onder de hiervoor geschetste omstandigheden de kwijtschelding zakelijk was. Mocht dit thans blijken niet het geval te zijn, dan is sprake geweest van dwaling bij [X], en moet de kwijtschelding geacht niet te hebben plaatsgevonden. Het besluit om de in rekening gebrachte rente kwijt te schelden, is pas genomen ten tijde van het opstellen van de jaarrekening over 2014, die in 2016 is gereed gemaakt. Deze kwijtschelding volgde na de overeengekomen kwijtschelding met [M] en de voorgestelde kwijtschelding van de schuld aan de Rabobank. Het Hof heeft in r.o. 5.5 overwogen dat deze dwaling voor rekening van belanghebbende dient te blijven, omdat hij zich ervan bewust moet zijn geweest dat de kwijtschelding niet zakelijk was. De motivering van het Hof is gezien het vorenstaande voor belastingplichtige onbegrijpelijk en onjuist. Belastingplichtige mocht ervan uitgaan dat het kwijtschelden van schulden door derden tot gevolg zou hebben, dat ook de kwijtschelding door [E] B.V. zakelijk zou zijn.
Indien al sprake is geweest van een verkapte dividenduitkering, dan heeft deze dividenduitkering in 2016 plaatsgevonden en behoort deze dividenduitkering pas in het jaar 2016 tot het box-2 inkomen van belastingplichtige. In het jaar 2016 is de jaarrekening over 2014 opgesteld en in dat jaar is besloten om de in rekening te brengen rente af te waarderen en in 2016 kwijt te schelden.
Naar de mening van belastingplichtige is sprake geweest van een zakelijke kwijtschelding van de verschuldigde rente over 2014, zodat geen sprake kan zijn geweest van een dividenduitkering. Reeds om voomoemde reden is de navorderingsaanslag ten onrechte opgelegd.
Onderdeel 5 van de Uitspraak van Hof 's‑Gravenhage: beoordeling van het hoger beroep Rechtbank Den Haag heeft in haar uitspraak het volgende overwogen:
Voor een als uitdeling te beschouwen kwijtschelding is onder meer van belang dat [[E] BV] een vordering heeft prijsgegeven die feitelijk nog voor verwezenlijking vatbaar was. Daarvan acht de rechtbank gelet op de penibele financiële omstandigheden waarin de [belastingplichtige] verkeerde geen sprake. Daarbij heeft de rechtbank in ogenschouw genomen dat ook derden hun vorderingen op hem hebben kwijtgescholden, of in ieder geval afspraken daarover hebben gemaakt.
Het is voor belastingplichtige onbegrijpelijk dat deze sluitende en logische redenering van Rechtbank Den Haag terzijde wordt gesteld. De argumenten van Rechtbank Den Haag zijn immers door de belastingdienst niet ontzenuwd, de door belastingplichtige genoemde kwijtscheldingen hebben daadwerkelijk plaatsgevonden en ook heeft het Hof in haar uitspraak niet vermeld dat de argumenten die door Rechtbank Den Haag ten grondslag zijn gelegd aan diens uitspraak, niet juist zouden zijn geweest, zodat reeds om die reden de uitspraak van het Hof onjuist is, dan wel onvoldoende is gemotiveerd.
In onderdeel 5.2 van de procedure met zaaknummer BK-18/01097 die mede ten grondslag heeft gelegen aan het oordeel van Hof 's‑Gravenhage in de procedure met zaaknummer BK-18/01096, verwijst het Hof naar artikel 5 van de overeenkomst van geldlening tussen belastingplichtige en [E] BV. Het is voor belastingplichtige onbegrijpelijk waarop het Hof deze verwijzing baseert. Er is geen schriftelijke overeenkomst van geldlening tussen belastingplichtige en [E] BV tot stand gekomen, zodat de verwijzing naar artikel 5 van een niet bestaande overeenkomst, voor belastingplichtige onbegrijpelijk is. Ook met betrekking tot de verwijzing naar een positieve hypotheekverklaring tast belastingplichtige in het duister, omdat er geen positieve hypotheekverklaring is geweest. Het is voor belastingplichtige onbegrijpelijk dat het Hof haar uitspraak baseert op een niet bestaande schriftelijke overeenkomst van geldlening, zodat reeds om die reden de uitspraak van het Hof dient te worden vernietigd.
Het Hof verwijst in haar uitspraak naar de procedure van [E] B.V., waarin door het Hof is geoordeeld dat de kwijtschelding van de rente door [E]
B. V. moet worden aangemerkt als een uitdeling van winst. In genoemde procedure heeft het Hof ten onrechte overwogen dat [E] B.V. geen maatregelen heeft getroffen om de betaling van de rente zoveel mogelijk veilig te stellen. Zoals in het verweerschrift door [E] B.V. is vermeld, heeft belastingplichtige in het jaar 2014 voor en namens
[E] B.V. voor een bedrag van € 30.166,27 aan autokosten, advieskosten en loon- en dividendbelasting voor zijn rekening genomen. In 2014 is de vordering op belastingplichtige per saldo met €47.167 afgenomen, zodat reeds op grond daarvan de kwijtschelding van de verschuldigde rente over 2014 als zakelijk kan worden gekwalificeerd.
[E] B.V. had er financieel en economisch belang bij dat belastingplichtige namens haar voornoemde bedragen zou betalen. Ten onrechte heeft het Hof deze onderbouwing van de zakelijkheid van de kwijtschelding niet in de weging en beoordeling van het door [E] B.V. geleverde bewijs meegenomen.
Voorts heeft het Hof de stelling dat een derde nimmer zou hebben toegestaan dat de schuldenaar een bedrag van € 100.000 aan zijn toekomstige echtgenote schonk en de rentevordering van deze derde onbetaald liet, niet onderbouwd. Uit de weergeven feiten blijkt daarentegen dat een derde, in casu de Rabobank, wel een vordering op belastingplichtige heeft kwijtgescholden, terwijl er voordat deze kwijtschelding plaatsvond, sprake is geweest van een schenking van € 100.000 aan de (op dat moment) toekomstige echtgenote van belastingplichtige. De stelling dat de Rabobank niet op de hoogte is geweest, blijkt nergens uit de processtukken. De belastingdienst heeft dat ook nimmer bewezen. Het is voor belastingplichtige onbegrijpelijk, dat het Hof zonder enige onderbouwing heeft geoordeeld dat de Rabobank niet op de hoogte was van de door belastingplichtige gedane schenking. De bewijslast hiervoor ligt immers bij de belastingdienst, en niet bij belastingplichtige, omdat belastingplichtige onmogelijk kan aantonen of de Rabobank ten tijde van de kwijtschelding wel of niet op de hoogte was van de schenking. Wel is algemeen bekend dat bij het indienen van een verzoek om kwijtschelding de inkomens- en vermogenspositie van zowel belastingplichtige als zijn huidige echtgenote, alsmede de belastingaangiften, aan de Rabobank ter inzage moesten worden verstrekt, inclusief de bankafschriften gedurende een periode van drie maanden. De Rabobank was ten tijde van de kwijtschelding op de hoogte van de bezittingen van de echtgenote van belastingplichtige, zijnde de woning en de daarop rustende hypotheekschuld, of had daar in ieder geval op de hoogte van kunnen zijn door navraag bij het kadaster, zodat ook daaruit door de Rabobank de schenking had kunnen worden afgeleid. Voorts is voor het indienen van het verzoek om kwijtschelding van de restschuld bij de Rabobank niet van belang geweest welke bezittingen belastingplichtige in het verleden heeft gehad, maar welke bezittingen en schulden belastingplichtige had ten tijde van het indienen van het verzoek om kwijtschelding. Ten tijde van het besluit over de kwijtschelding van de rente bij het vaststellen van de jaarrekening over het jaar 2014, was belastingplichtige niet meer in staat om aan de renteverplichtingen te voldoen. Door de schenking van € 100.000 in augustus 2014 had belastingplichtige per 31 december 2014 dit bedrag immers niet meer in zijn bezit. Het Hof heeft derhalve een onjuiste maatstaf aangelegd bij het beoordelen of sprake is geweest van een zakelijke kwijtschelding. Deze maatstaf is door de Rabobank ook nimmer aangelegd. De Rabobank heeft in 2016 de restschuld van belastingplichtige kwijtgescholden, terwijl [E] BV eveneens in 2016 bij het vaststellen van de jaarrekening heeft besloten om de verschuldigde rente over 2014 kwijt te schelden. Naar de mening van belastingplichtige had de belastingdienst de bewijslast om aan te tonen dat de Rabobank niet op de hoogte was van de schenking en voorts dat de Rabobank de restschuld niet zou hebben kwijtgescholden als de Rabobank op de hoogte was geweest van de schenking. De belastingdienst heeft beide onderdelen niet bewezen. Bovendien is het zeer onaannemelijk dat de Rabobank in 2016 de restschuld niet zou hebben kwijtgescholden als de Rabobank op de hoogte was geweest van de schenking. Ten tijde van de kwijtschelding heeft de Rabobank de financiële positie van belastingplichtige van dat moment beoordeeld: daarbij is rekening gehouden met de bezittingen en schulden van belastingplichtige alsmede met zijn inkomsten. Geen enkele financiële instelling zal immers rekening houden met hetgeen iemand heeft gehad: het is immers niet mogelijk om in de toekomst schulden te betalen met bezittingen die men in het verleden heeft gehad.
Door belastingplichtige wordt benadrukt dat [E] B.V. een zakelijk belang had om de rente over 2014 kwijt te schelden: belastingplichtige heeft in 2014 [E] B.V. financieel geholpen door de hiervoor genoemde bedragen te voldoen. De conclusie van het Hof dat [E] B.V. zich heeft laten leiden door het belang van haar aandeelhouder, is onbegrijpelijk. [E] B.V. is op geen enkele wijze betrokken geweest bij de schenking van € 100.000 aan de (op dat moment) toekomstige echtgenote van belastingplichtige, [D]. Nogmaals wordt door belastingplichtige opgemerkt, dat [E] B.V. op generlei wijze partij is geweest bij deze schenking, en evenmin heeft [E] B.V. belastingplichtige financieel in staat heeft gesteld om deze schenking te doen. Het tegendeel is waar: belastingplichtige heeft in 2014 nog voor ruim € 30.000 aan betalingen verricht in het belang van [E] B.V. en per saldo is de vordering van [E] B.V. (exclusief de rente over 2014) met € 47.167 afgenomen (het verschil van € 30.000 en € 47.000 betreft het nettoloon van belastingplichtige dat in 2014 in de rekening-courant met [E] B.V. is verrekend). Het zakelijke belang van [E] B.V. is daardoor naar de mening van belastingplichtige overduidelijk aanwezig, maar het Hof heeft deze argumenten om onbegrijpelijke redenen niet, dan wel onvoldoende, meegenomen in haar oordeel.
Bovendien heeft het Hof naar de mening van belastingplichtige ten onrechte geen rekening gehouden met de stelling van de belastingdienst dat met de betaling, c.q. verrekening van een bedrag van € 47.167 (de door belastingplichtige in 2014 namens [E] B.V. betaalde kosten en belastingverplichtingen, alsmede het nettoloon van belastingplichtige) de rentevordering voor dat bedrag reeds verrekend is geweest. Ik mag uw Raad verwijzen naar de overwegingen van de belastingdienst in onder andere onderdeel 4.2 van de Motivering van de Inspecteur in diens ingestelde hoger beroep. Indien de rentevordering bij voorrang voor een bedrag van € 47.167 is verrekend, kan de rentevordering van € 54.940 slechts voor een bedrag van € 7.773 zijn kwijtgescholden, zodat het onbegrijpelijk is dat het Hof heeft geoordeeld dat uit hoofde van de kwijtschelding van de rentevordering een dividenduitkering van € 54.940 heeft plaatsgevonden. In het geval de stelling van de belastingdienst juist is, is de dividenduitkering uit hoofde van de kwijtschelding van de rentevordering slechts gelijk geweest aan € 7.773.
Het Hof heeft naar de mening van belastingplichtige een conclusie getrokken die volstrekt onlogisch is. [E] B.V. heeft gesteld dat zij zich bij de kwijtschelding van de rente over 2014 niet heeft laten leiden door het belang van belastingplichtige zijnde de aandeelhouder, waarbij het Hof dit heeft onderbouwd door erop te wijzen dat de schenking van € 100.000 door de toekomstige echtgenote van belastingplichtige is aangewend om een woning te kopen. De logica hiervan ontgaat belastingplichtige volledig. Dat de schenking van € 100.000 door [D] is gebruikt om een woning te kopen, kan naar de mening van belastingplichtige nooit de stelling onderbouwen dat [E] B.V. zich bij de kwijtschelding van de door belastingplichtige aan [E] B.V. verschuldigde rente, door het belang van belastingplichtige heeft laten leiden. Er is immers geen enkele financiële relatie tussen de kwijtschelding van de rente over 2014 en de schenking van € 100.000 aan [D], en het bedrag van € 100.000 is niet door [E] B.V. aan belastingplichtige ter beschikking gesteld.
Uit het vorenstaande volgt dat naar de mening van belastingplichtige de conclusie van het Hof zoals weergegeven in onderdeel 5.1 niet is gemotiveerd, respectievelijk onjuist is gemotiveerd, i omdat de weergegeven feiten deels niet juist zijn door verwijzingen naar een niet-bestaande schriftelijke overeenkomst van geldlening, stellingen van de belastingdienst zonder enig bewijs I als juist worden verondersteld, terwijl de bewijslast bij de belastingdienst ligt, onlogische en onjuiste conclusies worden getrokken en ten slotte zonder enige motivering, c.q. onderbouwing I wordt verondersteld dat als de Rabobank zou hebben geweten dat er in 2014 een schenking van € 100.000 had plaatsgevonden, de restschuld in 2016 niet zou hebben kwijtgescholden. Het is I volstrekt onlogisch dat een financiële instelling bij de beoordeling of iemand in aanmerking komt voor een kwijtschelding, rekening houdt met hetgeen iemand in het verleden heeft gehad: het is I immers niet mogelijk om in het heden schulden te betalen met bezittingen die men in het verleden heeft gehad, ook niet als men deze bezittingen heeft weggeschonken.
[E] B.V. heeft gesteld dat een winstuitdeling in strijd is met de liquiditeitstest van artikel 2:216 van het Burgerlijk Wetboek. Vervolgens verwijst het Hof in dit kader naar het arrest van uw Raad d.d. 1 november 1989 (BNB 1990/63). Deze verwijzing is volstrekt irrelevant met betrekking tot de stelling van [E] B.V. Ten eerste 1 kan dit arrest van uw Raad niet van toepassing zijn op de stelling van [E] B. V., omdat de liquiditeitstest pas sinds 1 oktober 2012 in het Burgerlijk Wetboek is opgenomen, derhalve bijna 23 jaar na het door het Hof genoemde arrest van uw Raad. Ten tweede wordt verwezen naar de winstreserves van [E] B.V., hetgeen uitsluitend van belang is voor de solvabiliteitstest van [E] B.V. Op basis van voornoemd arrest van uw Raad zou kunnen worden bepleit dat wel werd voldaan aan de solvabiliteitstest, hoewel dat eveneens ter discussie kan worden gesteld gezien de slechte financiële positie van belastingplichtige en er daardoor grote vraagtekens konden en kunnen worden gezet bij de I waarde van de vordering op belastingplichtige en daardoor de waarde van de winstreserves en de toekomstige winstcapaciteit van de vennootschap. Het is voor belastingplichtige onbegrijpelijk dat het Hof niet op een juiste wijze heeft beoordeeld of tevens kon worden voldaan aan de liquiditeitstest, een ander onderdeel van de uitkeringstest. [E] B.V. had per 1 januari 2014 een banksaldo van negatief € 84,19 had en per 31 december 2014 van € 103,78. Hierdoor kon [E] B.V. onmogelijk voldoen aan de financiële verplichting om de verschuldigde dividendbelasting in geval van een dividenduitkering, te betalen. Het was derhalve onmogelijk om de zogenoemde uitkeringstest die op grond van het Burgerlijk Wetboek is voorgeschreven, te doorstaan. De belastingdienst en het Hof hebben niet nader onderbouwd dat wel zou kunnen worden voldaan aan deze uitkeringstest zodat in 2014 geen sprake kan zijn I geweest van een dividenduitkering.
Uit het vorenstaande kan worden geconcludeerd dat het Hof op onjuiste gronden heeft geoordeeld ’ dat geen rekening behoefde te worden gehouden met de liquiditeitstest, c.q. dat per ultimo 2014 [E] B.V. de wettelijk voorgeschreven liquiditeitstest kon doorstaan, terwijl I daarentegen de Rechtbank in r.o. 9 van haar uitspraak als volgt heeft overwogen: De belastingdienst heeft met zijn enkele stellingen niet aannemelijk gemaakt dat artikel 2:226, tweede lid, van het BW niet aan een dividenduitkering in de weg staat en dat de schuld bij liquidatie van [[E] BV] verrekend kan worden. Naar de mening van belastingplichtige staat het oordeel van de Rechtbank haaks op het oordeel van het Hof, zonder dat het Hof daarvoor een afdoende onderbouwing heeft gegeven.
Belastingplichtige mag tevens verwijzen naar zijn zeer penibele financiële omstandigheden. Reeds in 2014 heeft de Rabobank belastingplichtige gedwongen om zijn woning te verkopen. Rechtbank 's‑Gravenhage heeft haar uitspraak gebaseerd op de zeer penibele financiële situatie : van belastingplichtige. Immers, de Rechtbank heeft in r.o. 9 geconcludeerd: Voor een als uitdeling te beschouwen kwijtschelding is onder meer van belang dat [[E] BV] een vordering heeft prijsgegeven die feitelijk nog voor verwezenlijking vatbaar was. Daarvan acht de rechtbank gelet op de penibele financiële omstandigheden waarin [belastingplichtige] verkeerde geen sprake. Het Hof is ten onrechte voorbijgegaan aan deze j penibele financiële situatie, terwijl de uitspraak van de Rechtbank geheel werd gedragen door die conclusie. Het is voor belastingplichtige onbegrijpelijk dat het Hof op geen enkele wijze rekening j heeft gehouden met zijn zeer penibele financiële situatie en omstandigheden.
Met betrekking tot de zeer penibele financiële omstandigheden van belastingplichtige verwijst belastingplichtige naar de procedure die belastingplichtige heeft gevoerd tegen zijn tweede ex-echtgenote, [N]. [N] eiste van belastingplichtige een maandelijkse alimentatie van € 5.000,00, maar uit het destijds ingediende verweerschrift (zie bijlage 15 bij het beroepschrift tegen de aanslag inkomstenbelasting 2014 ten name van belastingplichtige) blijkt dat reeds in 2012 belastingplichtige een negatief vermogen had en niet I over middelen beschikte om aan deze alimentatieverplichting te kunnen voldoen. Uiteindelijk heeft belastingplichtige deze alimentatieverplichting in 2014 afgekocht door aan haar de onroerende zaak aan [a-straat 1] te [Q] over te dragen.
Resumerend volgen de zeer penibele financiële omstandigheden van belastingplichtige onder I andere uit de processtukken met betrekking tot de gevorderde alimentatie door [N] in 2012, de overeengekomen finale kwijting met [M] in 2014 en de overeengekomen finale kwijting met de Rabobank begin 2016. Doordat ook onafhankelijke derden in de jaren 2012 en volgende jaren bereid zijn geweest om belastingplichtige aanzienlijke I bedragen, respectievelijk alimentatieverplichtingen kwijt te schelden, is in 2014 sprake geweest van een zakelijke afwaardering en kwijtschelding door [E] B.V.
Onzakelijke lening
Het Hof heeft in haar uitspraak de vraag of sprake is geweest van een onzakelijke geldlening in j het midden gelaten. Dit was echter wel van belang voor de procedure. Indien namelijk ten tijde van het verstrekken sprake is geweest van een onzakelijke transactie, omdat reeds op dat moment het gezamenlijke bedrag van de schulden de waarde van de bezittingen van [X] overtrof, is naar de mening van belastingplichtige op dat moment geen sprake geweest van een onzakelijke geldlening, maar van een uitdeling. De belastingdienst heeft immers ] zelf het navolgende gesteld: ‘Gelet op het bovenstaande concludeer ik dat belanghebbende het debiteurenrisico heeft aanvaard met de bedoeling het belang van [X] in diens hoedanigheid van aandeelhouder, te dienen waardoor de lening die belanghebbende aan [X] heeft verstrekt als onzakelijke lening in vorenbedoelde zin moet worden aangemerkt. ’ Laatstgenoemde conclusie is naar de mening van belastingplichtige niet juist: indien belastingplichtige de bedoeling heeft gehad het belang van [X] in diens hoedanigheid van aandeelhouder te dienen, én ten tijde van het uitlenen van gelden door [E] B.V. aan belastingplichtige aannemelijk was dat deze gelden niet door belastingplichtige konden of zouden worden terugbetaald, dan is geen sprake van een onzakelijke geldlening, maar dan is sprake van een onttrekking, die in het jaar van het verstrekken van de geldmiddelen reeds als een dividenduitkering dient te worden gekwalificeerd.
Het Hof heeft in haar uitspraak geoordeeld dat [E] B.V. zich onzakelijk heeft opgesteld door de rentevordering, welke door belastingplichtige niet kon worden voldaan, bij het vaststellen van de jaarrekening over 2014 kwijt te schelden. Ten onrechte heeft het Hof geen aandacht besteed aan de stelling van belastingplichtige, dat de in de jaren 2006 tot en met 2008 door [E] B.V. aan belastingplichtige uitgeleende gelden, vanaf 2012 niet meer konden worden terugbetaald, respectievelijk door middel van dividenduitkeringen konden worden verrekend. In het jaar 2012 is namelijk de haven in [R] verkocht, waarbij definitief kwam vast te staan dat er geen recht was op een nabetaling. Zie bijlage 7 bij het beroepschrift van [E] B.V. bij de Rechtbank tegen de uitspraak op het bezwaarschrift. Vanaf 2012 was duidelijk dat — mede gezien de penibele financiële omstandigheden van belastingplichtige welke blijkt uit de in 2012 gevoerde echtscheidingsprocedure — de aan belastingplichtige in de jaren 2006 tot en met 2008 verstrekte geldmiddelen niet meer door hem konden worden terugbetaald, zodat deze leningen al vóór het jaar 2014 geheel of gedeeltelijk als een dividenduitkering kunnen worden gekwalificeerd. In dit kader mag ik uw Raad verwijzen naar de uitspraak van Rechtbank Den Haag d.d. 13 juni 2019 (RBDHA:2019:11862), welke door de belastingdienst als nader stuk is ingebracht in de hoger beroepsprocedure. In 2012 werd duidelijk dat de verrekening van de schuld van belastingplichtige aan [E] B.V. niet meer kon plaatsvinden door aanwending van de opbrengst van de haven te [R]. Belastingplichtige heeft immers altijd beoogd om deze schuld door middel van dividenduitkeringen af te lossen. De liquide middelen die benodigd waren om de verschuldigde dividendbelasting en aanmerkelijk belang- heffing over deze dividenduitkering te voldoen, zou [E] B.V. verkrijgen uit de verkoopopbrengst van de haven te [R]. Reeds in 2012 was de financiële situatie van belastingplichtige dermate penibel (ik mag uw Raad tevens verwijzen naar de in 2012 gevoerde procedure over alimentatie door de 2e ex-echtgenote van belastingplichtige), dat naar de mening van belastingplichtige in 2012 werd voldaan aan het door Rechtbank Den Haag aangelegde criterium: belastingplichtige heeft in de jaren 2006 tot en met 2008 onder andere gelden bij [E] B.V. geleend om effecten aan te kopen, en de verkoopopbrengst van deze effecten in de jaren daarna niet aangewend om deze effectenleningen terug te betalen. Voor zover de vordering op belastingplichtige bestond uit effectenleningen, dient op grond van voornoemde uitspraak van Rechtbank Den Haag naar de mening van belastingplichtige in ieder geval uiterlijk in het jaar 2012 een uitdeling te worden geconstateerd met betrekking tot deze effectenleningen, omdat per ultimo 2012 belastingplichtige vrijwel geen effecten meer in bezit had (per 31 december 2012 bedroeg de waarde van de effecten € 762) en door de verkoop van de haven te [R] belastingplichtige ook niet meer vanuit de verkoopopbrengst van de haven deze effectenleningen door middel van dividenduitkeringen kon aflossen.
Op grond van het vorenstaande is er naar de mening van belastingplichtige geen mogelijkheid meer om in het jaar 2014 een rentebate bij belastingplichtige en/of een dividenduitkering van € 54.940 te kunnen constateren, omdat er na 2012 geen sprake meer is geweest van een vordering op belastingplichtige, respectievelijk dat er in 2014 sprake is geweest van een aanzienlijke lagere vordering op belastingplichtige waarover een aanzienlijke lagere rente was verschuldigd.
Gezien het vorenstaande heeft de Rechtbank Den Haag naar de mening van belastingplichtige I terecht in de uitspraak geconstateerd dat bij belastingplichtige reeds in 2014 sprake was van een penibele financiële situatie. Dit volgt onder andere uit de processtukken met betrekking tot de gevorderde alimentatie door [N] in 2012, de overeengekomen finale kwijting met [M] in 2014 -en de overeengekomen finale kwijting met de Rabobank begin 2016. Doordat ook onafhankelijke derden in de jaren 2012 en — volgende jaren bereid zijn geweest om belastingplichtige aanzienlijke bedragen, respectievelijk I alimentatieverplichtingen kwijt te schelden, is in 2014 sprake geweest van een zakelijke afwaardering en kwijtschelding door belastingplichtige zodat geen sprake is geweest van een dividenduitkering.
Subsidiair: geen nieuw feit
In artikel 6.2a, vierde lid Wet IB 2001 is aangegeven dat een feit dat de inspecteur bekend was of I redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, geen grond oplevert voor herziening, tenzij de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is. In het vijfde lid wordt daarbij verwezen j naar artikel 16, tweede lid AWR: de daar opgenomen bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing.
Uit de combinatie van de aangiften vennootschapsbelasting van [E] B.V over het jaar 2013 en 2014 als de aangiften inkomstenbelasting van belastingplichtige over het jaar 2013 en 2014 blijkt dat er in het jaar 2013 over de rekening-courant verhouding tussen [E] B.V. en belastingplichtige per saldo wèl rente in rekening is gebracht (een ! gedeelte van de berekende rente is in de aangifte BB 2013 als negatief box-2 inkomen in mindering gebracht op het verzamelinkomen, overeenkomstig het overleg in het verleden met [O] van de belastingdienst — zie tevens hierna) terwijl in het jaar 2014 geen rente als negatief box-2 inkomen meer in mindering is gebracht op het verzamelinkomen. Hierdoor, j alsmede door de informatie die bleek uit de aangiften vennootschapsbelasting over de jaren 2013 en 2014, blijkt dat de belastingdienst op de hoogte had kunnen zijn dat de in 2014 berekende i rente over de rekening-courant schuld is afgewaardeerd, respectievelijk is kwijtgescholden. Door 1 het ontbreken van het zogenoemde nieuwe feit, heeft de belastingdienst op grond van artikel 6.2a, vierde lid, in combinatie met artikel 16, lid 2 AWR, geen mogelijkheid om de beschikking te herzien.
Over de aftrekbaarheid van een gedeelte van de rentelast met betrekking tot de opgenomen geldlening bij [E] B.V., welke rentelast verband houdt met de verwerving I van aanmerkelijkbelangaandelen, is in het verleden uitgebreid gecorrespondeerd met [O] van de belastingdienst. De correspondentie met en van de belastingdienst d.d. 15 I augustus 2007, 3 oktober 2007, 26 oktober 2007 en 12 november 2007 is als bijlage 16 bij het beroepschrift van belastingplichtige bij de Rechtbank tegen de uitspraak op het bezwaarschrift bijgevoegd. In alle jaren vóór 2014 is er bij het vaststellen van het box-2 inkomen een deel van de rentelasten aan [E] B.V. in aftrek gebracht. De aftrek van een deel van de rentelasten aan [E] B.V. is destijds in overleg met [O] vastgesteld. Zoals hiervoor reeds vermeld, had de belastingdienst uit de ingediende aangifte over het jaar 2014 kunnen constateren dat er bij het vaststellen van het box-2 inkomen geen rentelasten aan [E] BV meer in aftrek zijn gebracht, waaruit de belastingdienst had kunnen afleiden dat de in 2014 in rekening gebrachte rente is kwijtgescholden. Hieruit volgt dat een nieuw feit ontbreekt. De overweging in r.o. 5.4 van de Uitspraak van Hof 's‑Gravenhage is voor belastingplichtige onbegrijpelijk. Weliswaar behoorde een deel van de schuld aan [E] B.V. tot het box-3 vermogen, maar een niet onaanzienlijk bedrag van de lening ter grootte van € 492.298 behoorde tot het box-2 vermogen en was in de aangifte IB 2014 van belastingplichtige, evenals voorgaande jaren, bij de schulden in box-2 vermeld. Over deze schuld was — in tegenstelling tot de daaraan voorafgaande jaren — geen rente in aftrek gebracht, zodat daaruit logischerwijze kon worden afgeleid dat er in 2014 geen rente in aftrek was gebracht, c.q. het rentebedrag door de vennootschap was afgewaardeerd en kwijtgescholden. Het niet in aftrek brengen van de rente had voor de belastingdienst — mede gezien de correspondentie met de belastingdienst over deze aftrekbare rente in het verleden — aanleiding kunnen zijn om hierover navraag te doen bij belastingplichtige. Doordat de belastingdienst geen navraag heeft gedaan bij belastingplichtige, heeft de belastingdienst thans geen nieuw feit. De opmerking van het Hof dat de over de lening aan [E] B.V. verschuldigde rente niet zichtbaar is in de aangifte, is derhalve niet juist met betrekking tot het gedeelte van de schuld dat als box-2 schuld is verwerkt. Tijdens de mondelinge behandeling bij het Hof heeft de belastingdienst expliciet bevestigd dat uit de ingediende aangifte IB 2014 kon worden afgeleid dat er over deze schuld geen rente in aftrek was gebracht. Reeds uit dien hoofde is de uitspraak van het Hof niet juist, en dient de uitspraak van het Hof en daarmee de aanslag IB 2014, in verband met het ontbreken van een nieuw feit, te worden vernietigd.
Meer subsidiair: onjuiste vaststelling van nog te verrekenen verliezen op de uitspraak op het bezwaarschrift d.d. 17 mei 2018
Het is voor belastingplichtige onbegrijpelijk dat het Hof heeft geoordeeld dat de uitspraak op het bezwaarschrift d.d. 17 mei 2018 non-existent zou zijn. De ‘uitspraak op het bezwaar’ d.d. 1 mei 2018 is geen uitspraak op het bezwaarschrift geweest, maar een motivering van de uitspraak op het bezwaarschrift. Vervolgens heeft de belastingdienst bij beschikking d.d. 17 mei 2018 de formele uitspraak op het bezwaarschrift gedaan. De opmerking van de belastingdienst over de beschikking d.d. 17 mei 2018 is eveneens onbegrijpelijk: ‘Het lijkt dus een overbodig stuk dat alleen maar verwarring oproept’. Zonder enige vorm van bewijs heeft de belastingdienst gesteld dat iemand op kantoor Rotterdam de uitspraak op het bezwaarschrift d.d. 17 mei 2018 heeft opgemaakt, en dat deze uitspraak niet afkomstig is uit Apeldoorn. Hiermee ontkent de belastingdienst dat de gevolgde procedure de standaardprocedure is waarop door de belastingdienst uitspraak op bezwaar wordt gedaan: er wordt voorafgaande aan de formele uitspraak op het bezwaarschrift een brief verzonden met daarin vermeld de motivering van de uitspraak op het bezwaarschrift, en vervolgens wordt daarna vanuit Apeldoorn de formele uitspraak op het bezwaarschrift verzonden. In de formele uitspraak op het bezwaarschrift wordt vervolgens voor de motivering van de uitspraak verwezen naar de eerder verzonden brief. Op de uitspraak op het bezwaarschrift d.d. 17 mei 2018 is vermeld: ‘De beslissing en motivering van de inspecteur staan in de brief die u al heeft of nog zal ontvangen.’ De opmerking van de belastingdienst dat er op de uitspraak op bezwaar d.d. 17 mei 2018 geen rechtsmiddelenverwijzing zou staan, is onjuist. Op de uitspraak is vermeld: ‘Op belastingdienst.nl/beroep leest u bij welke rechtbank u in beroep kunt gaan. U vindt daar ook meer informatie over hoe u in beroep gaat. (…) Uw beroep moet voor 28 juni 2018 zijn ingediend bij de rechtbank ’ De genoemde datum 28 juni 2018 is zes weken na 17 mei 2018, zodat ook bij de rechtsmiddelenverwijzing de belastingdienst heeft aangegeven dat de uitspraak op het bezwaar d.d. 17 mei 2018 de formele uitspraak is. Ik mag uw Raad verwijzen naar bijlage A.
Als nadere onderbouwing dat het verzenden van de motivering en vervolgens de formele uitspraak op het bezwaarschrift de standaardprocedure is, mag ik uw Raad verwijzen naar een drietal bijgevoegde voorbeelden: bijlage B en bijlage C: eerst wordt er een motivering van de beslissing verzonden en vervolgens wordt de formele uitspraak op het bezwaarschrift verzonden. Zowel in bijlage B als in bijlage C is het navolgende vermeld: ‘De motivering van de beslissing is u reeds afzonderlijk medegedeeld’. Er is derhalve geenszins sprake van een zogenoemd overbodig stuk, zoals de belastingdienst heeft gesteld, want dat zou betekenen dat landelijk met zeer grote regelmaat door de belastingdienst overbodige stukken worden verzonden. Het oordeel van het Hof dat de uitspraak op het bezwaarschrift d.d. 17 mei 2018 non-existent zou zijn, is voor belastingplichtige volstrekt onbegrijpelijk en bovendien in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Dat zou namelijk betekenen dat alle formele uitspraken op de bezwaarschriften die door de belastingdienst worden verzonden nadat er per brief een motivering van de uitspraak op het bezwaarschrift is verzonden, non-existent zouden zijn, hetgeen onmogelijk juist kan zijn omdat dan tevens de rechtsmiddelenverwijzing op deze uitspraken met de daarop genoemde uiterste termijn om een beroepschrift in te dienen, niet juist zou zijn. Bovendien heeft de belastingdienst tijdens de zitting bij Rechtbank Den Haag verklaard dat de uitspraak op het bezwaar van 17 mei 2018 niet juist is, zoals blijkt uit r.o. 12 van de uitspraak van Rechtbank Den Haag. Naar de mening van belastingplichtige had — evenals Rechtbank Den Haag heeft beslist — het Hof moeten beslissen dat de beschikking van 17 mei 2018 de formele uitspraak op het bezwaar is geweest (op dat moment is ook de zes weken termijn voor het indienen van het beroepschrift gaan lopen) en dat de brief van 1 mei 2018 de motivering van de uitspraak op het bezwaar is geweest, hetgeen ook overeenstemt met de inhoud van genoemde brief.
Naar de mening van belastingplichtige is op grond van het vorenstaande het oordeel van het Hof dat de uitspraak op het bezwaarschrift d.d. 17 mei 2018 een tweede uitspraak is geweest, niet juist. De brief van 1 mei 2018 is immers geen uitspraak op het bezwaarschrift geweest, maar — zoals blijkt uit de veelvuldig toegepaste handelwijze van de belastingdienst en de tekst op de uitspraak op het bezwaar d.d. 17 mei 2018 — een motivering van de uitspraak op het bezwaarschrift. Dit volgt bovendien overduidelijk uit de lay-out van beide documenten: het document van 1 mei 2018 heeft de lay-out van een brief, terwijl het document van 17 mei 2018 de lay-out heeft van een beschikking, c.q. een uitspraak op bezwaar. Naar de mening van belastingplichtige heeft het Hof ten onrechte de brief van 1 mei 2018 gekwalificeerd als een uitspraak op bezwaar, en is de uitspraak d.d. 17 mei 2018 de formele uitspraak op het bezwaarschrift geweest. Het is voor belastingplichtige onbegrijpelijk dat de belastingdienst niet op de hoogte is van de gevolgde procedure bij het doen van uitspraken op bezwaar, en daardoor bij de zitting voor het Hof een onjuist betoog heeft gehouden én dat het Hof dit onjuiste betoog voor waar heeft overgenomen.
Conclusie
Op grond van hetgeen hiervoor is weergegeven, is belastingplichtige primair van mening dat de uitspraak van het Gerechtshof 's‑Gravenhage rechtens onjuist is, respectievelijk het Gerechtshof 's‑Gravenhage een onjuiste waardering en weging van het bewijs heeft gegeven, waardoor de uitspraak onjuist is gemotiveerd. Dit volgt onder andere uit het navolgende:
- —
ten onrechte heeft het Hof geconcludeerd dat geen sprake is geweest van een zakelijke kwijtschelding, gezien de zeer penibele financiële omstandigheden van belastingplichtige per 31 december 2014 en het feit dat onafhankelijke derden in 2012 en de daaropvolgende jaren tot kwijtscheldingen hebben besloten;
- —
het Hof heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de zeer penibele financiële situatie van belastingplichtige, op grond waarvan Rechtbank Den Haag, naar de mening van belastingplichtige terecht, heeft geconcludeerd dat geen sprake is van een uitdeling. Belastingplichtige heeft gemotiveerd aangetoond dat in ieder geval per 31 december 2014 sprake was van zeer penibele financiële omstandigheden bij belastingplichtige, zodat reeds uit dien hoofde — gegeven de overweging van de Rechtbank — geen sprake is geweest van een uitdeling;
- —
zonder enige motivering heeft het Hof geconcludeerd dat de Rabobank de kwijtschelding niet zou hebben verleend, indien zij op de hoogte zou zijn geweest van de schenking van € 100.000 door belastingplichtige aan [D] in augustus 2014;
- —
ten onrechte heeft het Hof ongemotiveerd geconcludeerd dat de Rabobank niet op de hoogte is geweest van de schenking door belastingplichtige, terwijl dit bij de Rabobank op grond van de bij haar bekende gegevens bekend is geweest, of in ieder geval bekend had kunnen zijn;
- —
ten onrechte is het Hof eraan voorbijgegaan dat [E] BV geen invloed heeft gehad op de schenking van € 100.000 aan [D];
- —
ten onrechte heeft het Hof in haar uitspraak BK-18/01097 verwezen naar artikel 5 van een niet-bestaande overeenkomst van geldlening, welk niet bestaande overeenkomst van geldlening mede als motivering heeft gediend in haar oordeel dat de kwijtschelding niet zakelijk is geweest;
- —
ten onrechte heeft het Hof geconcludeerd dat met betrekking tot (een deel van) de vordering van [E] BV op belastingplichtige niet reeds in 2012 een uitdeling heeft plaatsgevonden, in verband met de omstandigheid dat in 2012 de haven te [R] is verkocht en in dat jaar bleek dat er geen nabetaling zou volgen waardoor de lening door belastingplichtige niet (meer) (voor tenminste een aanzienlijk gedeelte) kon worden terugbetaald, respectievelijk dat na de verkoop van de effecten door belastingplichtige de niet terugbetaalde effectenlening uiterlijk in 2012 als een uitdeling had moeten worden gekwalificeerd;
- —
ten onrechte is het Hof eraan voorbijgegaan dat een dividenduitkering niet mogelijk was in verband met de verplichte liquiditeitstest en het per 31 december 2014 ontbreken van liquide middelen om de als gevolg van een dividenduitkering verschuldigde dividendbelasting te kunnen betalen;
- —
ten onrechte heeft het Hof geconcludeerd dat indien de kwijtschelding onzakelijk is geweest, de kwijtschelding gelijk is geweest aan € 54.940, terwijl door kwijtschelding in dat geval niet groter kan zijn geweest dan € 7.773;
- —
ten onrechte heeft het Hof geconcludeerd dat geen sprake is geweest van dwaling bij belastingplichtige, indien de kwijtschelding als een uitdeling wordt gekwalificeerd;
- —
ten onrechte heeft het Hof geoordeeld dat sprake is geweest van een nieuw feit. Pas tijdens de mondelinge behandeling bij het Hof heeft de belastingdienst toegegeven dat uit de aangifte IB 2014 onomstotelijk kon worden vastgesteld dat de rentevordering op het gedeelte van de lening dat is verantwoord in box-2 is afgewaardeerd en kwijtgescholden, zodat de belastingdienst op basis van de in de aangifte IB 2014 bekend had kunnen zijn met deze afwaardering en kwijtschelding;
- —
ten onrechte heeft het Hof geoordeeld dat de uitspraak op het bezwaar d.d. 17 mei 2018 nonexistent is.
Ik verzoek uw Raad derhalve de uitspraak van het Hof te vernietigen, de zelf af te doen en het belastbaar inkomen over het jaar 2014 vast te stellen op nihil, het restant PGA per 31 december 2014 vast te stellen op € 32.693 en het bedrag aan nog te verrekenen verliezen vast te stellen op € 164.704. Mocht uw Raad de zaak niet zelf af kunnen doen, dan verzoek ik u deze zaak te verwijzen naar een ander Hof om deze zaak met betrekking tot de hiervoor weergegeven punten opnieuw te beoordelen.
Kostenveroordeling
Ten slotte verzoek ik uw Raad de belastingdienst te 's‑Gravenhage te veroordelen in de proceskosten. Het betreft de door ondergetekende beroepsmatig verleende rechtsbijstand tijdens de beroepsprocedure, de procedure van het hoger beroep en de onderhavige procedure van het beroep in cassatie. Voorts verzoek ik uw Raad de belastingdienst te 's‑Gravenhage te veroordelen de door belastingplichtige betaalde griffierechten bij de procedure voor de Rechtbank Den Haag en het onderhavige beroep in cassatie aan belastingplichtige te vergoeden.
Ten slotte heeft de Rechtbank Den Haag in onderdeel 12. van de uitspraak aangegeven dat de belastingdienst ter zitting heeft verklaard dat de uitspraak op bezwaar van 17 mei 2018 niet juist is. Mede om die reden heeft de Rechtbank Den Haag voornoemde uitspraak op bezwaar vernietigd. Het Hof heeft, zoals hiervoor betoogd, de uitspraak op bezwaar d.d. 17 mei 2018 ten onrechte nonexistent verklaard, zodat de uitspraak van het Hof reeds om die reden naar de mening van belastingplichtige dient te worden vernietigd. Op grond van deze vernietiging heeft belastingplichtige reeds recht op de hiervoor vermelde en de door de Rechtbank toegekende proceskostenveroordeling.
Machtiging
De ondertekende machtiging van [X] is als bijlage bijgevoegd.
Uitspraak 18‑12‑2020
Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting. Art. 4.12 Wet IB 2001. Regulier voordeel uit aanmerkelijk belang. Vormde kwijtschelding van rentevordering van BV op aandeelhouder een uitdeling van winst? Verband met ECLI:NL:HR:2020:1949.
Partij(en)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 19/05004
Datum 18 december 2020
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 18 september 2019, nr. BK-18/01096 op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 18/4045) betreffende ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikkingen als bedoeld in artikel 6.2a, lid 1, en artikel 4.52, lid 1, van de Wet IB 2001. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
1. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
2. Beoordeling van de klachten
2.1
Voor het Hof was onder meer in geschil of de Inspecteur voor het jaar 2014 terecht bij belanghebbende een bedrag van € 54.940 als inkomen uit aanmerkelijk belang in aanmerking heeft genomen.
2.2
Het Hof heeft de hiervoor in 2.1 weergegeven vraag bevestigend beantwoord. Het heeft daartoe overwogen dat het bij zijn uitspraak van 18 september 2019 in de zaak met nummer BK-18/01097 heeft geoordeeld dat de kwijtschelding van het bedrag van € 54.940 door [E] B.V. aan belanghebbende moet worden aangemerkt als een uitdeling van winst. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat deze uitdeling van winst bij belanghebbende in de heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen dient te worden betrokken, omdat belanghebbende houder is van alle certificaten van de aandelen in die vennootschap.
2.3
Voor zover de klachten opkomen tegen de hiervoor in 2.2 bedoelde oordelen van het Hof, slagen zij. Bij arrest van vandaag, ECLI:NL:HR:2020:1949, heeft de Hoge Raad de uitspraak van het Hof van 18 september 2019 in de zaak met nummer BK-18/01097 vernietigd en die zaak verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe behandeling in volle omvang. Daarmee is aan de hiervoor in 2.2 bedoelde oordelen van het Hof de grond komen te ontvallen.
2.4
De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
2.5
Op grond van hetgeen hiervoor in 2.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen.
3. Proceskosten
De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 19/05003 met deze zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof, van het geding voor de Rechtbank en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding moet worden toegekend.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof,
- verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest,
- draagt de Staatssecretaris van Financiën op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 128, en
- veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 1.050, derhalve € 525, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.M.F. van Loon als voorzitter, en de raadsheren L.F. van Kalmthout en E.F. Faase, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2020.